Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2235

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
AWB 10/2635 WRO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX1032, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige kamer. Bodemzaak. Planschade door vaststelling bestemmingsplan "Omleidingsweg N219". Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Wet ruimtelijke ordening 6.2
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening 9.1.18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/2635 WRO

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. P.J.L.J. Duijsens,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 22 december 2009, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder een verzoek van eiser om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening toegewezen.

Bij besluit van 23 maart 2010, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 24 februari 2009, het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 april 2010, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 22 november 2010 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, vergezeld van zijn zoon en bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag. Tevens is verschenen D.C. van der Wel, als makelaar-taxateur verbonden aan Vellekoop Makelaardij en Onteigeningszaken te Bleiswijk.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door V.G. Soentpiet en mr. I.M.A.M. Looijen, verbonden aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken te Rotterdam.

Als getuigen zijn gehoord Johannes Oudijk, geboren op 1 september 1956, en Adrianus Johannes Oudijk, geboren op 5 januari 2982, als register-makelaar-taxateur, respectievelijk makelaar-taxateur verbonden aan Oudijk Makelaardij te Waddinxveen.

II OVERWEGINGEN

Wettelijk kader

1.1. Aangezien de aanvraag om vergoeding van planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bij verweerder is ingekomen op 22 september 2008, is in dit geval het recht van toepassing zoals dat geldt sinds 1 juli 2008.

1.2. Ingevolge artikel 6.1 van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Feiten

2.1. Bij brief van 19 september 2008 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om vergoeding van schade, samenhangend met het onherroepelijk geworden bestemmingsplan "Omleidingsweg N219" (hierna: het bestemmingsplan). Eiser exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de [adres] (hierna: het perceel) en bewoont de op het perceel aanwezige bedrijfswoning. Eiser stelt zowel als ondernemer als in privé schade te hebben geleden ten gevolge van de bepalingen van het bestemmingsplan, waardoor de aanleg van de omleidingsweg N219 en bijbehorende voorzieningen tussen de autosnelweg Den Haag-Gouda (A12) en de bestaande N219 alsmede aansluitingen van de N219 met de A12 mogelijk zijn geworden. Omdat het bestemmingsplan voorziet in de bestemming "Verkeersdoeleinden" in de directe nabijheid van het perceel, stelt eiser dat sprake zal zijn van waardevermindering van zowel de bedrijfswoning als het bedrijf. Daarnaast stelt eiser dat sprake zal zijn van inkomensschade en nog enkele andere schadecomponenten. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft eiser op 6 oktober 2008 een taxatierapport van D.C. van der Wel van 30 september 2008 overgelegd. Van der Wel begroot de totale schade op € 558.400,-- + PM.

2.2. Bij besluit van 22 december 2009 heeft verweerder, in navolging van de adviezen van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) van oktober 2009 het verzoek toegewezen in die zin dat eiser vanwege waardevermindering van het bedrijf en de bedrijfswoning een vergoeding van € 100.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, is toegekend.

Bestreden besluit en beroepsgronden

3.1. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, in navolging van het advies van de SAOZ van 26 januari 2010, het door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe is beslissend geacht dat de door de SAOZ voor de taxaties ingeschakelde Joh. Oudijk en A.J. Oudijk, anders dan eiser stelt, de schade niet op een hoger bedrag hebben getaxeerd dan in het advies van de SAOZ vermeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij zich bij zijn besluitvorming mocht baseren op de adviezen van de SAOZ.

Eiser stelt, kort samengevat, dat van de door Joh. Oudijk gemaakte schadeberekening in strijd met de planschadeprocedureverordening geen rapport is opgesteld, althans niet is overgelegd. Zijn schadeberekening komt, anders dan verweerder heeft aangenomen, in de buurt van de schadeberekening van Van der Wel. De totale schade bedraagt niet slechts € 100.000,--, maar € 558.400,-- + PM. Daarbij dient geen normaal maatschappelijk risico in aanmerking te worden genomen omdat eiser de aanleg van de N219 niet hoefde te verwachten.

Beoordeling

4.1. Voorbereiding

4.1.1. Ter beoordeling staat in de eerste plaats de vraag of verweerder het besluit van 22 december 2008 in overeenstemming met de "'Planschadeprocedureverordening 2005 gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle', eerste herziening" (hierna: de verordening), heeft voorbereid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.1.2. In artikel 1, aanhef en onder a, van de verordening is bepaald dat onder adviseur wordt verstaan een persoon of commissie belast met het adviseren inzake de door het college te nemen beschikking op een aanvraag om vergoeding van planschade en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

In artikel 5 van de verordening is bepaald dat, behoudens twee hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen, het college een adviseur aanwijst en opdracht verstrekt om ter zake van de aanvraag advies uit te brengen.

In artikel 6, eerste lid, van de verordening is bepaald dat de adviseur de aanvrager, een derde-belanghebbende en het college in de gelegenheid stelt om naar keuze schriftelijk of mondeling hun visie te geven over de aanvraag om planschade.

In artikel 6, tweede lid, van de verordening is bepaald dat van een mondelinge uiteenzetting door de aanvrager, de derde-belanghebbende of de vertegenwoordiger van het college een samenvatting wordt gemaakt. De samenvatting wordt opgenomen in het advies.

In artikel 7, eerste lid, van de verordening is bepaald dat de adviseur binnen zestien weken na ontvangst van de opdracht een schriftelijk en gemotiveerd conceptadvies uitbrengt aan het college omtrent de gegrondheid van de aanvraag en de hoogte van de te vergoeden planschade.

In artikel 7, derde lid, van de verordening is bepaald dat de adviseur een afschrift van het conceptadvies aan de aanvrager en de derde-belanghebbende zendt en hen in de gelegenheid stelt om binnen vier weken na verzending van het conceptadvies daarop schriftelijk te reageren.

4.1.3 Op 8 december 2008 en 15 januari 2009 heeft verweerder de SAOZ gevraagd ter zake van de aanvraag advies uit te brengen.

4.1.4 Op 5 maart 2009 heeft eiser, bijgestaan door Van der Wel, de aanvraag nader toegelicht aan mr. I.M.A.M. Looijen. Daarbij waren, op verzoek van de SAOZ, ook aanwezig Joh. Oudijk en A.J. Oudijk. Aansluitend heeft een opname van de onroerende zaken plaatsgevonden.

4.1.5. Op 19 augustus 2009 heeft de SAOZ haar conceptadvies uitgebracht en partijen in de gelegenheid gesteld daarop binnen uiterlijk vier weken te reageren.

4.1.6. Op 9 september 2009 heeft eiser telefonisch aangegeven dat zijn gemachtigde nog zou reageren op het conceptadvies.

4.1.7. Bij brief van 22 september 2009, door de SAOZ op diezelfde datum ontvangen, heeft eiser een reactie ingediend.

4.1.8. De rechtbank stelt vast dat uit beide adviezen van de SAOZ van oktober 2009 blijkt dat de reactie van eiser op het advies van de SAOZ is betrokken bij de voorbereiding van het besluit.

4.1.9. Verweerder stelt, in navolging van de adviezen van de SAOZ, dat hij heeft kennis genomen van de reactie van eiser, maar geen aanleiding heeft gezien naar aanleiding daarvan een andere beslissing te nemen.

4.1.10. De rechtbank is van oordeel dat zowel het besluit van 22 december 2008 als het bestreden besluit in overeenstemming met de verordening is genomen. De omstandigheid dat de door de SAOZ ingeschakelde heren Oudijk niet schriftelijk hebben gerapporteerd, maakt dat niet anders, omdat genoemde bepalingen uit de verordening slechts zien op de verplichtingen van de SAOZ, en niet tevens op door haar ingeschakelde taxateurs. Zij zijn immers geen adviseur in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de verordening.

4.1.11. De rechtbank is van oordeel dat de werkwijze waarbij de taxateurs, behoudens één kort e-mailbericht, mondeling aan de SAOZ rapporteren en de SAOZ de bevindingen van de taxateur in haar advies verwoordt, niet leidt tot een motiveringsgebrek. Overigens zou een dergelijk gebrek niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit, omdat eiser niet in enig procedureel of materieel belang is geschaad. Eisers reactie op het advies van de SAOZ komt in beroep immers aan de orde.

4.1.12. Tijdens de zitting is van de zijde van de SAOZ onweersproken gesteld dat zij de beide heren Oudijk uitsluitend de opdracht heeft gegeven haar te adviseren omtrent de waarde van de onroerende zaken van eiser voorafgaand aan de planologische wijziging. De SAOZ heeft de taxateurs niet ingeschakeld bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaken van eiser ná de planologische wijziging, omdat zij daarvoor onvoldoende expertise in planschadezaken bleken te hebben. De SAOZ is daarom wat betreft de waarde van de onroerende zaken voorafgaand aan de planologische wijziging uitgegaan van de door de heren Oudijk verrichte taxatie, en heeft de waarde van de onroerende zaken ná de planologische wijziging laten vaststellen door haar eigen rentmeester-taxateur, mr. J.H.J. van Erk. De heren Oudijk hebben over de waarde van de onroerende zaken van eiser ná de planologische wijziging geen oordeel gegeven.

4.1.13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat mr. J.H.J. van Erk bij de in overweging 4.1.4. genoemde opname aanwezig had moeten zijn. De beoordeling die mr. Van Erk moest maken om de waarde van de onroerende zaken van eiser na de planologische wijziging vast te stellen, betreft een technisch/theoretische berekening. Mr. Van Erk hoefde, om die te kunnen maken, niet betrokken te zijn geweest bij de opname van de onroerende zaken.

4.1.14. Hetgeen ter zitting is verklaard, maakt duidelijk dat de stelling van eiser dat de waardevermindering van de onroerende zaken volgens de heren Oudijk in de buurt van de schadeberekening van Van der Wel zou komen, ongegrond is. Weliswaar heeft A.J. Oudijk in een van de telefonische contacten die hij met eiser heeft gehad, meegedeeld 'op dezelfde golflengte te zitten als Van der Wel', maar die mededeling had slechts betrekking op de waarde van de onroerende zaken van eiser voorafgaand aan de planologische wijziging. De SAOZ had de heren Oudijk immers, zoals hiervoor vermeld, geen opdracht gegeven haar te adviseren omtrent de waarde van de onroerende zaken van eiser ná de planologische wijziging. Omtrent de waarde van de onroerende zaken van eiser voorafgaand aan de planologische wijziging verschillen de partijen niet van mening, zo is ter zitting gebleken. Die waarde is volgens alle deskundigen nagenoeg identiek.

4.2. Schadecomponenten en de waardering van de schade

4.2.1. Voor de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de planologische maatregelen, waarvan gesteld wordt dat deze schade hebben veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is, wat betreft het oude planologische regime, niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan grond bestaan om van voormeld uitgangspunt af te wijken.

4.2.2. Niet is in geschil dat eiser als gevolg van de bepalingen van het bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Partijen verschillen van mening over de waardering van de schade.

4.2.3. Bij besluit van 21 september 2004 heeft de raad van de voormalige gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle het bestemmingsplan vastgesteld. Het bestemmingsplan is op 12 juni 2007 door gedeputeerde staten van Zuid-Holland goedgekeurd, en op 2 augustus 2007 in werking getreden. Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) van 2 juli 2008, LJN BD6061, is het bestemmingsplan op die datum onherroepelijk geworden.

4.2.4. Het voorheen geldende planologische regime is het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1990".

4.2.5. Deze twee planologische regimes dienen voor de beantwoording van de vraag of eisers schadevergoeding toekomt met elkaar te worden vergeleken.

4.2.6. De vraag die gelet op aangevoerde beroepsgronden moet worden beantwoord, is of verweerder zich mocht zich baseren op de adviezen van de SAOZ.

4.2.7. Eiser stelt, onder verwijzing naar het rapport van Van der Wel van 30 september 2008, dat als peildatum voor de te berekenen schade dient te worden aangehouden de datum van de bestemmingsplanwijziging van 2 juli 2008.

4.2.8. Eiser stelt voorts dat de bestemming "Agrarische Doeleinden" die op grond van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1990" op het perceel rustte, geen bebouwing van enige betekenis toeliet.

4.2.9. Eiser komt, uitgaande van het vorenstaande, tot een waarde van de bedrijfswoning direct voorafgaand aan 2 juli 2008 van € 450.000,--, en daarna van € 300.000,--, en voor het bedrijf een waarde van € 2.555.000,-- respectievelijk € 2.235.000,--. De vermindering van de waarde van de onroerende zaken bedraagt derhalve in totaal € 320.000,--. Verder kan volgens eiser niet worden uitgesloten dat de waarde van het bedrijf verder zal dalen als gevolg van de toekomstige bestemming "Woongebied". Daarnaast is volgens eiser sprake van inkomensschade ten bedrage van € 66.400,-- en dienen ook de kosten van deskundige bijstand ten bedrage van € 7.000,--, kosten van de aanpassing van de siertuin ten bedrage van € 15.000,-- en eventuele kosten vanwege personeelsverloop (PM) te worden vergoed. In totaal bedraagt de schade volgens eiser derhalve € 558.400,-- + PM.

4.2.10. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser uitgaat van een onjuiste peildatum. Op grond van vaste jurisprudentie van de ABRS, bijvoorbeeld de uitspraken van 15 januari 2003, LJN AF 2900, en van 18 juni 2003, LJN AG 1714, blijkt dat de peildatum voor het ontstaan en voor de beoordeling van de planschadeaansprakelijkheid niet is de datum van onherroepelijk worden van de goedkeuring van het schadeveroorzakende besluit, zijnde 2 juli 2008, maar de datum van inwerkingtreding van de goedkeuring, zijnde 2 augustus 2007.

4.2.11. De rechtbank is, gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, voorts van oordeel dat eiser ten onrechte betoogt dat op grond van bestemmingsplan "Landelijk gebied 1990" op het perceel, gelet op de ter plaatse geldende bestemming "Agrarische Doeleinden", geen bebouwing van enige betekenis kon worden opgericht. De SAOZ is er in haar rapporten van oktober 2009 terecht van uitgegaan dat op grond van artikel 11, derde lid, van de planvoorschriften op gronden met die bestemming hulpgebouwen met een maximale goothoogte van 6 meter en terreinafscheidingen van maximaal 2 meter hoog mochten worden gebouwd. Daarnaast gold op ruim 300 meter afstand van het perceel van eiser de overige aanduiding "bouwstede", op basis waarvan tot op kortere afstand tot het perceel van eiser aaneengesloten kassenbouw mogelijk was. Voor kassen gold een maximale goothoogte van 6 meter. Ten slotte konden ten oosten van de bedrijfswoning van eiser op grond van de aldaar geldende overige aanduiding "exclave 2h" woningen worden opgericht. De rechtbank stelt vast dat de stelling in het rapport van Van der Wel dat op de eiser belendende percelen geen bebouwing van enige betekenis kon worden opgericht, derhalve onjuist is.

4.2.12. De conclusie is dat het rapport van Van der Wel uitgaat van een onjuiste vergelijking van planologische regimes. Reeds om die reden kan het rapport wat betreft de waardevermindering van de onroerende zaken niet gevolgd worden.

4.2.13. In hetgeen eiser heeft gesteld is geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder het planologisch nadeel onjuist heeft beoordeeld.

4.2.14. Er is evenmin grond voor het oordeel dat verweerder de adviezen van de SAOZ wat betreft de vermindering van de waarde van de onroerende zaken niet aan zijn besluiten ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat die beoordeling heeft geleid tot een te lage schadevergoeding. Volgens verweerder bedroeg de waarde van de bedrijfswoning direct voor de peildatum € 445.000,--, en direct na de peildatum van € 410.000,--. De waarde van het bedrijf bedroeg € 2.294.000,--, respectievelijk € 2.229.000,--. De vermindering van de waarde van de onroerende zaken bedraagt derhalve in totaal € 100.000,--. De rechtbank stelt vast dat, nu de door verweerder gehanteerde juiste peildatum van 2 augustus 2007 minder dan een jaar eerder ligt dan de door eiser gehanteerde onjuiste datum van 2 juli 2008, de verschillen in waarde van de onroerende zaken direct voorafgaand aan de peildatum gering zullen zijn. De verschillen in de waardebepaling van de onroerende zaken na de planologische wijziging laten zich, behalve door het feit dat alle deskundigen zich mede door kennis, ervaring en intuïtie hebben laten leiden, verklaren door de door Van der Wel gemaakte onjuiste planologische vergelijking. Verweerder heeft zich ten slotte terecht op het standpunt gesteld dat waardevermindering als gevolg van een mogelijke toekomstige bestemming in deze procedure niet ter beoordeling staat en daarom buiten beschouwing dient te blijven.

4.2.13. Eiser stelt verder dat sprake is van inkomensschade van € 66.400,00.

4.2.14. Verweerder is van mening dat de potentiële mindere opbrengst als gevolg van de verminderde lichttoetreding en/of de hogere kosten tot uitdrukking komen in de waarde van de onroerende zaak. Voor vergoeding van inkomensschade is daarom geen aanleiding.

4.2.15. De rechtbank volgt verweerder in dit verweer. De waarde van het glastuinbouwbedrijf is immers mede afhankelijk van de omzet die ermee gegeneerd kan worden en de (onderhouds)kosten die gemaakt moeten worden om die opbrengst te genereren. Het afzonderlijk vergoeden van kosten van extra bewassingen zou leiden tot een dubbeltelling, omdat die kosten door de SAOZ, als permanente last zijn verdisconteerd in de waarde van het bedrijf. Eiser heeft die berekening inhoudelijk niet bestreden. Er bestaat dan ook geen aanleiding om afzonderlijke inkomensschade, bestaande uit kosten ter voorkoming van omzetderving, te vergoeden.

4.2.16. Eiser stelt dat de kosten van deskundige bijstand ten bedrage van € 7.000,--, bestaande uit kosten van Van der Wel en kosten van rechtsbijstand, vergoed moeten worden.

4.2.17. In artikel 6.5 van de Wro is bepaald dat, indien burgemeester en wethouders een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 toekennen, zij daarbij tevens vergoeden de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

4.2.18. De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de ABRS, bijvoorbeeld de uitspraken van 4 februari 2000, LJN AS4495, en van 25 februari 2004, LJN AO4344, en overweegt dat op grond van de onder de vigeur van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gevormde jurisprudentie rechtsbijstandkosten of deskundigenkosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de, op een objectief en zorgvuldig tot stand gekomen advies van een onafhankelijke deskundige gebaseerd besluit, niet kunnen worden aangemerkt als een te vergoeden bestanddeel van planschade. De rechtbank is van oordeel dat het inroepen van de deskundige bijstand van Van der Wel ten tijde van het indienen van de aanvraag, gelet op genoemde jurisprudentie van de ABRS, voorbarig was en daarom niet als redelijk kan worden aangemerkt. Datzelfde geldt voor het inroepen van rechtsbijstand. Ook de kosten die verband houden met de reactie op de conceptadviezen komen, gelet op de inhoud en omvang daarvan, niet voor vergoeding in aanmerking.

4.2.19. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser genoemde kosten voor de aanpassing van de siertuin ten bedrage van € 15.000,- niet voor vergoeding in aanmerking komen. De wens van eiser tot aanpassing van zijn tuin om de overlast die hij ervaart van de weg te verminderen, is immers het gevolg van de feitelijke aanleg van de weg, en niet het gevolg van de planologische wijziging die de aanleg en ingebruikneming van de weg mogelijk maakt.

4.2.20. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat eiser eventuele kosten vanwege personeelsverloop, waarvoor Van der Wel een PM-post in zijn rapport heeft opgenomen, op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt. Ook deze schadecomponent komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

4.3. Normaal maatschappelijk risico

4.3.1. Eiser stelt dat de aanleg en ingebruikneming van de N219 niet hoefde te verwachten, reden waarom geen normaal maatschappelijk risico in aanmerking te worden genomen.

4.3.2. In artikel 6.2 van de Wro is bepaald dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft.

In artikel 9.1.18, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is bepaald dat

artikel 6.2, tweede lid, van de Wro tot 1 september 2010 niet geldt voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

4.3.3. Gelet hierop blijft de binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade niet voor rekening van eiser. De rechtbank stelt vast dat uit beide adviezen van de SAOZ van oktober 2009 blijkt dat bij de beoordeling van de vergoedbaarheid van de schade ook geen aftrek met het normaal maatschappelijk risico heeft plaatsgevonden.

4.3 Slotsom

4.3.1. Gelet op het voorgaande kon verweerder zich bij zijn besluitvorming baseren op de adviezen van de SAOZ.

4.3.2. Het beroep is ongegrond.

4.3.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Aarts, mr. D.A.J. Overdijk en mr. H.P.M. Meskers, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. R.F. van Aalst.

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.