Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2416

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
Awb 11 / 4508
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers stellen dat zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij een feitelijke gezinsband hebben gehad met referent, hun broer, in het land van herkomst, zodat zij in aanmerking dienen te komen voor de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zijnde een visum.

Verweerder stelt dat eisers dit niet hebben aangetoond, nu er sprake is van tegenstrijdigheden in hun verklaringen.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gestelde gezinsband tussen referent en eisers onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Onvoldoende aannemelijk is dat eisers in het land van herkomst behoorden tot het gezin van referent, nu er sprake is van tegenstrijdigheden of inconsistenties in de verklaringen van eisers.

"(...). De overig gesignaleerde tegenstrijdigheden in de verklaringen van eisers worden door eisers niet betwist, zodat deze derhalve vast staan. Nu er sprake is van tegenstrijdigheden in de verklaringen van eisers, is de feitelijke gezinsband tussen eisers en referent terecht door verweerder niet aangenomen. De stelling van eisers dat de vermeende tegenstrijdigheden van ondergeschikt belang zijn, neemt de geconstateerde tegenstrijdigheden in de verklaringen van eisers niet weg. Bovendien zijn deze tegenstrijdigheden niet van ondergeschikt belang, nu mag worden aangenomen dat, als eisers en hun broer een feitelijke gezinsband hebben gehad, hun verklaringen eenduidig zijn, ook op minder relevante aspecten. De stelling van eisers dat deze tegenstrijdigheden zouden komen door de psychische gesteldheid van eisers en dat het geheugen van eisers ernstig heeft geleden onder de omstandigheden in Somalië, waardoor zij geen exacte weergave kunnen geven hoe een en ander heeft plaatsgevonden, is niet nader onderbouwd, dan wel nader geconcretiseerd. Verweerder heeft dan ook, gelet op de tegenstrijdigheden, terecht aangenomen dat geen sprake is geweest van een feitelijke gezinsband tussen eisers en hun broer. De weigering eisers een vergunning te verlenen is in bezwaar terecht gehandhaafd".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

vreemdelingenkamer

nevenzittingsplaats Almelo

regnr.: Awb 11 / 4508

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

[…],

geboren op […],

eiser 1,

[…],

geboren op […],

eiser 2,

[…],

geboren op […],

eiser 3,

allen van nationaliteit,

IND dossiernummer […],

allen tezamen te noemen ,

gemachtigde: , te ;

tegen

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

(het Hoofd van de Visadienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. M. A. Vonk, ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Procesverloop

Op hebben eisers een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zijnde een visum, ingediend. Bij besluit van heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij brief van is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van ongegrond verklaard. Bij brief van , aangevuld bij brief van 9 maart 2011, is daartegen beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van behandeld. Eisers zijn niet verschenen, maar hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Referent is wel verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Standpunten

Verweerder heeft in bezwaar het primaire besluit gehandhaafd, omdat de gestelde gezinsband tussen referent en eisers onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Onvoldoende aannemelijk is dat eisers in het land van herkomst behoorden tot het gezin van referent. Deze conclusie heeft verweerder verbonden aan een aantal geconstateerde tegenstrijdigheden of inconsistenties in de verklaringen van eisers. Deze tegenstrijdigheden komen dan ook voor rekening en risico van eisers. Bovendien zijn de overige tegenstrijdigheden in eisers verklaringen niet weggenomen.

Eisers stellen dat zij minderjarig zijn en dat zij en referent, hun broer, vanaf hun geboorte in een gezin gewoond hebben, aanvankelijk samen met hun ouders tot circa 2000 en vanaf 1999 met de echtgenote van referent en hun kinderen. De ouders van eisers zijn overleden c.q. vermist. In de periode vanaf circa 2000 tot aan het vertrek van referent, gedurende acht jaar, heeft referent feitelijk voor eisers gezorgd en vanaf diens vertrek heeft de echtgenote van referent feitelijk voor eisers gezorgd als een gezin in Somalië. Er was sprake van een feitelijke gezinsband tussen referent en eisers die reeds in Somalië bestond op de datum van vertrek van referent. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 19 oktober 2010, (JV 2010, 471). Eisers zijn dan ook van mening dat zij in aanmerking dienen te komen voor gezinshereniging met referent. Wat betreft de vermeende tegenstrijdigheden zijn eisers van mening dat de verklaringen met betrekking tot de moeder en de indeling van de woning niet tegenstrijdig zijn. De andere tegenstrijdigheden worden erkend, maar die zijn van zodanig ondergeschikte aard, dat zij geen rol van betekenis kunnen spelen in de besluitvorming danwel zijn toe te schrijven aan hun psychische gesteldheid. Verder zijn eisers van mening dat de gehoren op onjuiste wijze zijn afgenomen.

Tenslotte doen zij een beroep op de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingrichtlijn), de Kwalificatierichtlijn en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en stellen dat het besluit in strijd daarmee is genomen, omdat het EU recht geen waterscheiding kent tussen asiel en regulier.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of verweerder in het besluit op bezwaar terecht de weigering om een mvv te verlenen, heeft gehandhaafd.

Voor een verblijf langer dan drie maanden behoeft een vreemdeling een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 13 van de Vw 2000. Met het oog hierop pleegt de minister een aanvraag om verlening van een mvv te beoordelen aan de hand van dezelfde criteria als die, welke gelden voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van zodanige vergunning.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, van de Vw 2000 die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd, dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, van de Vw 2000, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, is verleend.

Volgens paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover thans van belang, dienen de gezinsleden, om voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in aanmerking te kunnen komen, feitelijk te behoren tot het gezin van degene, bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan. De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel - indicatief - bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt.

Eisers beogen gezinshereniging met hun in Nederland woonachtige broer (referent) op grond van het nareisbeleid.

Door verweerder wordt niet getwijfeld dat eisers de broers zijn van referent.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat het besluit in strijd met het EU-recht is genomen, omdat het EU-recht geen waterscheiding kent tussen asiel en regulier, overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals de AbRS heeft overwogen (onder meer uitspraak van 10 december 2002, nr. 200205827/1, JV 2003/46), is de bepaling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 in die wet opgenomen om, naast de voorschriften strekkende tot verlening van een verblijfsvergunning regulier, ook in het kader van de verlening van een verblijfsvergunning asiel een regeling te treffen ter bescherming van het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op respect voor het familie- en gezinsleven en biedt de Vw 2000 buiten die regeling geen gronden voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van dat familie- en gezinsleven.

Zoals de AbRS evenzeer heeft overwogen in haar uitspraken van 19 oktober 2010 (nr. 201001188/1/V1, JV 2010, 471) en van 6 augustus 2003 (nr. 200302605/1, JV 2003/433), leidt de strikte scheiding tussen asiel en regulier die uit de systematiek van de Vw 2000 volgt, ertoe dat de beoordeling van aanspraken op toelating die aan artikel 8 van het EVRM worden ontleend, behoudens in het kader van de vraag of een vergunning, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, moet worden verleend, dient plaats te vinden in de procedure omtrent de verlening van een verblijfsvergunning regulier. Uit de wetsgeschiedenis (Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 48) volgt dat laatstbedoelde bepalingen bijzondere toelatingsgronden bevatten, krachtens welke aan vreemdelingen die zelf niet voor asiel in aanmerking komen, niettemin een verblijfsvergunning asiel kan worden verleend.

Gelet op het bijzondere karakter van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 geregelde toelatingsgrond en de inbreuk die daarmee op de algemene systematiek van de Vw 2000 is gemaakt, heeft verweerder de reikwijdte van deze bepaling terecht in beperkte zin, te weten dat er geen verdere afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dient plaats te vinden dan de afweging die reeds in deze bepaling besloten ligt, opgevat. Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eisers reeds hierom niet kan slagen.

Eisers stellen dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu in het besluit niet is ingegaan op de grond van bezwaar dat de gehoren zijn afgenomen door een onbekende medewerker in de Engelse taal met behulp van een tolk in de Somalische taal, van wie niet vaststaat of en in welke mate deze beide personen de Engelse taal beheersen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat het besluit, wat betreft het horen, onzorgvuldig tot stand is gekomen. De verslaglegging van de gehoren bevat geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de medewerker en de tolk elkaar niet goed hebben begrepen.

Uit de verslaglegging van de gehoren blijkt verder niet dat eisers niet in staat zouden zijn geweest om te worden gehoord. Door de medewerker van de Nederlandse ambassade in Ethiopië, noch de tolk is opgemerkt dat het gedrag van eisers aanleiding gaf voor een dergelijke conclusie. Evenmin hebben eisers zelf aangegeven dat zij zich lichamelijk of psychisch niet in staat voelden om te worden gehoord. Bij de aanvang van de gehoren heeft de medewerker van de Nederlandse ambassade aan eisers gevraagd of er medische redenen zijn waarom het gehoor niet kan plaatsvinden. Eisers hebben geantwoord dat die er niet zijn. Voorts heeft de medewerker aan eisers gevraagd of zij nog wijzigingen en/of aanvullingen willen aanbrengen in hun verklaringen. Eisers hebben hierop ontkennend geantwoord. Tot slot hebben eisers aan het einde van de gehoren verklaard voldoende in de gelegenheid te zijn gesteld hun verhaal naar voren te brengen en de tolk goed te hebben verstaan en begrepen. Dat geen correcties of aanvullingen zijn aangebracht, maakt het vorenstaande niet anders, nu onderhavige aanvraag een visumaanvraag betreft, waar het indienen van correcties en/of aanvullingen geen vereiste is.

Het voorgaande in aanmerking genomen komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder in het onderzoek voorafgaande aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldigheid heeft betracht.

Ter zitting is namens eisers gesteld dat er 148 vragen zijn gesteld en dat over circa 10 zaken door eisers niet gelijkluidend of in tegenspraak met de verklaringen van referent is verklaard.

Eisers hebben gesteld dat hun verklaringen omtrent de indeling van de kamers in de woning, waarin zij met hun broer en diens familie een gezin hebben gevormd, niet tegenstrijdig zijn, omdat de verklaringen niet alle betrekking hebben op hetzelfde moment. Verweerder heeft deze vermeende tegenstrijdigheid ter zitting niet langer gehandhaafd.

Eisers stellen dat de vermeende tegenstrijdigheden in de verklaringen over de dood van hun moeder niet kunnen worden tegengeworpen. De rechtbank volgt eisers hierin. Daartoe overweegt de rechtbank dat referent weliswaar in het eerste gehoor van 4 september 2008 heeft verklaard dat zijn moeder een natuurlijke dood is gestorven, terwijl eisers verklaard hebben dat zij sinds 2000 vermist is, doch in de correcties en aanvullingen van 2 december 2008 bij het eerste gehoor, is referent op dit punt teruggekomen en heeft hij verklaard dat hij niet met zekerheid kan zeggen dat zijn moeder is overleden, nu hij dit van derden zou hebben gehoord. De rechtbank is van oordeel dat referent daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het lot van zijn moeder bij hem onbekend is. Verweerder heeft dit in redelijkheid niet kunnen tegenwerpen.

Verweerder heeft evenwel in redelijkheid wel aan eisers kunnen tegenwerpen dat zij niet eenduidig hebben verklaard over de plaats waar werd gekookt en waar het toilet was. Zo heeft eiser 1 verklaard dat naast de opslagplaats werd gekookt en dat het toilet aan de andere kant van de slaapkamer van de ouders was. Eisers 2 en 3 hebben echter verklaard dat buiten werd gekookt en dat het toilet ook buiten was. Deze tegenstrijdigheid in de verklaringen van eisers hebben eisers niet bestreden.

Ook worden de overig gesignaleerde tegenstrijdigheden in de verklaringen van eisers door eisers niet betwist, zodat deze derhalve vast staan. Nu er sprake is van tegenstrijdigheden in de verklaringen van eisers, is de feitelijke gezinsband tussen eisers en referent terecht door verweerder niet aangenomen. De stelling van eisers dat de vermeende tegenstrijdigheden van ondergeschikt belang zijn, neemt de geconstateerde tegenstrijdigheden in de verklaringen van eisers niet weg. Bovendien zijn deze tegenstrijdigheden niet van ondergeschikt belang, nu mag worden aangenomen dat, als eisers en hun broer een feitelijke gezinsband hebben gehad, hun verklaringen eenduidig zijn, ook op minder relevante aspecten. De stelling van eisers dat deze tegenstrijdigheden zouden komen door de psychische gesteldheid van eisers en dat het geheugen van eisers ernstig heeft geleden onder de omstandigheden in Somalië, waardoor zij geen exacte weergave kunnen geven hoe een en ander heeft plaatsgevonden, is niet nader onderbouwd, dan wel nader geconcretiseerd. Verweerder heeft dan ook, gelet op de tegenstrijdigheden, terecht aangenomen dat geen sprake is geweest van een feitelijke gezinsband tussen eisers en hun broer. De weigering eisers een vergunning te verlenen is in bezwaar terecht gehandhaafd.

Het beroep is, gelet op het vorenstaande, ongegrond.

Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. , rechter, in tegenwoordigheid van mr. , griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 84, aanhef en onder b, Vw 2000, bepaalt dat geen hoger beroep openstaat tegen een uitspraak van de rechtbank over een visum voor een verblijf van drie maanden of minder.

Afschrift verzonden: