Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1612

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
385759/KG ZA 11-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser is in 2002 eervol ontslagen. Eiser heeft dit ontslag aangevochten, waarna het bezwaar hiertegen uiteindelijk alsnog gegrond is verklaard. Eiser vordert ihkv de afwikkeling van het dienstverband betaling van achterstallige pensioenpremies en diverse schadeposten. Deel van de vorderingen heeft een rechtspositioneel karakter, zodat deze niet ontvankelijk worden verklaard. Overige vorderingen niet toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0576
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 385759 / KG ZA 11-80

Vonnis in kort geding van 8 juli 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. [eiser q.q.] te Den Haag,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.C.M. van Vliet te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. Het procesverloop

[eiser] heeft de Staat op 16 februari 2011 doen dagvaarden om op 14 maart 2011 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en (op verzoek van partijen) een aantal malen pro forma aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen. Bij brief van 27 april 2011 heeft [eiser] de voorzieningenrechter gevraagd vonnis te wijzen. Daarna is de zaak aangehouden tot 18 mei 2011 teneinde de Staat in de gelegenheid te stellen te reageren op de door [eiser] tijdens de mondelinge behandeling van 14 maart 2011 overgelegde conclusie van repliek en te reageren op de inhoud van voormelde brief van 27 april 2011. De Staat heeft dit gedaan bij akte van 9 mei 2011, met producties. De voorzieningenrechter heeft vervolgens een nieuwe datum bepaald voor voortzetting van de behandeling ter terechtzitting op 27 juni 2011. De zaak is tijdens die zitting nogmaals behandeld. Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 14 maart 2011 en van 27 juni 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. [eiser] is sinds 3 maart 1980 werkzaam bij de Staat, bij het Ministerie van Defensie. Sinds 1992 was [eiser] werkzaam als senior inkoper.

2.2. Bij besluit van 19 maart 2002 is aan [eiser] per 1 juli 2002 eervol ontslag verleend. [eiser] heeft op 9 april 2002 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaar van [eiser] is bij besluit van 15 augustus 2002 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [eiser] beroep ingesteld bij deze rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen van [eiser] bij uitspraak van 5 augustus 2003 ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het door [eiser] hiertegen ingestelde hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de bestreden uitspraak vernietigd en overwogen dat de Staat (nog) niet had mogen besluiten [eiser] te ontslaan wegens ongeschiktheid en heeft hij bepaald dat de Staat in deze een nieuw besluit diende te nemen.

2.3. Partijen zijn nadien in onderhandeling getreden over herplaatsing van [eiser], dan wel beëindiging van het dienstverband.

2.4. Bij brief van 13 december 2005 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] aan de Staat bericht dat [eiser] er de voorkeur aan gaf zijn werkzaamheden te hervatten. Voorts wordt bericht dat [eiser] van mening is dat hem een bevordering in salarisschaal toekomt.

2.5. Bij besluit van 24 januari 2006 heeft de Staat het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2002 van [eiser] alsnog gegrond verklaard.

2.6. Bij brief van 10 februari 2006 heeft de Staat in reactie op de in 2.4 bedoelde brief aan [eiser] meegedeeld dat terugkeer van [eiser] niet wenselijk wordt geacht. De Staat heeft in diezelfde brief negatief gereageerd op het verzoek tot een hogere inschaling van [eiser], wegens het ontbreken van enig bevoegd gedane toezegging tot bevordering van [eiser]. De Staat bericht verder dat er geen reden is om aan te nemen dat [eiser] zou zijn bevorderd.

2.7. Bij brief van 30 september 2009 heeft de Directeur Defensie Materieel Organisatie [eiser] een functie opgedragen. In vervolg daarop is aan [eiser] bij brief van 21 oktober 2009 bericht dat dit een omzetting naar een andere arbeidsplaats betrof en dit een administratieve maatregel is als gevolg van een kleine interne reorganisatie, die voor [eiser] geen rechtspositionele gevolgen heeft.

2.8. Bij brief van 9 november 2009 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit van 30 september 2009. [eiser] verzoekt voorts om vergoeding van de navolgende door hem gestelde schadeposten: a) uitbetaling van 55 verlofdagen, b) vergoeding van schade als gevolg van een door de Staat jegens [eiser] aangespannen strafzaak, die is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, c) nabetaling pensioen aan het ABP, d) interim-uitkering op grond van de IZBAD-regeling en e) fiscale schade.

2.9. Dit bezwaar is door [eiser] aangevuld bij brieven van 3 december 2009 en 26 december 2009. In de brief van 3 december 2009 heeft [eiser] voormelde schadeposten aangevuld met een zesde schadepost, te weten f) schade als gevolg van het opzeggen van zijn rechtsbijstandverzekering door DAS.

2.10. Bij brief van 8 december 2009 heeft de Staat [eiser] bericht dat bij afzonderlijk besluit op de schadeverzoeken zal worden beslist.

2.11. Bij besluit van 17 december 2009 is het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 30 september 2009 niet ontvankelijk verklaard, aangezien de inhoud van deze brief in de visie van de Staat geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.12. Bij brief van 26 december 2009 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de brief van 8 december 2009, bedoeld onder 2.10.

2.13. Op 22 januari 2010 heeft [eiser] bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 17 december 2009, bedoeld onder 2.11. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 februari 2011 ongegrond verklaard.

2.14. Bij brief van 14 oktober 2010 heeft [eiser] de Staat verzocht hem langer te laten doorwerken.

2.15. Bij brief van 21 februari 2011 is namens de Staat aan [eiser] meegedeeld dat het pensioen en de FPU premies over de periode 1 juli 2002 tot 1 januari 2005 op 24 maart 2011 aan het ABP zullen worden overgemaakt. De Staat bericht voorts dat het verzoek van [eiser] om langer door te werken wordt afgewezen en dat bij afzonderlijk besluit zal worden beslist over de overige posten waarvoor [eiser] een vergoeding wenst.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, na vermeerdering van eis, - zakelijk weergegeven - de Staat te veroordelen:

1) primair: tot afdracht aan het ABP van het achterstallige pensioen en de FPU premies, conform de berekening van het ABP van 11 februari 2011, gebaseerd op een pensioengrondslag van schaal 13 met salarisperiodiek 10, als ware [eiser] nooit geschorst en ontslagen en als had hij dezelfde carrièreontwikkeling doorgemaakt als zijn collega [Z.], op straffe van een dwangsom;

2) subsidiair: tot afdracht aan ABP van het achterstallige pensioen en FPU premies, conform voornoemde pensioenberekening, gebaseerd op het huidige salaris van [eiser] en de Staat te veroordelen tot het betalen van een in goede justitie te betalen schadevergoeding;

3) meer subsidiair: het dienstverband met [eiser] na zijn 65e levensjaar ongewijzigd voor onbepaalde tijd voort te zetten, tot het moment waarop alle openstaande zaken als vermeld in het bezwaarschrift van 9 november 2009 naar tevredenheid zijn geregeld, alsmede de Staat te veroordelen tot betaling van een goede justitie te bepalen schadevergoeding, in het kader van bestaande en toekomstige inkomensderving van [eiser];

4) nog meer subsidiair: tot betaling van de in het lichaam van de onder 2.8 en 2.9 bedoelde schadeposten a) tot en met f) en betaling van g) studiekosten voor de door [eiser] gevolgde studie Nederlands recht gedurende de periode 2003 tot en met 2006;

5) tot afdracht aan het ABP van de achterstallige premies PartnerPlusPensioen, te rekenen vanaf 1 juli 2002, op straffe van een dwangsom;

6) aan [eiser] te betalen een vergoeding wegens inkomensderving, bestaande uit 1000 uur advocaatkosten.

3.2. Daartoe voert [eiser], kort samengevat, het volgende aan.

De Staat is gehouden [eiser] te brengen in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd als hij niet zou zijn geschorst en ontslagen. Dit is zijdens de Staat ook toegezegd. Directe consequentie hiervan is dat [eiser] met terugwerkende kracht op hetzelfde inkomensniveau diende te worden gebracht als zijn voormalige collega's, waaronder [Z.]. (hierna: [Z.]). Deze collega's bevonden zich op het moment van schorsing op hetzelfde niveau als [eiser], namelijk schaal 10. [Z.] bekleedde destijds een soortgelijke functie als [eiser]. Sinds 1 januari 2009 heeft [Z.] salarisniveau 13 met salarisperiodiek 10. Het door [eiser] te ontvangen pensioen dient hierop te worden afgestemd. De Staat heeft voorts toegezegd te zoeken naar een passende functie voor [eiser] binnen andere sectoren van Defensie, waaraan evenmin is voldaan. De Staat stuurde daarmee aan op een vervroegde dienstverlating. [eiser] heeft primair recht en belang bij uitbetaling van pensioen en FPU premies op basis van schaal 13 en subsidiair op basis van het door hem laatstgenoten salaris.

[eiser] heeft voorts nog recht op uitbetaling van 55 verlofdagen, op vergoeding van de kosten van de strafzaak, op nabetaling van pensioen van het ABP, op een interim-uitkering op grond van de IZBAD-regeling, de door hem geleden fiscale schade en de schade die hij heeft geleden als gevolg van het opzeggen van zijn rechtsbijstandverzekering door DAS.

[eiser] heeft op 9 juni 2011 geconstateerd dat de Staat vanaf 1 juli 2002 in gebreke is voor wat betreft de afdracht van premies met betrekking tot het PartnerPlusPensioen aan het ABP. De Staat had deze premie in moeten houden op het bruto salaris van [eiser] en moeten afdragen aan het ABP. Dit dient alsnog te gebeuren.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Vaststaat dat de in het geding zijnde achterstallige pensioen- en FPU-premies door de Staat aan [eiser] zijn voldaan op 10 mei 2011 op basis van salarisschaal 10. [eiser] handhaaft zijn vordering dat hierbij uitgegaan had moeten worden van salarisschaal 13 of tenminste van schaal 12. Deze stelling kan hem in deze procedure echter niet baten, omdat de voorzieningenrechter, met de Staat, van oordeel is dat dit ziet op een vordering met een rechtpositioneel karakter, waarvoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter bestaat of heeft bestaan. Dit brengt met zich dat [eiser] voor wat betreft de primaire vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.2. Bij de subsidiaire vordering van [eiser], strekkende tot afdracht aan ABP van het achterstallige pensioen en FPU premies op basis van het huidige salaris heeft [eiser] geen belang meer, nu dit deel van de vordering, zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, reeds is betaald. Deze vordering wordt derhalve afgewezen. [eiser] vordert subsidiair tevens betaling van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te betalen schadevergoeding. Dit deel van de vordering is door [eiser] niet dan wel onvoldoende gespecificeerd en evenmin onderbouwd, zodat ook dit deel van de subsidiaire vordering dient te worden afgewezen.

4.3. De meer subsidiaire vordering van [eiser], die ziet op voortzetting van het dienstverband is door [eiser] tijdens de terechtzitting van 27 juni 2011 ingetrokken, zodat deze vordering geen bespreking meer behoeft. De nog meer subsidiaire mede gevorderde schadevergoeding, in het kader van bestaande en toekomstige inkomensderving zal eveneens worden afgewezen. Ook dit deel van de vordering is onvoldoende gespecificeerd en reeds op die grond in deze procedure niet toewijsbaar.

4.4. Ten aanzien van de in 2.1 onder punt a) tot en met g) bedoelde vorderingen wordt als volgt overwogen. De uitbetaling van 55 vakantiedagen (punt a)) heeft, naar onweersproken vaststaat, inmiddels plaatsgevonden. Ditzelfde geld voor de punten c) nabetaling pensioen aan het ABP en e) fiscale schade, zodat deze punten verder onbesproken kunnen blijven.

4.5. Ten aanzien van de resterende schadeposten oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

kosten vergoeding strafzaak

Vaststaat dat [eiser] in het kader van de door de Staat jegens hem aangespannen strafzaak op 18 april 2002 een verzoek tot vergoeding van gemaakte kosten ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering heeft ingediend bij deze rechtbank. Dit heeft kennelijk geleid tot betaling van een deel van de door [eiser] gestelde kosten van in totaal € 7.274,95. De Staat heeft uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist dat hij gehouden is daarenboven een bedrag aan [eiser] te vergoeden. [eiser] heeft zijn vordering op dit punt niet gespecificeerd. Daarbij komt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet valt in te zien op grond waarvan de Staat gehouden is in aanvulling op de hiervoor bedoelde vergoeding een extra vergoeding aan [eiser] te betalen. Dit deel van de vordering wordt derhalve afgewezen.

uitkering IZBAD-regeling

De Interim-uitkering op grond van de IZBAD-regeling heeft de Staat, naar onweersproken vaststaat, inmiddels aan [eiser] voldaan. [eiser] heeft derhalve geen belang meer bij dit deel van de vordering, zodat dit deel zal worden afgewezen.

schade als gevolg van het opzeggen van de rechtsbijstandsverzekering bij DAS

Deze door [eiser] gestelde schade komt in deze procedure evenmin voor toewijzing in aanmerking. Gesteld noch gebleken is immers wat deze schade bedraagt, noch is deze vordering voldoende onderbouwd.

studiekosten

De vordering tot vergoeding van de door [eiser] gemaakte studiekosten heeft een rechtspositioneel karakter, waarvoor een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Aangenomen wordt dat [eiser], indien hij in aanmerking wenst te komen voor een dergelijke vergoeding, daartoe een verzoek moet indienen bij het daartoe bevoegde bestuursorgaan. Uiteindelijk kan dan beroep worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank. Dit brengt met zich dat [eiser] ten aanzien van deze vordering in deze procedure niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

PartnerPlusPensioen

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, de Staat te veroordelen tot afdracht aan het ABP van de achterstallige premies PartnerPlusPensioen, te rekenen vanaf 1 juli 2002. Dit betreft een aanvulling op het nabestaandenpensioen. Gelijk de Staat ter terechtzitting van 27 juni 2011 onweersproken heeft aangevoerd dient [eiser] daarvoor zelf actie te ondernemen richting het ABP. Het is vervolgens aan het ABP te bepalen of [eiser] hiervoor in aanmerking komt. De Staat heeft ter terechtzitting van 27 juni 2011 aangegeven bereid te zijn daaraan mee te werken, indien het ABP bepaalt dat [eiser] in aanmerking komt voor het PartnerPlusPensioen. De premies daarvoor dient [eiser] kennelijk zelf te betalen. Een en ander dient dan evenwel fiscaal te worden afgewikkeld. Daaraan heeft de Staat ter zitting zijn medewerking toegezegd. Gegeven deze gang van zaken heeft [eiser] thans geen belang bij toewijzing van dit deel van de vordering, zodat deze zal worden afgewezen.

vergoeding wegens inkomensderving van 1000 uren advocaatkosten

Deze vordering komt in feite op hetzelfde neer als de in 4.2 besproken vordering tot betaling van een schadevergoeding, zij het dat [eiser] de schade nu enigszins specificeert. Geoordeeld wordt dat ook deze schade in deze procedure niet kan worden toegewezen. Nog daargelaten dat [eiser] deze schadepost eerst in een zeer laat stadium van de onderhavige procedure heeft opgevoerd, wordt ook nog in aanmerking genomen dat het hier, evenals overigens bij de hiervoor besproken schadeposten, gaat om een geldvordering in kort geding, waarvoor geldt dat van toewijzing eerst sprake kan zijn als in hoge mate aannemelijk is dat de bodemrechter de Staat tot een dergelijke betaling zal veroordelen. Van een dergelijke hoge mate van aannemelijkheid is in casu niet gebleken. Een en ander leidt tot de slotsom dat ook dit deel van de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.6. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen van de vorderingen van [eiser] voor toewijzing in aanmerking komen. Gelet echter op het feit dat een deel van de door [eiser] ingestelde vorderingen eerst zijn voldaan nadat [eiser] de onderhavige procedure heeft aangespannen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat de proceskosten worden gecompenseerd, zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn primaire vordering;

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot betaling van de studiekosten;

- wijst de overige vorderingen van [eiser] af;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.T. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2011.

hf