Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1914

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
18-07-2011
Zaaknummer
398527 - KG ZA 11-827
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing strafrechtelijk beslag ex artikel 94 lid 1 Sv (waarheidsvinding) in kort geding. Eiser is ontvankelijk. Weliswaar bestaat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang (ex artikel 552a Sv), maar in dit geval is sprake van een (zeer) uitzonderlijke, spoedeisende, situatie die meebrengt dat een uitzondering moet worden gemaakt, in die zin dat eiser zijn vordering aan de burgerlijke rechter - als restrechter - kan voorleggen. Terughoudende toetsing, omdat het slechts een voorlopige voorziening betreft. Niet aannemelijk gemaakt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer nodig maakt. Primaire vordering tot opheffing van het beslag afgewezen. Subsidiaire vordering, strekkende tot teruggave onder zekerheidsstelling, ook afgewezen, omdat dat - ingevolge artikel 118a Sv - alleen mogelijk is ingeval van beslag ex artikel 94a Sv, waarvan hier (nog) geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 398527 / KG ZA 11-827

Vonnis in kort geding van 13 juli 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. T. Nieuwburg te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.B. Vreede te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als "[eiser]" en "de Staat".

1. Het procesverloop

[Eiser] heeft de Staat op 11 juli 2011 doen dagvaarden om op 13 juli 2011 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld. Op diezelfde dag is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 juli 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Vanaf 10 februari 2010 was [eiser] enig aandeelhouder en bestuurder van [Z.] B.V. te Amsterdam (hierna "[Z.]"). [Z.] houdt zich bezig met de verhuur en leasing van auto's.

2.2. [Z.] heeft op 2 mei 2011 van een Duits autobedrijf gekocht een tweedehands auto van het merk Audi, type [X.] (hierna "de auto) voor een bedrag van

€ 38.500,--. Het kenteken van de auto is gesteld op naam van [eiser].

2.3. [Eiser] is op 18 mei 2011 aangehouden door de politie op verdenking van overtreding van de Opiumwet. In het bijzonder wordt hij er - onder meer - van verdacht een auto van het merk Opel, type [Y.], te hebben bestuurd waarin zich 300 kilo hasj bevond. Na een inverzekeringstelling is [eiser] is op 20 mei 2011 weer heengezonden.

2.4. In het kader van voormelde verdenking is de auto op 18 mei 2011 in beslag genomen. Het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 12 juli 2011 vermeldt dienaangaande dat de inbeslagneming plaatsvond met het oog op de waarheidsvinding.

2.5. Op 10 juni 2011 heeft de advocaat van [eiser] aan de officier van Justitie verzocht om teruggave van de auto, al dan niet onder zekerheidsstelling. Diezelfde dag nog heeft de officier van justitie daarop - per faxbericht - als volgt gereageerd:

"In reactie op uw verzoek van heden inzake [eiser] deel ik u mee dat het OM niet voornemens is de Audi [X.] aan uw cliënt terug te geven. Gelet op hetgeen waarvan hij verdacht kan worden behoort een vordering tot ontneming en/of oplegging van een geldboete tot de reële mogelijkheden; daarbij komt dat het onderzoek thans nog loopt.

Dat uw cliënt thans niet jegens een afnemer kan presteren komt naar mijn beoordeling voor zijn risico.

Of een zekerheidstelling ter hoogte van de werkelijke waarde acceptabel is kan pas worden beoordeeld als het onderzoek is afgerond. Daarvan wordt u door mij in kennis gesteld, nadat ik van de recherche bericht daarover heb ontvangen."

2.6. Op 16 juni 2011 heeft [eiser] bij de rechtbank Haarlem een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ("Sv") ingediend, strekkende tot teruggave van de auto. Als datum voor de behandeling van het klaagschrift is bepaald 28 juli 2011. Een verzoek van [eiser] om behandeling van het klaagschrift vóór 14 juli 2011 is afgewezen, wegens verhindering van de officier van justitie.

2.7. Bij faxberichten van 28 juni 2011 en 5 juli 2011 heeft de advocaat van [eiser] nogmaals aan de officier van justitie verzocht om akkoord te gaan met teruggave van de auto onder zekerheidsstelling. Beide verzoeken zijn afgewezen.

2.8. Per 28 juni 2011 is [eiser] in het Handelsregister uitgeschreven als aandeelhouder en bestuurder van [Z.].

2.9. De officier van justitie heeft - op de voet van het bepaalde in artikel 103 Sv - bij de rechter-commissaris in strafzaken een vordering ingediend tot het verlenen van een machtiging tot het leggen van verhaalsbeslag ex artikel 94a Sv onder [eiser]. Daarop was ten tijde van de mondelinge behandeling van de onderhavige procedure nog niet beslist.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair:

- de Staat te bevelen het beslag op de auto op te heffen;

subsidiair:

- de Staat te bevelen [eiser] zekerheid te laten stellen voor de aankoopwaarde van de auto, zijnde € 38.500;

primair en subsidiair:

- de Staat te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2. Daartoe voert [eiser] - samengevat - het volgende aan.

De Staat handelt onrechtmatig door te weigeren de auto - al dan niet onder zekerheidsstelling - terug te geven aan [eiser]. Door die opstelling lijdt [eiser] onnodig zakelijk verlies. De auto is namelijk vanaf 14 juli 2011 voor de duur van twee maanden verhuurd aan een derde voor een totaalbedrag van € 12.000,--, waarvan al € 10.000,-- is aanbetaald. Als de auto niet wordt teruggegeven, kan [eiser] niet voldoen aan zijn verplichtingen als verhuurder. Bovendien heeft het onderzoek aan de auto al plaatsgevonden, zodat een deugdelijke grond voor handhaving van het beslag ontbreekt. Door het voortduren van het beslag worden de belangen van [eiser] onevenredig geschonden. Het persoonlijke belang van [eiser] bij teruggave van de auto dient in ieder geval te prevaleren boven het strafvorderlijke belang bij handhaving van het beslag.

3.3. De Staat heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de primaire vordering

4.1. De Staat heeft aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn primaire vordering, omdat voor opheffing van een strafrechtelijk beslag een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat - te weten de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv - zodat de gang naar de burgerlijke rechter is afgesloten.

4.2. De voorzieningenrechter kan de Staat daarin niet volgen. Op zichzelf is juist dat in beginsel de door de Staat voorgestane weg moet worden bewandeld. [eiser] erkent dat en heeft ook aldus gehandeld door op 16 juni 2011 een klaagschrift in te dienen. De behandeling daarvan vindt echter plaats op een zodanig moment (28 juli 2011) dat het door [eiser] gestelde nadeel dat hij ondervindt bij handhaving van het beslag niet meer kan worden afgewend. Daar komt bij dat een eerdere behandeling van het klaagschrift mogelijk was - te weten op 7 juli 2011 - maar dat de officier van justitie daaraan niet meewerkte. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat sprake is van een (zeer) uitzonderlijke, spoedeisende, situatie die meebrengt dat van voormeld beginsel kan worden afgeweken in die zin dat [eiser] zijn primaire vordering aan de burgerlijke rechter - in dit geval die in kort geding, als restrechter - kan voorleggen. Een andere mogelijkheid om het door hem beoogde doel - opheffing van het beslag vóór 14 juli 2011 - te bereiken staat hem immers niet ter beschikking. [eiser] is dan ook ontvankelijk in die vordering.

4.3. Vervolgens dient te worden beoordeeld of aanleiding bestaat voor opheffing van het op grond van artikel 94 lid 1 Sv en met het oog op de waarheidsvinding gelegde beslag op de auto. Mede gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen dient daarbij de nodige terughoudendheid te worden toegepast. Weliswaar is hier sprake van een uitzonderingssituatie waarin [eiser] gerechtigd is zijn vordering aan de civiele rechter voor te leggen, maar de beslissing in de onderhavige procedure blijft hoe dan ook een voorlopige voorziening. In het bestek van dit kort geding dient dan ook te worden getoetst of met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten valt dat de rechtbank Haarlem het verzoek van [eiser], zoals vervat in diens klaagschrift, zal honoreren.

4.4. Allereerst is van belang dat [eiser] op de zitting heeft erkend dat hij in de bewuste Opel [Y.], waarin de partij hasj zich bevond, heeft gereden. Verder valt op dat [eiser] zijn vordering tot opheffing van het beslag (feitelijk neerkomend op teruggave van de auto zonder zekerheidsstelling) slechts in geringe mate onderbouwt. Hij richt zijn pijlen veeleer op de - in zijn ogen - onredelijke opstelling van de officier van justitie door de auto niet onder zekerheidsstelling aan hem terug te geven, waarbij hij er - ten onrechte (zie r.o. 4.6) -van uitging dat sprake was van een beslag ex artikel 94a Sv. Gelet daarop en op het gemotiveerde verweer van de Staat kan - in het bestek van dit kort geding - niet worden aangenomen dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet langer nodig maakt. In het bijzonder is de voorzieningenrechter - met de Staat - van oordeel dat de gang van zaken met betrekking tot de gestelde (ver)huurovereenkomst betreffende de auto gedurende de periode van 14 juli 2011 tot 14 september 2011 de nodige vraagtekens oproept, die [eiser] niet in voldoende mate heeft kunnen wegnemen. Dat het strafrechtelijke onderzoek om de waarheid aan het licht te brengen reeds is afgerond, is in ieder geval niet aannemelijk geworden. Aan het beroep van [eiser] op de kennisgeving van inbeslagneming (productie 2 van de Staat) waarin - onder meer - staat vermeld dat de auto zo spoedig mogelijk moet worden teruggegeven, wordt voorbijgegaan. Enkel op grond daarvan kan niet worden aangenomen dat het onderzoek al geheel is voltooid.

4.5. De primaire vordering komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking. Daarbij wordt nog in het midden gelaten de - door de Staat opgeworpen vraag - of [eiser] nog wel belang heeft bij zijn vordering nu hij per 28 juni 2011 in het Handelsregister is uitgeschreven als aandeelhouder en bestuurder van [Z.], met alle mogelijke gevolgen van dien voor wat betreft de eigendom van de auto.

Ten aanzien van de subsidiaire vordering

4.6. Aan toewijzing van de subsidiaire vordering staat in de weg dat - ingevolge het bepaalde in artikel 118a Sv - teruggave onder zekerheidsstelling slechts mogelijk is in geval van een beslag ex artikel 94a Sv. Daarvan is hier geen sprake. Weliswaar is inmiddels een daarop gerichte vordering ingediend bij de rechter-commissaris in strafzaken, maar daarop is nog niet beslist. [eiser] heeft - op de zitting - nog betwist dat van aanvang af sprake is geweest van een beslag met het oog op de waarheidsvinding (art. 94 Sv). Volgens hem volgt uit het faxbericht van de officier van justitie van 10 juni 2011 (zie r.o. 2.5) dat het een beslag ex artikel 94a Sv betrof, aangezien daar wordt gesproken van een vordering tot ontneming en/of oplegging van een geldboete. De voorzieningenrechter kan [eiser] daarin reeds niet volgen, nu in dat faxbericht eveneens - en zelfs tot tweemaal toe - staat vermeld dat het onderzoek nog niet is voltooid.

Afronding

4.7. De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.8. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] - zoals verzocht uitvoerbaar bij voorraad en vermeerderd met de wettelijke rente - worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.376,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.

jvl