Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1595

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/629
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Dublin, Italië

Samenvatting:

Niet aannemelijk is gemaakt dat de gebreken in de Italiaanse asielprocedure van een dusdanige aard en omvang zijn dat er grond is voor het oordeel dat ten aanzien van Italië niet meer van het uitgangspunt mag worden uitgegaan dat Italië het Vluchtelingenverdrag en artikel 3van het EVRM naleeft, de asielprocedure in Italië voldoende waarborgen biedt dat de vermeende strijd met die verdragen aan de orde kan worden gesteld en eiser niet in strijd daarmee zal worden uitgezet naar zijn land van herkomst.

Uit de door eiser ingeroepen stukken volgt weliswaar dat in Italië tekortkomingen zijn gesignaleerd met betrekking tot de toegang tot en de kwaliteit van de rechtshulp, maar daaruit blijkt ook dat beroep openstaat tegen de (afwijzende) beslissing op een asielaanvraag, dat de vreemdeling in deze beroepsprocedure gratis rechtshulp ontvangt, dat het beroep (in beginsel) schorsende werking heeft, dat hoger beroep en cassatie openstaat en dat asielzoekers in Italië relatief vaak in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming.

Uit de ingeroepen algemene documentatie, noch uit de persoonlijke omstandigheden van eiser, moet worden afgeleid dat in het geval na terugkeer een met artikel 3 van het EVRM onverenigbare situatie dreigt te ontstaan, Italië niet adequaat zal handelen, noch is daaruit af te leiden dat in Italië in het algemeen geen effectieve rechtsmiddelen tegen een schending van artikel 3 van het EVRM, zo die zich voordoet, kunnen worden aangewend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 11/629

Datum uitspraak: 30 juni 2011

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiseres],

geboren op [datum],

v-nummer [nummer],

van Somalische nationaliteit,

eiseres,

mede namens haar minderjarige kind,

[naam kind], geboren op [datum],

gemachtigde mr. A.J. van der Werff-Dost,

tegen

de Minister voor Immigratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 19 juli 2010 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 6 januari 2011 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 17 mei 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. M.F. van der Lubbe.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Eiseres, een moeder van een jong kind, heeft aangevoerd dat zij in Italië in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, een zogeheten ‘permesso di soggiorno’, geldig voor een periode van drie jaar, maar na vergunningverlening het asielzoekerscentrum, waar zij verbleef, heeft moeten verlaten. Omdat zij in Italië verstoken was van onderdak en hulp en medische zorg voor haar zieke kind is eiseres naar Nederland gekomen, en heeft alhier een verblijfsvergunning asiel aangevraagd.

3. Deze heeft verweerder bij besluit van 6 januari 2011 afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dient te worden aangenomen dat Italië zijn verdragsverplichtingen zal naleven. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt op basis waarvan die presumptie wordt weerlegd. Het betoog van eiseres dat zij bij overdracht in Italië zal worden blootgesteld aan een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), alsmede haar betoog dat Italië de Europese richtlijnen niet op een juiste wijze heeft geïmplementeerd, dient zij in Italië, als verantwoordelijke lidstaat, naar voren te brengen en zonodig daarna bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), zodat hier geen taak is weggelegd voor de Nederlandse autoriteiten. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding om het asielverzoek van eiseres, met inachtneming van artikel 3, tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), in behandeling te nemen.

4. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft, samengevat weergegeven en voor zover van belang, aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd conform artikel 3, tweede lid, van de Verordening het asielverzoek aan zich te trekken. Volgens eiseres nopen de gebrekkige opvangfaciliteiten in Italië tot toepassing van voormelde bepaling, hetgeen verweerder onvoldoende heeft onderkend. Verweerder heeft in de besluitvorming ten onrechte geen of weinig betekenis toegekend aan de diverse getroffen interim measures, die deels zien op zaken van moeders met jonge kinderen. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 17 december 2010 (LJN BO9130) betoogt eiseres dat verweerder de rechten van het kind heeft geschonden.

Ter onderbouwing van de gebrekkige opvangmogelijkheden en de tekortkomingen in de procedure in Italië heeft eiseres gewezen op de volgende stukken:

- het artikel ‘Italië zonder ambtsberichten’ van mr. A. Ricci Ascoli, (NAV, nr. 7, augustus 2004, blz. 437-448);

- het artikel ‘Asiel in Zuid-Europa, het Italiaanse asielsysteem in het kader van de EU-wetgeving’ van mr. A. Ricci Ascoli (NAV, nr. 3, juni 2009, blz. 176-186);

- het landenrapport inzake Italië van 2007 en 2008 van Amnesty International;

- het rapport Ecran Weekly Update van de European Council om Refugees and Exiles (ECRE) van 30 mei 2008;

- het rapport van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, Th. Hammarberg, van april 2009;

- de Interim Measures (rule 39) van het EHRM van 18 augustus 2009, 12 oktober 2009, 13 november 2009, 18 november 2009, 2 december 2009, 7 januari 2010, 14 januari 2010, 28 januari 2010, 10 februari 2010 en 11 juni 2010;

- het rapport ‘Factual Reception Conditions for Refugees in Italy and returns under Regulation 343/2003/EC’ van Save the Children Italia van januari 2011;

- het rapport ‘S.A.B. Project – Services at Borders: a practical co-operation, final report, van Italian Council for refugees van movember 2008;

- het rapport ‘Survey on legal aid for asylum seekers in Europe’ van ECRE van oktober 2010;

- het rapport ‘Zur Situation von Flüchtlingen in Italien’ van Pro Asyl, van maart 2011;

- het rapport ‘The Italian approach to asylum: System and core problems’ van de Norwegian Organization for Asylum Seekers van april 2011.

Voorts heeft eiseres bij brief van 17 maart 2011 betoogd dat de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 februari 2011 (zaak nr. 201100012/3) onvoldoende recht doet aan het arrest van het EHRM van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, nr. 30696/09 (JV 2011/68). Eiseres heeft verwezen naar:

- de annotatie van professor H. Battjes onder voormeld arrest van 21 januari 2011;

- het artikel ‘Straatsburg toezicht op Unie-asielrecht, M.S.S. tegen België en Griekenland’ van professor H. Battjes in Asiel en Migrantenrecht (hierna: A&MR) 2011, nr. 2;

- het commentaar van professor T. Spijkerboer in de rubriek ‘Uitspraak van de maand’ in A&MR 2011, nr. 1.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

7. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Verordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening kan elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening wordt, voor zover hier van belang, indien de om terugname verzochte de lidstaat niet reageert binnen de termijn van twee weken, hij geacht in te stemmen met terugname van de asielzoeker.

8. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres eerder een asielaanvraag in Italië heeft ingediend. Niet in geschil is dat Italië, dat niet tijdig heeft gereageerd op het terugnameverzoek, op grond van de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag. Wel in geschil is of Nederland de asielaanvraag op de voet van artikel 3, tweede lid, van de Verordening niettemin aan zich moet trekken.

9. Volgens het door verweerder gevoerde beleid, neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), wordt van de mogelijkheid om op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening het asielverzoek zelf te behandelen, terughoudend gebruik gemaakt.

Volgens paragraaf C3/2.3.6.2, voor zover thans van belang, wordt ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd.

10. Zoals volgt uit de uitspraak van 25 oktober 2001 (zaak nr. 200104546/1) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is er, gelet op het arrest van het EHRM in de zaak T.I. tegen het Verenigd Koninkrijk van 7 maart 2000 (JV 2000/103), geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in alle redelijkheid tot voormeld beleid heeft kunnen besluiten, dan wel dat dit beleid om andere redenen rechtens niet aanvaardbaar is. Uit voormeld arrest van het EHRM van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland volgt evenmin dat verweerder vorenbedoelde uitgangspunten niet mag hanteren. Wel blijkt uit dat arrest dat in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat een lidstaat zijn verdragsverplichtingen niet naleeft, verweerder niet kan volstaan met een algemeen beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar het aan hem is om concreet te weerleggen dat de vreemdeling bedoelde risico's loopt. Eerst in die situatie is er een verdergaande onderzoeksplicht en kan er mitsdien aanleiding zijn voor verweerder om artikel 3, tweede lid, van de Verordening toe te passen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat Italië haar verdragsverplichtingen niet naleeft. Daartoe wordt het volgende overwogen.

12. Waar eiseres betoogt dat zij als vergunninghouder in Italië niet in aanmerking komt voor opvangvoorzieningen, en zodoende aan haar lot zal worden overgelaten terwijl zij de zorg heeft over een klein kind, hetgeen, naar zij stelt, strijd oplevert met artikel 3 (en 8) van het EVRM en het Verdrag inzake de rechten van het kind, alsmede met Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, dient eiseres, gelet op het arrest van het EHRM van 2 december 2008 in zaak nr. 32733/08, K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2009/41), dit betoog bij de Italiaanse autoriteiten naar voren te brengen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd biedt immers onvoldoende grond voor het oordeel dat niet aangenomen kan worden dat Italië zich aan zijn verdragsverplichtingen zal houden. Uit de ingeroepen algemene documentatie, die maar deels betrekking heeft op de positie van vergunninghouders in Italië, noch uit de persoonlijke omstandigheden van eiseres, moet worden afgeleid dat, in het geval na terugkeer een met artikel 3 van het EVRM onverenigbare situatie dreigt te ontstaan, Italië niet adequaat zal handelen, noch is daaruit af te leiden dat in Italië in het algemeen geen effectieve rechtsmiddelen tegen een schending van artikel 3 van het EVRM, zo die zich voordoet, kunnen worden aangewend. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres aangehaalde interim measures hiertoe geen concrete aanwijzing opleveren, nu daaruit, gelet op het ontbreken van een motivering en het uitblijven van een nadere concretisering in hoeverre die zaken aansluiting vinden op de situatie van eiseres, niet kan worden afgeleid dat deze betekenis hebben voor eiseres.

13. Derhalve is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzitter, en mr. E.M. Vermeulen en mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).