Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2196

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
AWB 09/7935 IB/PVV, AWB 09/7938 IB/PVV, AWB 09/7939 IB/PVV en AWB 09/7942 IB/PVV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Heffingsrecht beloningen aan in het Verenigd Koninkrijk wonende certificaathouder Nederlandse vennootschap komt op grond van artikel 15, eerste lid, van het Verdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk aan Nederland toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1917
V-N 2011/43.2.3
FutD 2011-1761
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummers: AWB 09/7935 IB/PVV, AWB 09/7938 IB/PVV, AWB 09/7939 IB/PVV en AWB 09/7942 IB/PVV

Uitspraakdatum: 6 juli 2011

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z] (Verenigd Koninkrijk), eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1. Verweerder heeft aan eiser navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 en 2003 (aanslagnummers [nummer] en [nummer]) opgelegd, berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 104.316 (2002) en € 104.723 (2003). Bij de navorderingsaanslag over het jaar 2002 is tevens een vergrijpboete van € 9.607 opgelegd. Daarnaast is € 5.988 (2002) en € 4.832 (2003) aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft voorts aan eiser aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2004 en 2005 (aanslagnummers [nummer] en [nummer]) opgelegd, berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 100.000 (2004) en € 130.000 (2005). Tevens is € 5.808 (2004) en € 7.025 (2005) aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 september 2009 de onder 1.1. en 1.2. genoemde (navorderings-)aanslagen en de vergrijpboete gehandhaafd.

1.4. Eiser heeft daartegen bij brief van 5 november 2009, ontvangen bij de rechtbank op

10 november 2009, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van

7 december 2009, ingekomen bij de rechtbank op 9 december 2009.

1.5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Verweerder heeft vóór de zitting bij brieven van 27 januari 2011, ingekomen bij de rechtbank op 28 januari 2011, nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2011 te 's-Gravenhage.

Namens eiser is daar niemand verschenen. De gemachtigde van eiser heeft op de zittingsdag telefonisch aan de griffier laten weten dat hij wegens ziekte verhinderd was ter zitting te verschijnen. Hij heeft daarbij niet verzocht om uitstel van de zitting. Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B].

II FEITEN

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank, als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Eiser bezit alle certificaten van aandelen in de naar Nederlands recht opgerichte vennootschap [C] Beheer B.V. (hierna: de vennootschap). De vennootschap is bij oprichting feitelijk gevestigd in Nederland. De vennootschap heeft acht in Nederland gevestigde dochtervennootschappen, waarin zij een 100%-belang heeft. Van deze dochtervennootschappen zijn er vijf werkzaam op het gebied van de horeca.

2.2. Eiser heeft in de onderhavige jaren zowel salaris als tantièmes van de vennootschap ontvangen.

2.3. Eiser heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2005 aangegeven dat hij in die jaren in het Verenigd Koninkrijk woonachtig was. Hij heeft geen Nederlands inkomen aangegeven.

2.4. Aan eiser is met dagtekening 26 oktober 2005 een definitieve aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2002 opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 841 en een (maximum) premie-inkomen van € 27.847. Daarbij is tevens een verzuimboete van € 113 opgelegd. Eiser heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

2.5. Aan de vennootschap is een aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2003 opgelegd naar een ambtshalve vastgesteld belastbaar bedrag. Op 11 augustus 2006 is tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend. Bij dat bezwaar zijn de aangifte vennootschapsbelasting en de jaarstukken over het jaar 2003 ingediend. In de jaarstukken is een salaris van respectievelijk € 35.400 (2002) en € 36.000 (2003) en een tantième van respectievelijk van € 68.075 (2002) en € 68.723 (2003) opgenomen.

2.6. Verweerder heeft bij brief van 28 november 2006 eiser ervan in kennis gesteld dat met dagtekening 8 december 2006 een definitieve aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2003 zal worden opgelegd, dat bij die aanslag geen rekening is gehouden met het in dat jaar door eiser van de vennootschap genoten salaris en tantième en dat verweerder voornemens is om een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2003 op te leggen. Voorts heeft verweerder aangegeven dat hij ook voornemens is om over het jaar 2002 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen op te leggen, met een vergrijpboete van 25% in verband met grove schuld.

2.7. Bij uitspraak op bezwaar van 19 januari 2007 is het bezwaar tegen de definitieve aanslag over het jaar 2002 wegens het ontbreken van een motivering niet-ontvankelijk verklaard.

2.8. Met dagtekening 8 februari 2007 zijn de aangezegde navorderingsaanslagen en de vergrijpboete opgelegd.

2.9. Vervolgens zijn met dagtekening 13 december 2007 en 4 december 2008 de hiervoor onder 1.2. genoemde aanslagen opgelegd.

2.10. De onderhavige (navorderings-)aanslagen zijn aan eiser als buitenlands belastingplichtige opgelegd.

2.11. De FIOD-ECD heeft in 2009 vanuit het Verenigd Koninkrijk gegevens ontvangen, waaruit blijkt dat eiser in de onderhavige jaren aangifte heeft gedaan in het Verenigd Koninkrijk naar een inkomen van respectievelijk £ 5.985 (2002), £ 6.115 (2003), £ 6.500 (2004) en £ 6.300 (2005). In die aangiften is geen melding gemaakt van inkomsten uit de vennootschap.

III GESCHIL

3.1. In geschil is of de (navorderings-)aanslagen en de vergrijpboete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat eiser in de onderhavige jaren in het Verenigd Koninkrijk woonachtig was en dat eiser als buitenlands belastingplichtige moet worden aangemerkt.

3.2. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een voor navordering vereist nieuw feit en subsidiair dat hij de looninkomsten van de vennootschap niet als bestuurder, als bedoeld in artikel 16 van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar vermogenswinsten, Trb. 1980, 205, zoals gewijzigd bij Protocol van 24 augustus 1989, Trb. 1989,128 (hierna: het Verdrag), heeft ontvangen. Voor zover hij wel als bestuurder zou moeten worden aangemerkt, stelt eiser meer subsidiair dat de plaats van leiding van de vennootschap in het Verenigd Koninkrijk is gelegen, zodat op grond van artikel 16 van het Verdrag het heffingsrecht over de looninkomsten aan het Verenigd Koninkrijk toekomt. Ten aanzien van de boete stelt eiser zich op het standpunt dat er geen sprake is van opzet of kwade trouw.

3.3. Verweerder heeft het standpunt van eiser gemotiveerd weersproken. Verweerder heeft zich ter zitting met betrekking tot de navorderingsaanslagen voorts op het standpunt gesteld dat sprake is van kwade trouw. Voor wat betreft de hoogte van de vergrijpboete heeft verweerder zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat het aan opzet van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven en dat, ook rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, de vergrijpboete dient te worden gehandhaafd op het oorspronkelijk vastgestelde percentage van 25% van de nagevorderde belasting. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat sprake is van grove schuld en dat de vergrijpboete in verband met de overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gematigd.

3.4. Eiser concludeert primair, subsidiair en meer subsidiair tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen, vernietiging van de vergrijpboete en nog meer subsidiair tot vermindering van de aanslagen over de jaren 2004 en 2005 naar belastbare inkomens van respectievelijk € 81.610 (2004) en € 113.223 (2005).

3.5. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep tegen de aanslag over het jaar 2004, vernietiging van de op die aanslag betrekking hebbende uitspraak op bezwaar en vermindering van die aanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 97.080, alsmede tot ongegrondverklaring van de overige beroepen.

IV OVERWEGINGEN

Nieuw feit

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat er sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw.

4.2. Met hetgeen verweerder heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat er voor het jaar 2002 sprake was van een nieuw feit. Blijkens de tot de gedingstukken behorende brief van 11 oktober 2005 van verweerder is de definitieve aanslag ambtshalve opgelegd overeenkomstig - behoudens een door eiser genoten loon van [D] van € 841 - de uitkomsten van de bezwaarprocedures tegen de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: premie WAZ) over de jaren 1999, 2000 en 2001. In die procedures was, zoals ook uit de gedingstukken naar voren komt, uitsluitend de toepassing van de gebruikelijkloonregeling in geschil. Uiteindelijk is in bezwaar, op grond van de arresten van de Hoge Raad van 5 september 2003, nrs. 37 670 en 37 651, LJN: AE8404 en LJN: AE8398, het loon over die jaren voor de berekening van de inkomstenbelasting nader vastgesteld op nihil en is voor de premie volksverzekeringen en de premie WAZ uitgegaan van het loon overeenkomstig artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964. Nu verweerder gemotiveerd heeft gesteld dat pas bij de behandeling van het bezwaar tegen de aan de vennootschap ambtshalve opgelegde aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2003 naar voren is gekomen dat eiser salaris en tantièmes van de vennootschap had genoten, acht de rechtbank aannemelijk dat deze gegevens ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag over het jaar 2002 niet bij verweerder bekend waren. De stelling van eiser dat in mei 2004 en januari 2005 een deel van de in de resultatenrekening van de vennootschap opgevoerde personeelskosten ter discussie zouden zijn gesteld, faalt, nu eiser zijn stelling niet nader heeft geconcretiseerd of met bewijzen heeft onderbouwd. Aldus was voor het jaar 2002 sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit.

4.3. Ten aanzien van de navorderingsaanslag over het jaar 2003 heeft het volgende te gelden. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1990, nr. 26 299, LJN: ZC4417, BNB 1991/118, volgt dat een belastingplichtige aan de regeling van een aanslag, blijkende uit het aan hem uitgereikte aanslagbiljet, het vertrouwen mag ontlenen dat daarmede zijn belastingschuld voor het jaar van de aanslag definitief is vastgesteld. Echter, een belastingplichtige kan zich niet met vrucht beroepen op voormeld vertrouwen indien hem ten tijde van het uitreiken van het aanslagbiljet reeds door de inspecteur was kenbaar gemaakt dat de daarin opgenomen aanslag ten gevolge van een door de inspecteur nader aangeduide misslag van feitelijke of rechtskundige aard, onjuist was vastgesteld en daarom in zoverre niet als een definitieve vaststelling van de belastingschuld kon gelden maar door navordering op dit punt zou worden gevolgd. Gelet op de door verweerder aan eiser verzonden brief van 28 november 2006 kon eiser aan de vaststelling van de aanslag met dagtekening 8 december 2006 niet het vertrouwen ontlenen dat daarmee zijn belastingschuld over het jaar 2003 definitief was vastgesteld. Verweerder was dan ook gerechtigd om de onjuist vastgestelde definitieve aanslag door het opleggen van de navorderingsaanslag te herstellen. De vraag of sprake was van een nieuw feit kan dus in het midden blijven.

4.4. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of eiser te kwader trouw is als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Awr.

Omkering

4.5. Verweerder heeft met een beroep op artikel 25, zesde lid, van de Awr - wegens het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 van de Awr - de (navorderings-)aanslagen in zijn uitspraken op bezwaar gehandhaafd. Verweerder heeft zich ter zitting nog op het standpunt gesteld dat eiser in de onderhavige jaren, naast het niet voldoen aan zijn inlichtingenverplichting, ook niet de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 27e, aanhef en onderdeel a, van de Awr heeft gedaan. Hoewel het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting, als ook het niet doen van de vereiste aangifte, een reden kan zijn om de bewijslast om te keren, acht de rechtbank voor toepassing van omkering van de bewijslast hier geen plaats, nu de hoogte van de onderhavige (navorderings-)aanslagen niet op schattingen zijn gebaseerd, maar op gegevens van de vennootschap zelf.

Verdragstoepassing

4.6. Artikel 16, eerste lid, van het Verdrag wijst het heffingsrecht over directeursbeloningen en dergelijke beloningen toe aan het land waarvan het lichaam inwoner is. Indien de beloning ten laste komt van een vaste inrichting in het land waarvan de bestuurder inwoner is, wordt de beloning ingevolge het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van het Verdrag belast in de woonstaat van de bestuurder.

4.7. Vast staat dat de vennootschap naar Nederlands recht is opgericht en dat de vennootschap bij oprichting was gevestigd in Nederland. Eiser heeft geen stukken in het geding gebracht, waaruit blijkt dat, naar hij heeft gesteld, de zetel van de vennootschap vanuit Nederland is verplaatst naar het Verenigd Koninkrijk. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de vennootschap geacht moet worden inwoner van het Verenigd Koninkrijk te zijn. Derhalve moet het ervoor worden gehouden dat de vennootschap in de onderhavige jaren is gevestigd in Nederland.

4.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat eiser de looninkomsten van de vennootschap in zijn hoedanigheid van bestuurder in de zin van artikel 16, eerste lid, van het Verdrag heeft genoten. De rechtbank stelt hierbij voorop dat voor het begrip bestuurder aansluiting moet worden gezocht bij artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964, voor de toepassing waarvan als bestuurder van een in Nederland gevestigd lichaam moet worden aangemerkt degene die, al dan niet tezamen met anderen, deel uitmaakt van het orgaan dat volgens het op het lichaam toepasselijke recht en de daarvoor geldende statuten is belast met het besturen van de vennootschap (vgl. Hoge Raad 22 december 1999,

nr. 35 024, LJN: AA3939, BNB 2000/94). De omstandigheid dat eiser in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als procuratiehouder staat geregistreerd, dat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel vanaf 1 september 2002 tot 2008 niemand als statutair directeur stond ingeschreven, als ook de omstandigheid dat de vennootschap aan zowel de voormalige statutair directeur als aan de vanaf 2008 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven statutair directeur geen beloning voor de functie van statutair directeur heeft toegekend, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat eiser de looninkomsten van de vennootschap in zijn hoedanigheid van bestuurder heeft ontvangen.

4.9. Nu de looninkomsten van eiser niet onder artikel 16, eerste lid van het Verdrag kunnen worden begrepen, is de vraag aan de orde of het heffingsrecht aan Nederland dan wel aan het Verenigd Koninkrijk toekomt ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Verdrag. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Verdrag mogen, voor zover hier van belang, salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen, verkregen door een inwoner van het Verenigd Koninkrijk ter zake van een in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking, door Nederland worden belast. Gelet op de gedingstukken acht de rechtbank aannemelijk dat eiser in de onderhavige jaren zijn dienstbetrekking voor de vennootschap in Nederland heeft uitgeoefend. Uit de door verweerder ingebrachte brieven van de Engelse gemachtigde van eiser van 1 juni 2010 en 20 juli 2010, welke zijn gericht aan de Engelse fiscus, valt immers op te maken dat eiser gedurende de onderhavige jaren zijn werkzaamheden voor de vennootschap geheel (5 april 1998 tot 5 april 2003) dan wel voornamelijk (vanaf

5 april 2003 tot 5 april 2008) in Nederland heeft verricht. Nu eiser geen beroep heeft gedaan op de in artikel 15, tweede lid, van het Verdrag neergelegde uitzondering, waarbij de belastingheffing over beloningen niet aan de werkstaat is toegewezen maar aan de woonstaat van de werknemer, komt het heffingsrecht ten aanzien van eisers looninkomsten uitsluitend toe aan Nederland. Het vorenstaande brengt mee dat de zogenoemde remittance-basebepaling van artikel 27, eerste lid, van het Verdrag, waarin de situaties zijn geregeld waarbij Nederland geheel of gedeeltelijk vermindering van belasting moet verlenen, niet meer aan de orde kan komen.

Hoogte aanslagen

4.10. De rechtbank leidt uit de door verweerder ingebrachte resultatenrekening van de vennootschap en de schermprints van de in de aangifte vennootschapsbelasting opgenomen personeelskosten af dat de belastbare inkomens uit werk en woning over de jaren 2004 en 2005 te hoog zijn vastgesteld. De aanslagen over die jaren dienen te worden verminderd tot op respectievelijk € 97.080 (2004) en € 129.693 (2005). Van de door eiser gestelde lagere belastbare inkomens uit werk en woning over die jaren is niet gebleken.

Vergrijpboete

4.11. Ingevolge artikel 67e, eerste lid, van de Awr kan aan een belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd indien het, met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.

4.12. De juridische kwalificatie van de aan een boete ten grondslag gelegde feitelijke gedraging mag in de loop van de bezwaar- en beroepsfase worden gewijzigd, mits daardoor de toegang tot de rechter op geen enkele wijze wordt belemmerd en gewaarborgd is dat de belanghebbende in de voorbereiding van zijn verdediging niet zodanig wordt geschaad dat in dat opzicht niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak (vgl. Hoge Raad 4 april 2001, nr. 35 917, LJN: AB0851, BNB 2001/272). In het onderhavige geval heeft verweerder, nadat hij bij brief van 28 november 2006 heeft meegedeeld dat aan de feitelijke gedraging van eiser alleen de juridische kwalificatie van grove schuld was verbonden, ter zitting nader aangevoerd dat primair sprake was van opzet. Naar het oordeel van de rechtbank is deze stellingname van verweerder dusdanig laat dat eiser hierdoor in diens verdediging is geschaad. De rechtbank ziet ook overigens uit oogpunt van een behoorlijke rechtspleging geen aanleiding om eiser alsnog in de gelegenheid te stellen om op de stellingname van verweerder te reageren. Aan de beoordeling van de vraag of aan eiser opzet kan worden verweten, komt de rechtbank dan ook niet toe.

4.13. De rechtbank is van oordeel dat eiser bij het doen van de aangifte over het jaar 2002 onachtzaam is geweest door de door hem van de vennootschap genoten looninkomsten niet aan te geven. Nu, zoals hiervoor onder 4.9. is overwogen, het ervoor moet worden gehouden dat eiser in 2002 zijn werkzaamheden voor de vennootschap in Nederland heeft verricht, had eiser redelijkerwijs twijfels moeten hebben of hij zijn looninkomsten van de vennootschap in Nederland had moeten aangeven. Het had dan ook op de weg van eiser gelegen om hierover duidelijkheid te krijgen. Dit geldt eens te meer, nu eiser ook in het Verenigd Koninkrijk geen aangifte heeft gedaan van zijn looninkomsten van de vennootschap. Door geen nadere informatie in te winnen, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan zijn grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De rechtbank acht daarom een boete van 25% van de nagevorderde belasting in beginsel passend en geboden. Eiser heeft voorts geen feiten en omstandigheden gesteld, die aanleiding geven tot matiging dan wel vernietiging van de vergrijpboete.

4.14. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de vergrijpboete in verband met de overschrijding van de redelijke termijn te matigen. Nu de vergrijpboete is aangekondigd in een brief van verweerder van 28 november 2006 en voorts van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 2 jaar. De rechtbank ziet hierin aanleiding de vergrijpboete te matigen met 20%.

4.15. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vergrijpboete dient te worden verminderd met een bedrag van (afgerond) € 1.921 (20% x € 9.607), zodat de boete dient te worden gesteld op € 7.686.

Slotsom

4.16. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2004 en 2005 en de vergrijpboete, gegrond. Voorts dienen de bij de deze aanslagen in rekening gebrachte heffingsrenten te worden verminderd tot bedragen rekening houdend met de nader vastgestelde bedragen aan verschuldigde belasting. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

V PROCESKOSTEN

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken, waarbij de rechtbank de onderhavige zaken aanmerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 437 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 437, wegingsfactor 1 en een factor 1 voor samenhang).

VI BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gericht tegen de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en de heffingsrentebeschikkingen over de jaren 2004 en 2005 gegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen de vergrijpboete gegrond;

- verklaart de overige beroepen ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en de heffingsrentebeschikkingen over de jaren 2004 en 2005 en de vergrijpboete;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2004 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 97.080;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2005 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 129.693;

- wijzigt de beschikkingen heffingsrente over de jaren 2004 en 2005 aldus dat de beschikkingen worden verminderd tot bedragen berekend naar de nader vastgestelde bedragen van de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2004 en 2005;

- vermindert de vergrijpboete tot € 7.686;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder de kosten van het beroep tot een bedrag van € 437 aan eiser te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiser in de zaken AWB 09/7935 IB/PVV, AWB 09/7939 IB/PVV en AWB 09/7942 IB/PVV betaalde griffierecht van in totaal € 123 aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.K.A. Efstratiades, mr. I. Obbink-Reijngoud en

mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier mr. U.A. Salomons.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.