Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2003

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/2831
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn in 2008 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het door verweerder ingestelde categoriaal beschermingsbeleid ten aanzien van asielzoekers uit Irak.

Verweerder heeft op 29 december 2010 de verblijfsvergunning van eisers ingetrokken, nu de grond voor verlening is komen te vervallen. In navolging van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot intrekking van de verblijfsvergunning is kunnen overgaan. Verweerder heeft evenmin tot vergunningverlening hoeven overgaan op een van de andere gronden van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Bij dit standpunt heeft verweerder kunnen betrekken dat eisers toerekenbaar geen documenten hebben overgelegd ter staving van hun reisroute en een asielrelaas. Bovendien gaat van hun asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uit nu dit ongerijmdheden en tegenstrijdigheden bevat. In de huidige situatie heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om tot vergunningverlening over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE, zittinghoudend te MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 11/2831

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser], eiser,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Datum bestreden besluit: 29 december 2010

Kenmerk: [IND nummer]

V-nummer: [V-nummer]

1. Procesverloop

Eiser heeft tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben naar de rechtbank gezonden en op 30 mei 2011 een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak van de echtgenote van eiser

(AWB 11/2592) plaatsgehad op 7 juni 2011. Eiser is in persoon verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde, B.E.H. Seegers, advocaat te Maastricht. Tevens was aanwezig

T. Sharaf, als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Hamzaoui, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elke zaak separaat uitspraak gedaan.

2. Overwegingen

Eiser heeft op 13 augustus 2007 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Hij heeft aan zijn aanvraag het volgende asielrelaas ten grondslag gelegd. Hij is afkomstig uit Bagdad, Irak, en hij behoort tot de Soennitische bevolkingsgroep. Op 10 juni 2007 ontving eiser een telefonische bedreiging die hij in eerste instantie niet serieus nam. Op 13 juni 2007 zag eiser op de voordeur van zijn huis een getekend kruis met de tekst “Vertrek jullie Al Nawaasib”. Eiser geeft aan dat de militaire milities deze term gebruiken bij het benaderen van Soennieten. Na dit incident is eiser uit zijn woning vertrokken. Twee dagen later, op

15 juni 2007, hebben gewapende mannen een inval gepleegd in de woning. Zij hebben het huis vernield, eisers moeder en vrouw mishandeld en eisers broer meegenomen. Eiser werd vervolgens gebeld door een van de mannen die zich voordeed als zijn broer. Eiser geloofde deze man niet. Vervolgens is eiser opnieuw gebeld en werd hem medegedeeld dat hij naar huis moest terugkeren om zijn broer op te halen. Eiser heeft dit geweigerd omdat hij vermoedde dat het een valstrik betrof. Na deze weigering is eiser nog een aantal keren gebeld en daarbij met de dood bedreigd. Dit vormde voor eiser de aanleiding om zijn land van herkomst te verlaten.

Zijn aanvraag is bij beschikking van 11 januari 2008 op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 ingewilligd, met ingang van 13 augustus 2007 tot

13 augustus 2012. Bij het thans bestreden besluit is de vergunning ingetrokken.

Verweerder heeft in het bestreden besluit - waarin de overwegingen uit het voornemen zijn overgenomen en ingelast - de voormelde verblijfsvergunning asiel van eiser ingetrokken, onder verwijzing naar de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak met ingang van 22 november 2008 bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2008/28. De grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, is hiermee komen te vervallen. Volgens verweerder bestonden op het moment waarop voornoemde verblijfsvergunning werd verleend, geen andere gronden als genoemd in artikel 29 van de Vw 2000 om aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Daarbij neemt verweerder in aanmerking dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute, nu hij zijn paspoort en vliegticket heeft afgegeven aan de reisagent in Turkije. Hij heeft evenmin gedetailleerd, coherent en verifieerbaar verklaard omtrent zijn reisroute. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert en daarom ongeloofwaardig is. Ook in de huidige situatie, ten tijde van het bestreden besluit, komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

Eiser kan zich hier niet mee verenigen en heeft in beroep hiertoe - onder verwijzing naar de zienswijze - het volgende aangevoerd. Anders dan verweerder stelt eiser zich op het standpunt dat het ontbreken van reisdocumenten hem niet mag worden aangerekend, aangezien hij deze documenten onder dwang diende af te staan aan de reisagent. Wanneer hij zulks immers zou hebben nagelaten, zou hij niet verder worden geholpen door de reisagent. Van eiser mocht niet verlangd worden dat hij bescherming zou zoeken bij de Turkse autoriteiten, gelet op de slechte mensenrechtensituatie aldaar. Bescherming zoeken bij de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) had eiser evenmin kunnen baten, nu deze organisatie zich met name bezig houdt met het heenzenden van vreemdelingen. Eiser betwist gemotiveerd verweerders stelling dat zijn asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert en ongeloofwaardig is. Eiser heeft voorts een vertaald stuk overgelegd van een ziekenhuis in Irak, waaruit - naar zijn zeggen - blijkt dat zijn moeder is mishandeld en welke lichamelijke gevolgen dit heeft gehad. Eiser heeft van zijn moeder vernomen dat de daders tot dezelfde groepering behoorden als degenen door wie hij in het verleden in de problemen is gekomen. Anders dan verweerder meent eiser dan ook dat een beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, dan wel d, van de Vw 2000, kan slagen. In dit kader verwijst eiser naar de Note on the Continued Applicability of the April 2009 UNHCR Eligibility Guidelines van juli 2010, de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht van 7 oktober 2010 (AWB 09/30572), een internetartikel van de UNHCR “UNHCHR concerned at continuing deportations of Iraqis from Europe” van

3 september 2010, de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van

23 december 2010 (AWB 10/700 en AWB 10/702) en een brief van Landelijk Bureau Vluchtelingenwerk Nederland van 9 november 2010.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000, is komen te vervallen.

In geschil is eerstens de vraag of verweerder in redelijkheid het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak heeft kunnen beëindigen. Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank het navolgende.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het instellen dan wel beëindigen van een beleid van categoriale bescherming een ruime beoordelingsruimte toekomt, waarbij de indicatoren voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid zijn neergelegd in artikel 3.106 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Het beëindigen van een dergelijk beleid dient terughoudend te worden getoetst door de rechtbank.

Bij brief van 12 september 2008 heeft verweerder de Tweede Kamer der Staten-Generaal geïnformeerd over de beleidsontwikkeling op het gebied van het landgebonden asielbeleid inzake Irak. Verweerder wijst in deze brief op de omstandigheid dat de Minister van Buitenlandse Zaken op 26 juni 2008 een nieuw algemeen ambtsbericht Irak heeft uitgebracht. In dit algemeen ambtsbericht wordt de huidige situatie in Irak beschreven. Zowel op grond van dit ambtsbericht, waaruit volgt dat de veiligheidssituatie in Irak aan het verbeteren is, als op grond van het beleid van Nederland omringende landen, heeft verweerder het besluit genomen om het op 2 april 2007 ingestelde beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, te beëindigen. De rechtbank wijst op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waaruit volgt dat verweerder het beleid van de omringende landen kan betrekken bij zijn besluit om het beleid van categoriale bescherming te beëindigen. De Tweede Kamer heeft voorts op 9 oktober 2008 ingestemd met de voorgestelde beleidswijziging. Bij WBV van 20 november 2008, nummer 2008/28 is het beleid gewijzigd. Het beleid is op

22 november 2008 in werking getreden.

Gelet op het voorgaande zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen redenen of aanknopingspunten op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid voor Centraal-Irak. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat verweerders besluit tot beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid geen stand zou kunnen houden.

De rechtbank ziet zich in haar oordeel gesteund door de Afdelingsuitspraken van 27 juli 2009 (200902294/1/V2, www.raadvanstate.nl), 8 februari 2010 (200909630/1/V2, www.raadvanstate.nl) en 2 september 2010 (LJN BN7231), waarin de beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak door de Afdeling is geaccordeerd.

Voorts overweegt de rechtbank dat op grond van de wetshistorie en de in dat kader door verweerder gedane toezeggingen ervan moet worden uitgegaan dat een besluit, waarbij de vreemdeling een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is verleend, niet in rechte onaantastbaar wordt voor zover daarin het oordeel besloten ligt dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning uit hoofde van de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, e, of f, van de Vw 2000. Gelet hierop heeft de vreemdeling hangende de geldigheidsduur van de hem verleende vergunning geen belang bij het instellen van beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit. Zulk belang kan ontstaan indien op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 tot intrekking, zoals in het onderhavige geval, dan wel niet-verlenging van die vergunning wordt besloten. Alsdan zal de ter zake bevoegde rechtbank treden in een oordeel over de grond waarop de verblijfsvergunning is verleend en de gronden waarop die niet is verleend.

Gelet op de beroepsgronden en gelet op het voorgaande is voorts in geschil de vraag of ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, alsmede op het moment van intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b dan wel d, van de Vw 2000 aan eiser een verblijfsvergunning moest worden verleend. Ter beantwoording van deze vraag overweegt de rechtbank het navolgende.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij

uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;

(…)

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover verweerder aannemelijk te maken.

Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Het beleid met betrekking tot het toerekenbaar ontbreken van documenten is neergelegd in onderdeel C4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Volgens dit beleid moet het toerekenbaar ontbreken van documenten in de context van het totale feitencomplex worden beschouwd. Daarbij tast het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan. In dit beleid is verder onder meer bepaald dat de vaststelling dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas voldoende is om artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegen te werpen.

Voorts vermeldt onderdeel C4/3.6.3. van de Vc 2000 dat het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de desbetreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De asielzoeker vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de asielzoeker bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen. Wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen, aldus het beleid.

Als bijzonder aandachtspunt bij het ontbreken van documenten ter onderbouwing van de reis geldt volgens onderdeel C4/3.6.3 van de Vc 2000 dat het in beginsel niet geloofwaardig is dat een asielzoeker geen enkel (indicatief) bewijs van de reis kan overleggen. Zowel bij een reis over land als een reis per vliegtuig is het onaannemelijk dat een asielzoeker niets aan indicatief bewijs in zijn bezit heeft, aldus het beleid. In het geval dat een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, geeft hij volgens het beleid blijk van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van het paspoort en het vliegticket niet aan hem kan worden toegerekend. Verweerder heeft allereerst bij dit standpunt kunnen betrekken dat eiser op eigen gelegenheid vanaf Irak naar Turkije is gereisd en in Turkije eerst de reisagent heeft ontmoet. Het had dan ook op de weg van eiser gelegen om voornoemde documenten niet af te staan aan de reisagent maar bescherming te zoeken bij de Turkse autoriteiten dan wel bij de UNHCR. In de enkele - niet nader onderbouwde - stelling van eiser dat de UNHCR zich slechts bezig houdt met het heenzenden van vreemdelingen, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien zijn standpunt te wijzigen.

Van dwang om documenten af te staan is in dit verband evenmin gebleken. Of eiser gedetailleerde, consistente en verifieerbare verklaringen over zijn reisroute heeft afgelegd is dan voor de beoordeling door de rechtbank niet meer relevant. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2008 (LJN BC9690). De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit verband betekenis heeft kunnen hechten aan de omstandigheid dat nu eiser om bescherming verzoekt bij de Nederlandse autoriteiten, verondersteld mag worden dat eiser voldoende vertrouwen stelt in deze autoriteiten om alle relevante feiten en omstandigheden aan te voeren die hebben geleid tot zijn vertrek uit het land van herkomst en die van belang zijn bij de beoordeling van zijn aanvraag, zoals het overleggen van zijn paspoort en vliegticket.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, aan eiser kunnen tegenwerpen.

Als zich de omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van de vreemdeling om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling slechts terughoudend door de rechter worden getoetst. Dat geldt eveneens voor de beoordeling van het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan vorenbedoelde feiten ontleende vermoedens, met uitzondering van de vermoedens die zien op de terugkeer naar het land van herkomst.

Uitgaande van het hiervoor weergegeven toetsingskader en onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 11 december 2009 (LJN BK8672) en 4 april 2011

(LJN BQ0750), waarin de Afdeling heeft overwogen dat indien, als gevolg van het toerekenbaar ontbreken van documenten, van het relaas een positieve overtuigingskracht moet uitgaan, reeds een enkele ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot de slotsom kan leiden dat van positieve overtuigingskracht geen sprake is, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert en als ongeloofwaardig dient te worden aangemerkt.

Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiser vaag en summier heeft verklaard over de gebeurtenissen die voor hem aanleiding vormden zijn land van herkomst te verlaten. Zo heeft eiser niet kunnen aangegeven wie verantwoordelijk was voor de telefonische bedreiging en voor het binnenvallen van de woning. Eiser vermoedde dat het de mannen van Al Sadr waren maar kan dit niet bewijzen. Eiser heeft voorts verklaard dat deze mannen op zoek waren naar de mannen in huis. Hieruit heeft verweerder kunnen afleiden dat deze mannen niet specifiek op zoek waren naar eiser. De broer van eiser is vervolgens meegenomen omdat hij de enige man in huis was. De mannen hebben gedreigd eisers familie te vermoorden als zij niet direct de woning zouden verlaten. De familie van eiser heeft daarop de woning verlaten en is verhuisd naar een andere wijk. Gesteld noch gebleken is dat eisers familie sindsdien nog problemen heeft ondervonden. In de door eiser overgelegde vertaalde verklaring van het ziekenhuis in Irak heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien zijn standpunt te wijzigen, nu deze brief geen bijdrage kan leveren aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Uit deze brief blijkt weliswaar dat eisers moeder is mishandeld maar niet dat zij is mishandeld vanwege de problemen van eiser. Gelet hierop heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na zijn vertrek uit de woning nog meerdere keren met de dood is bedreigd.

Voorts heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser en zijn echtgenote tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Zo heeft eiser verklaard dat voor de inval op de deur een kruis is geplaatst met de tekst “Vertrek jullie Al Nawaasib”, zijn echtgenote tijdens de inval is mishandeld en dat de invallers hun zoon met de dood hebben bedreigd. Zijn echtgenote heeft verklaard dat er slechts een kruis op de deur was gezet en geen spreuk, zij tijdens de inval slechts is geduwd en jegens hun zoon geen bedreigingen zijn geuit.

Voor zover verweerder - onder verwijzing naar de website http: travel.airwise.com/schedules - stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 20 juni 2007 via een rechtstreekse vlucht met vliegmaatschappij Al Nil vanuit Bagdad naar Istanbul is gereisd, volgt de rechtbank eiser in zijn redenering dat uit voornoemde website niet kan worden afgeleid dat - anders dan verweerder stelt - op voornoemde datum slechts twee niet-rechtstreekse vluchten vanuit Bagdad naar Istanbul van de vliegmaatschappijen Iraqi Airlines en Turkey Airlines,

hebben plaatsgevonden. Gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader, kan het vorenstaande geen afbreuk doen aan het door verweerder ingenomen standpunt dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is.

In het licht van het vorenstaande heeft verweerder zich - gelet op eisers ongeloofwaardig bevonden asielrelaas - terecht op het standpunt gesteld dat eisers beroep op artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet kan slagen nu hij hiertoe geen persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt.

Met betrekking tot artikel 15, onder c (15c), van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van

29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn), overweegt de rechtbank als volgt.

Onder verwijzing naar het ambtsbericht inzake Irak van 27 oktober 2010 alsmede de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 17 februari 2009 inzake Elgafaji (JV 2009, 111), de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 17 juli 2008 inzake NA tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008, 329) en 20 januari 2009 inzake F.H. tegen Zweden (LJN BH3275), stelt verweerder zich op het standpunt dat in Bagdad, Irak, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15c van de Definitierichtlijn.

Ter zitting heeft verweerder tevens gewezen op de Afdelingsuitspraken van 4 februari 2011 (LJN BP4320) en 29 maart 2011 (LJN BQ0747).

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit de provincie Bagdad in Irak.

Over artikel 15c van de Definitierichtlijn heeft het Hof in zijn uitspraak van 17 februari 2009 inzake Elgafaji overwogen dat voor een geslaagd beroep op artikel 15c van de Definitierichtlijn de geloofwaardigheid van het relaas omtrent de persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker gestaafd moet kunnen worden. Dit is slechts anders indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van de zeer uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15c van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 mei 2009 inzake Elgafaji (LJN BI 4791) deze overwegingen van het Hof herhaald en daarbij overwogen dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling - gezien de daaraan door het EHRM in het arrest NA tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 juli 2008 gegeven uitleg - ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15c, van de Definitierichtlijn.

Uit de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2010 (LJN BM5534) en 29 juli 2010

(201001747/1/V2, www.raadvanstate.nl), volgt dat een beroep op artikel 15c, van de Definitierichtlijn enkel tot verblijfsaanvaarding kan leiden in de zeer uitzonderlijke situatie waarin het geweld dermate hoog is dat persoonlijke feiten en omstandigheden bij de beoordeling geen rol meer spelen en derhalve elke burger die terugkeert naar zijn land van herkomst louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon.

Nu in rechte is komen vast te staan dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is, kan zijn beroep op artikel 15c, van de Definitierichtlijn, gelet op het voorgaande, enkel tot verblijfsaanvaarding leiden indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van eerder bedoelde uitzonderlijke situatie waarin hij bij terugkeer naar het land of, naar het gebied van herkomst louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico zou lopen op de in artikel 15c van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige bedreiging.

De rechtbank volgt verweerder in zijn verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 4 februari 2011. In deze uitspraak heeft de Afdeling onder meer - onder verwijzing naar het ambtsbericht van oktober 2010 - het navolgende overwogen.

2.6.5. (...) De veiligheidssituatie was in deze verslagperiode in bepaalde delen van Irak en op bepaalde momenten nog altijd zeer ernstig. Het geweldsniveau in Irak fluctueerde echter door de verslagperiode heen en varieerde sterk per gebied. Zo verslechterde de veiligheidssituatie in de weken na de verkiezingen van 7 maart 2010, maar was het geweldsniveau eind april weer ongeveer op het niveau van vóór 7 maart.”

In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat in Bagdad (nog steeds) geen sprake is van de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Bagdad louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15c van de Definitierichtlijn bedoelde ernstige schade.

Anders dan eiser is de rechtbank derhalve van oordeel dat in de provincie Bagdad, ten tijde hier in geding, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 15c, van de Definitierichtlijn. In de door eiser aangehaalde stukken ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder thans opnieuw een categoriaal beschermingsbeleid dient te voeren, overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor reeds overwogen komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe bij zijn uitsluitend door het nationale recht beheerste bevoegdheid tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid heeft kunnen komen respectievelijk niet in redelijkheid aan de afschaffing van dat beschermingsbeleid heeft kunnen vasthouden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich zowel voor wat betreft de beoordeling ten tijde van de verleende vergunning, als voor wat betreft de beoordeling van de huidige situatie, op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, onder a, b dan wel d, van de Vw 2000.

Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door E.V.L. Heuts, rechter, in tegenwoordigheid van D.S.A.W. Raes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2011.

w.g. D. Raes w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier:

verzonden: 11 juli 2011

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, van de Awb of aan artikel 85, eerste of tweede lid, van de Vw 2000.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 88 van de Vw 2000 juncto artikel 8:81 van de Awb de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.