Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2186

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
AWB 10/3283 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Monumentenvergunning verleend voor inpandige verbouwing Rijksmonument, mede op basis van advies RCE. Monument is feitelijk van binnen "kaalgeslagen". Op grond daarvan vergunning aanvaardbaar geoordeeld. De kaalslag heeft illegaal plaatsgevonden en kan daarom niet als uitgangspunt gelden. Besluit vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, enkelvoudige kamer

Reg. nr.: AWB 10/3283 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft, verweerder.

Derde partij: Queenstaete II BV, vergunninghoudster.

I PROCESVERLOOP

Bij brief van 10 mei 2010 heeft eiser een beroepschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 26 mei 2010 heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 7 juli 2010 heeft eiser nadere gronden aangevoerd tegen het besluit van 26 mei 2010.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Queenstate II BV (verder: Queenstate) heeft laten weten geen gebruik te maken van de gelegenheid als derde aan het geding deel te nemen.

Het beroep is op 8 april 2011 ter zitting behandeld. Eiser is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J. Hiemstra. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M. van den Berg.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere gegevens over de wijzigingen aan het pand Markt 39/39a die in het verleden zijn aangebracht bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (verder: RCE) op te vragen en te overleggen.

Bij brief van 19 april 2011 heeft verweerder, onder verwijzing naar de meegezonden reactie van de RCE van 13 april 2011, aangegeven dat de RCE niet over (bouw)tekeningen van het pand Markt 39/39a te Delft beschikt.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

II OVERWEGINGEN

Relevante feiten en omstandigheden

Het pand Markt 39/39a te Delft (verder: het pand) is in 1967 aangewezen als Rijksmonument.

Eiser is tot 1997 eigenaar geweest van het pand en exploiteerde in de jaren negentig van de twintigste eeuw daarin een hotel. Op de begane grond exploiteert hij een souvenirwinkel.

In 1992 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning om het hotel inpandig te verbouwen. Deze verbouwing was nodig om het hotel te laten voldoen aan de brandveiligheidseisen.

In 1993 heeft eiser de exploitatie van het hotel gestaakt. Hij heeft de bovenverdiepingen van het pand vervolgens geëxploiteerd als studentenhuisvesting.

In 1997 heeft eiser de exploitatie van de bovenverdiepingen van het pand gestaakt en het verkocht aan Queenstate.

Sindsdien huurt eiser de begane grond van het pand waarin hij zijn winkel exploiteert.

Naar aanleiding van een door eiser gedaan verzoek om handhaving heeft verweerder geconstateerd dat Queenstate het pand liet verbouwen. Daarvoor was bouwvergunning noch vergunning krachtens de Monumentenwet verleend.

Op 23 september 2005 heeft Queenstaete bij verweerder een aanvraag wijzigings-vergunning monumenten als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 ingediend voor de verbouw van het pand aan de Markt 39 te Delft. De werkzaamheden bestaan uit het maken van twee doorgangen op de eerste verdieping van Markt 39 naar het belendende pand Markt 37 en het maken van een nieuwe kamerindeling door middel van niet-dragende scheidingswanden.

Verweerder heeft het besluit op de aanvraag voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. van de Awb. In het kader van de voorbereidingsprocedure heeft eiser een zienswijze ingebracht.

Op 13 december 2005 heeft de (toenmalige) Rijksdienst voor de Monumentenzorg, thans de RCE, advies uitgebracht over de vergunningaanvraag. In dit advies is overwogen dat het interieur van het pand behoorlijk is kaalgeslagen. De RCE gaat akkoord met met de nieuwe indeling van het pand (zoals voorzien in de aanvraag) "gelet op het feit dat er geen historische indeling meer aanwezig is". Authentieke onderdelen vormen volgens dit advies (nog) de trap, de tegeltjes bij de trapopgang van de begane grond naar de eerste verdieping, de balklagen en de kapconstructie.

Bij besluit van 29 maart 2006 heeft verweerder aan Queenstate de gevraagde wijzigingsvergunning verleend onder de in het besluit genoemde voorwaarden.

Bij uitspraak van 26 november 2007 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 29 maart 2006 door eiser ingestelde beroep (procedurenummer AWB 06/4119 BESLU) gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Verweerder is daarbij opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft verweerder de gevraagde wijzigingsvergunning opnieuw verleend onder de in het besluit genoemde voorwaarden.

Het tegen dat besluit door eiser ingestelde beroep (procedurenummer AWB 08/7193 BESLU) heeft de rechtbank bij uitspraak van 25 november 2009 gegrond verklaard en het bestreden besluit van 19 augustus 2008 vernietigd. Verweerder is daarbij opnieuw opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

De rechtbank heeft in deze uitspraak voor zover relevant het navolgende overwogen.

De reeds uitgevoerde werkzaamheden

In de uitspraak van 26 november 2007 is door de rechtbank overwogen dat het onduidelijk was welke in het verleden aangebrachte wijzigingen door de verleende vergunning werden gedekt. In het besluit was naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom bij de vergunningverlening van de bestaande situatie is uitgegaan.

De rechtbank stelt vast dat een dergelijke motivering in het hier bestreden besluit van

19 augustus 2008 nog steeds ontbreekt. Ter zitting van 23 september 2009 heeft verweerder aangegeven dat hij reeds onderzoek heeft uitgevoerd naar welke wijzigingen in het pand in het verleden zijn doorgevoerd, maar stelt hiervan niets te hebben kunnen terugvinden in de gemeentearchieven. Van dit onderzoek blijkt uit het dossier echter niets. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit van 19 augustus 2008 thans nog steeds niet afdoende heeft gemotiveerd waarom zij uitgaat van de bestaande situatie van het pand die wordt getypeerd als 'behoorlijk kaalgeslagen', terwijl dit wel de reden vormt om de gevraagde wijzigingsvergunning te verlenen.

Verweerder heeft ter zitting van 23 september 2009 aangegeven dat hij in het geval dat hij alsnog onderzoek zou moeten verrichten een handreiking zou wensen aangaande het tijdstip vanaf wanneer door hem onderzoek zou moeten worden verricht. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het moment daarvoor bepalend is waarop het pand aan de Markt 39 onder de Monumentenwet vergunningsplichtig is, met als uiterste datum de inwerkingtreding van de Monumentenwet. Daarbij past de relativering dat bij een dergelijk onderzoek in onderhavig geval niet meer van verweerder kan worden verwacht dan wat redelijkerwijs mogelijk is en wat daarnaast aansluit bij de bezwaren van eiser tegen de verlening van de vergunning. In dat verband wijst de rechtbank erop dat het in onderhavige zaak gaat om de monumentale waarde van het pand en niet om de bezwaren van eiser die zien op geluidsoverlast en de veiligheidsaspecten van de verbouwing, zoals hij deze ter zitting naar voren heeft gebracht."

Bij brief van 27 november 2009 heeft eiser verweerder verzocht uitvoering te geven aan de laatst genoemde uitspraak van de rechtbank van 25 november 2009, met in acht neming van een redelijke termijn, welke wettelijk is gesteld op maximaal acht weken.

Omdat nog geen besluit ter zake van verweerder was ontvangen heeft eiser verweerder bij brief van 26 april 2010 wederom verzocht uitvoering te geven aan voormelde uitspraak en wel binnen acht dagen, bij gebreke waarvan eiser uitgaat van een weigering om te beslissen.

Daarop heeft eiser beroep ingesteld en heeft verweerder vervolgens het thans bestreden besluit genomen.

Bestreden besluit

Verweerder heeft de verlening van de vergunning opnieuw gehandhaafd. Daartoe heeft hij in essentie overwogen dat uit het door de rechtbank opgedragen nader onderzoek is gebleken dat eiser zelf in 1992, toen hij eigenaar was van het pand en daarin zijn hotel exploiteerde, een aanvraag heeft ingediend voor een bouwvergunning ten behoeve van een ingrijpende verbouwing van het pand. Deze aanvraag is voortgevloeid uit een controle waarbij bleek dat het hotel niet voldeed aan de brandveiligheidseisen. Op de aanvraag is een gemeentelijk stempel geplaatst dat de verbouwing niet vergunningplichtig was. Dit is aan eiser telefonisch meegedeeld. Volgens verweerder heeft bij deze verbouwing de in het advies van de RCE geconstateerde "kaalslag" van het pand plaatsgevonden. De thans vergunde werkzaamheden zijn volgens verweerder een "reversie" van de door eiser in 1992 uitgevoerde verbouwing.

Beroepsgronden

Eiser heeft aangevoerd dat op de aanvraag uit 1992 kennelijk geen besluit is genomen. De verbouwing heeft hij om financiële redenen nooit uitgevoerd, reden waarom hij vervolgens de exploitatie van het hotel heeft gestaakt. De geconstateerde kaalslag is door Queenstate uitgevoerd in 2001 en 2005. Eiser handhaaft zijn al in de eerdere beroepen ingenomen standpunt dat verweerder de kaalslag niet bij de beoordeling van de aanvraag had mogen betrekken omdat deze nooit is vergund. Het RCE-advies acht hij daarom eveneens ondeugdelijk.

Processuele overwegingen

Ingevolge artikel 6:20 Awb is het beroep van 10 mei 2010 van rechtswege tevens gericht tegen het besluit van 26 mei 2010.

Het niet tijdig nemen van een besluit.

Aangezien verweerder alsnog een beslissing op bezwaar heeft genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 25 november 2009 en omdat gesteld noch gebleken is dat eiser thans nog enig processueel belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, is de rechtbank van oordeel dat dit beroep van eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het verzoek van eiser tot oplegging van een dwangsom (als bedoeld in artikel 8:72, zevende lid, Awb) behoeft geen bespreking meer nu er beslist is.

Eiser heeft expliciet noch impliciet verzocht om toepassing van de artikelen 4:17 Awb en verder. Deze bepalingen zijn niet van openbare orde en worden daarom niet ambtshalve toegepast.

Wettelijk kader

Artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet bepaalt dat het verboden is een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is het verboden om zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument a. af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen en b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Beoordeling

De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder zo dat de vergunning kan worden verleend, aangezien door de geconstateerde kaalslag als bedoeld in het advies van de RCE de verdiepingen van het pand, waarop de vergunning ziet, inpandig geen monumentaal karakter meer hebben. De nu vergunde verbouwing doet daarom geen afbreuk (meer) aan het monumentale karakter. Het standpunt van eiser komt er in wezen op neer dat die kaalslag door Queenstate zelf is gepleegd, zonder enige vergunning. Daarom kan die kaalslag niet als argument dienen om nu vergunning te verlenen voor een nieuwe verbouwing, waarbij eiser bovendien bestrijdt dat daardoor geen verdere aantasting van de monumentale waarde ontstaat.

Het pand is in 1967 aangewezen als Rijksmonument, zodat vanaf dat tijdstip elke verbouwing vergunningplichtig was, zowel op grond van de Monumentenwet als op grond van de Woningwet. De uitgevoerde onderzoeken, inclusief het onderzoek bij de RCE, hebben geen enkele vergunning opgeleverd voor het wijzigen van het pand. Het stempel op de aanvraag van eiser uit 1992 kan ook niet als zodanig worden aangemerkt, omdat deze verbouwing evident niet vergunningvrij was, onder de Monumentenwet noch onder de Woningwet. Het plaatsen van een stempel en het telefonisch meedelen dat de verbouwing vergunningvrij is (er van uitgaande dat die mededeling heeft plaatsgehad, hetgeen de rechtbank feitelijk in het midden laat) valt ook niet aan te merken als het op rechtsgeldige wijze nemen en bekendmaken van een besluit. Voor zover het rechtsoordeel dat een verbouwing vergunningvrij is al een besluit is, is daarvan dus in dit geval geen sprake. Bovendien kan bedoeld oordeel alleen op de vergunningplicht op grond van de Woningwet betrekking hebben gehad en niet op grond van de Monumentenwet, die immers geen vergunningvrije wijzigingen aan een monument kent, zodat de verbouwing in elk geval op grond van deze laatste wet daarmee niet kan zijn gelegaliseerd. Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat de kaalslag van het interieur van het pand illegaal heeft plaatsgevonden. Daaraan verbindt de rechtbank de conclusie dat verweerder en de RCE de aanvraag ten onrechte hebben beoordeeld met aanvaarding van de kaalslag als een gegeven. Integendeel hadden verweerder en de RCE de gevolgen van de aangevraagde verbouwing moeten beoordelen naar de gevolgen die deze zou hebben voor het pand, uitgaande van de toestand waarin het bij de aanwijzing als Rijksmonument in 1967 verkeerde. Het gegeven dat de aanvraag niet voorziet in een verbouwing van het gehele pand, naar verweerder feitelijk terecht aanvoert, is in dit licht niet relevant. Ook een beperkte verbouwing dient te worden beoordeeld naar de gevolgen voor de in de aanwijzing neergelegde monumentale waarden in de toestand van 1967.

Eiser heeft dus terecht aangevoerd dat verweerder een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd bij het beoordelen van de vergunningaanvraag en dat voor het advies van RCE hetzelfde geldt. Door wie en wanneer de illegale kaalslag is uitgevoerd doet daarbij niet ter zake. Weliswaar noemt verweerder de vergunde verbouwing een terugdraaien van de vorige, maar gesteld noch gebleken is dat hierbij de monumentale waarden die het pand in 1967 had in ere worden hersteld.

Het bestreden besluit berust dus niet op een deugdelijk onderzoek en evenmin op een draagkrachtige motivering.

Beslechting van het geschil

Verweerder zal opnieuw advies dienen in te winnen bij de RCE en vervolgens de aanvraag opnieuw dienen te beoordelen. Tevens zal verweerder zich dienen te beraden over de consequenties van de constatering dat de kaalslag illegaal heeft plaatsgevonden. Verweerder zal uitgaande van de in het omgevingsrecht geldende beginselplicht tot handhaving moeten beslissen of tot handhaving wordt overgegaan naar aanleiding van de illegale kaalslag dan wel of deze kan worden gelegaliseerd en vervolgens de aanvraag opnieuw beoordelen in het licht van de gemaakte keuze. Dit leent zich niet voor toepassing van een bestuurlijke lus. Evenmin kan de rechtbank thans zelf in de zaak voorzien. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van drie maanden. Indien verweerder daaraan niet voldoet staan eiser de hem bekende rechtsmiddelen ten dienste. De rechtbank ziet thans geen aanleiding tot oplegging van een dwangsom op grond van artikel 8:72, zevende lid, Awb.

Slotsom

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, Awb.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten verband houdende met het door hem ingediende beroep tegen het uitblijven van een besluit. Aangezien het beroep zich in zoverre beperkt tot het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag, is het gewicht van de zaak bepaald op 0,25 (zeer licht) en wordt voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 2 punten toegekend. Dat betekent dat de proceskosten worden begroot op een bedrag van € 218,50 (0,25 x € 437,00 x 2).

Tevens wijst de rechtbank er op dat ook het in deze zaak betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 op de voet van artikel 8:41, vierde lid, van de Awb door verweerder aan eiser moet worden vergoed.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten verband houdende met beroep tegen het besluit van 26 mei 2010. Het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) worden 2 punten toegekend. Dat betekent dat de proceskosten worden begroot op een bedrag van

€ 874,--.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 26 mei 2010 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 mei 2010;

- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 150,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.092,50, welk bedrag aan eiser moet worden vergoed.

Aldus vastgesteld door mr. J.L. Verbeek , in tegenwoordigheid van de griffier G.J. Buitendijk .

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.