Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1552

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
AWB 10 / 40365, 10 / 40537, 10 / 40538, 10 / 40536
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De afwijzing van de asielaanvragen is gebaseerd op een individueel ambtsbericht. Kern van het relaas is dat eiser als beveiliger op de luchthaven van Zvartnots werkte, daar getuige was van drugssmokkel en vervolgens problemen kreeg met de Armeense Nationale Veiligheidsdienst. Gelet op de hoedanigheid en achtergrond van bron 2 enerzijds (die bij partijen onbekend is) en de kern van het asielrelaas van eiser anderzijds, is de rechtbank van oordeel dat bron 2 niet als objectief dan wel onpartijdig te beschouwen is. Gelet verder op de gedetailleerdheid van eisers verklaringen, in combinatie met een overgelegde foto, concludeert de rechtbank dat het individuele ambtsbericht niet op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft althans dat er concrete aanknopingspunten bestaan om aan de juistheid en volledigheid daarvan te twijfelen. Ook bij de informatie in het individuele ambtsbericht over de aangiften van eiser, dienen vraagtekens te worden geplaatst. Eiser heeft immers consistent verklaard dat de Nationale Veiligheidsdienst en zijn voormalige leidinggevende de zaak over de drugssmokkel in de doofpot wilden stoppen. Dat eisers aangiften daaromtrent niet zijn geregistreerd en dus voor de bron van de vertrouwenspersoon van de ambassade niet te achterhalen waren, strookt met hiermee. Tot slot is onduidelijk is gebleven waarom verweerder genoegen heeft genomen met alleen een onderzoek naar het oude woonadres van eiser en waarom niet tevens het gezamenlijke woonadres van eiseressen, waar ook eiser ten tijde hier van belang woonde, is onderzocht op juistheid. Ten overvloede wenst de rechtbank nog op te merken dat haar ambtshalve bekend is dat in de zaken met AWB nrs. 09/39700, 09/39701 en 09/39702 (nog te publiceren), waarin de rechtbank op 17 juni 2011 uitspraak heeft gedaan, gebruik is gemaakt van dezelfde vertrouwenspersoon als in de zaak van eisers. Gelet op die uitspraak en op hetgeen in de voorliggende uitspraak is geoordeeld, dienen vraagtekens te worden geplaatst bij de opmerking in het individuele ambtsbericht dat de vertrouwenspersoon (bron 1) een “ter zake goed ingevoerde bron” is, die juiste en betrouwbare informatie verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 10 / 40365

AWB 10 / 40537

AWB 10 / 40538

AWB 10 / 40536

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

hierna ook te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen)

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 26 oktober 2010 heeft verweerder geweigerd eisers, alsmede het minderjarige kind van eiser en eiseres 1, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te verlenen.

Eisers hebben tegen de besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft (gevoegd) plaatsgevonden op 13 april 2011. Daar zijn eisers in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Hamaoui. Als tolk is verschenen A. Hakopian.

Overwegingen

1. Eiser is gehuwd met eiseres 1. Eiseres 2 is de schoonmoeder van eiser en de moeder van eiseres 1. Eiseres 3 is de zus van eiseres 2. Zij bezitten allen de Armeense nationaliteit.

Aan hun aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben eisers (samengevat) het volgende ten grondslag gelegd.

2. Eiser was beveiligingsmedewerker/inspecteur op de luchthaven Zvartnots in Jerevan. Op bevel van zijn leidinggevende haalde hij op 30 oktober 2008 een pakket met speciale goederen op uit een vliegtuig afkomstig uit Iran. Onderweg terug naar zijn leidinggevende werd eiser door leden van de zogeheten contrabanda, een soort beveiligingsdienst/douane op de luchthaven, aangehouden. Zij openden het pakket en vonden daarin (onder meer) anderhalve kilo heroïne. Eisers leidinggevende ontkende eiser opdracht te hebben gegeven het pakket op te halen en zei dat hij niets van de inhoud van het pakket afwist. Het hoofd van de contrabanda, het hoofd van de recherche en het hoofd van de Nationale Veiligheidsdienst van de luchthaven werden erbij gehaald. Eiser moest aangifte doen, waarvan een rapport werd opgemaakt. Vervolgens kwamen twee personen van de Nationale Veiligheidsdienst (de voormalige KGB), die eiser meenamen naar het gebouw van de KGB. Eiser werd daar door de Nationale Veiligheidsdienst ondervraagd en onder druk gezet om de schuld van de drugshandel op zich te nemen. Eiser werd daarbij in elkaar geslagen. Hij werd gedwongen een document te ondertekenen en schriftelijk te verklaren dat hij het land niet zou verlaten. Twee dagen later werd eiser door zijn leidinggevende aangezegd de verantwoordelijkheid van de drugshandel op zich te nemen. Hij zou dan de gevangenis ingaan en men zou goed voor zijn gezin zorgen. Eiser weigerde, omdat hij niet voor de daden van een ander de gevangenis in wilde gaan. De leidinggevende bedreigde eiser en gaf hem te verstaan dat het ernstige consequenties zou hebben als eiser niet zou meewerken. De volgende dag werd het gesprek voortgezet en liet de leidinggevende eiser weten dat hij vermoord zou worden als hij niet zou meewerken. Eiser werd gedwongen een ontslagbrief te ondertekenen en werd vervolgens weggestuurd. Eiser zocht hulp bij een bekende die bij de politie werkte en bij een advocaat, maar beiden konden hem niet helpen. Eiser werd opnieuw ondervraagd en bedreigd door de (voormalige) KGB. Na afloop van een ondervraging op het kantoor van de KGB, werd eiser op straat ontvoerd, mishandeld en met de dood bedreigd, vermoedelijk door KGB-mensen. Daarna (eind november 2008) zocht eiser hulp bij een mensenrechtenorganisatie. Ze lieten hem weten dat er een gerechtelijk onderzoek naar eiser liep en dat de KGB met de zaak bezig was. Ook zij waren echter niet in staat eiser te helpen. Op 3 december 2008 werden eiser, zijn vrouw en kind vlakbij hun huis opgepakt. Eiser werd daarbij in elkaar geslagen en eiseres 1 werd daarbij (onder andere) mishandeld. Daarop zijn eiser, eiseres 1 en hun zoontje ondergedoken in een naburig dorp. Ondertussen gingen mensen op zoek naar eiser in zijn huis, waar ook eiseressen 2 en 3 woonden. Toen zij hem daar niet aantroffen, namen ze zijn schoonbroer, die aanwezig was, mee. Ze lieten eiseres 2 weten dat zodra eiser terug zou zijn, zij ook haar zoon weer terug zou zien. Eisers hebben nooit meer iets van hem vernomen. Na dit incident bracht een vriend van eiser eiseressen 2 en 3 naar het huis waar eiser en eiseres 1 ondergedoken zaten. Op 30 december 2008 kreeg eiser een telefonische waarschuwing dat men erachter was gekomen waar eiser en zijn familie verbleven en dat zij op die plek niet langer veilig waren. Eisers vluchtten daarop naar een ander onderduikadres en van daaruit naar ene zomerhuisje van een kennis. Eiser probeerde vervolgens op 8 januari 2009 bij de burgerlijke stand een paspoort voor zijn zoontje te verkrijgen en ratificatiestempels in zijn eigen paspoort en dat van eiseressen, zodat zij op legale wijze het land konden verlaten. Toen eiser de paspoorten enige tijd later wilde ophalen, kreeg hij te horen dat de paspoorten waren ingenomen door de Nationale Veiligheidsdienst. Daarop zijn eisers (via Rusland) uit Armenië gevlucht naar Nederland.

3. Bij afzonderlijke besluiten van 26 oktober 2010 heeft verweerder de asielaanvragen van eisers op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 afgewezen.

4. Ter beoordeling staat of de besluiten van 26 oktober 2010, gelet op de daartegen aangevoerde beroepsgronden, de rechterlijke toets kunnen doorstaan.

5. Voor wat de ongedocumenteerdheid van eisers betreft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 van toepassing is. Verweerder heeft in redelijkheid aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn geboorteakte noch zijn militair boekje heeft overgelegd. Eisers verklaring hiervoor, te weten dat het te gevaarlijk was om terug te keren om het militaire boekje op te halen, heeft verweerder als onvoldoende van de hand kunnen wijzen, nu dit onverlet laat dat het de verantwoordelijkheid van eiser was deze documenten direct mee te nemen toen hij op 3 december 2008 zijn woning verliet dan wel eiseres 2 deze documenten te laten meenemen toen zij en eiseres 3 zich later bij eiser en zijn gezin voegden. De stelling van eisers in beroep dat het zinloos zou zijn geweest om het militaire boekje mee te nemen, omdat dit, net als de overige documenten door de reisagent zou zijn afgenomen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Immers, niet is gebleken dat de inname van de documenten onder dwang is geschied.

6. Het vorenstaande betekent dat van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht moet uitgaan. Op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen hierin geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden voorkomen.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de asielrelazen van eisers geen positieve overtuigingskracht hebben. Hij heeft dit standpunt gebaseerd op het individuele ambtsbericht dat de minister van Buitenlandse Zaken in opdracht van verweerder op 26 augustus 2010 heeft uitgebracht.

8. Bij beslissing van 25 maart 2011 heeft de rechtbank, op verzoek van de minister van Buitenlandse Zaken en met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bepaald dat partijen slechts beperkt kennis mogen nemen van het individuele ambtsbericht van 26 augustus 2010.

9. Eisers hebben de juistheid van dit individueel ambtsbericht, voor zover bij hun bekend, bestreden. Eisers vinden onder meer dat het onderzoek van de minister van Buitenlandse Zaken, gelet op de vraagstelling in het individueel ambtsbericht, te beperkt is geweest. Volgens eisers betreft het bovendien een zaak die de Armeense autoriteiten in de doofpot wilden stoppen, zodat het logisch is dat op vragen daarover geen bevestigend antwoord wordt gegeven. Tot slot hebben zij erop gewezen dat men ter plaatse onderzoek heeft gedaan naar het verkeerde adres. Ter ondersteuning van de juistheid van hun verklaringen hebben eisers een foto overgelegd van eiser in een uniform van (naar gesteld) de afdeling Beveiliging van de luchthaven van Zvartnots en een verklaring dat eiser van 1979 tot 10 januari 2007 woonachtig is geweest op het adres Shiraki I object, appartement 26.

10. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 oktober 2001 in zaak no. 200103977/1, AB 2001/359), volgt dat een individueel ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder voor de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. De rechtbank dient, gelet op de door eisers naar voren gebrachte beroepsgronden, een oordeel te geven over de vraag of het individuele ambtsbericht aan deze vereisten voldoet.

11. In het individuele ambtsbericht wordt (kort samengevat) ingegaan op de vragen of eiser als beveiliger werkzaam is geweest op de luchthaven van Zvartnots, om welke redenen hij daar is vertrokken, of het klopt dat eiser aangifte heeft gedaan van drugssmokkel en of hij in verband met drugssmokkel wordt gezocht. Tot slot is het adres van eiser onderzocht in verband met de beantwoording van de vraag of de paspoorten van eisers, zoals zij stellen, zijn ingenomen. Het onderzoek is uitgevoerd door een vertrouwenspersoon (VP). De bronnen zijn de VP zelf en drie vrienden van de VP.

12. De kern van het asielrelaas van eisers is dat eiser, als gevolg van het feit dat hij getuige was van een drugstransport, is mishandeld en bedreigd door de (voormalige) KGB in Armenië, dat deze Veiligheidsdienst hem onder druk heeft gezet de schuld van het drugstransport op zich te nemen en geprobeerd heeft de zaak (althans de versie van eiser daarvan) in de doofpot te stoppen. De Nationale Veiligheidsdienst (KGB) van Armenië speelt aldus een centrale rol in eisers asielrelaas. In verband met de verklaringen van eiser heeft verweerder aan de minister van Buitenlandse Zaken de vraag voorgelegd of het klopt dat eiser werkzaam is geweest bij de afdeling Beveiliging op de luchthaven van Zvartnots. Bron 2 heeft daarop aan de VP geantwoord dat eiser daar niet werkzaam is geweest. Gelet echter op enerzijds de hoedanigheid en achtergrond van bron 2, de enige bron die bij de beantwoording van deze cruciale vraag is geraadpleegd, en anderzijds de hiervoor weergegeven kern van het asielrelaas van eiser, is de rechtbank van oordeel dat bron 2 niet als objectief dan wel onpartijdig te beschouwen is. De rechtbank overweegt daarover voorts dat eiser gedetailleerd en consequent heeft verklaard over zijn werk en de gebeurtenissen rondom de drugsvondst op de luchthaven. Eiser heeft bijvoorbeeld vele namen, rangen en functies genoemd van personen, die bij de gebeurtenissen vanaf oktober 2008 betrokken waren. De rechtbank kan niet volgen waarom verweerder op dit punt heeft volstaan met de vraag of het klopt dat eiser bij de afdeling Beveiliging heeft gewerkt. Verweerder had immers op eenvoudige wijze door de minister van Buitenlandse Zaken navraag kunnen laten doen over de juistheid van de door eiser verstrekte informatie, waarvan mag worden verondersteld dat deze alleen bij ingewijden bekend is. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser een oude foto heeft overgelegd van zichzelf op jongere leeftijd gekleed in een uniform. De originele foto is aan verweerder ter beschikking gesteld. Niet in geschil is dat het eiser is die op de foto staat afgebeeld. Verweerder heeft echter gesteld dat aan de foto geen enkele waarde kan worden gehecht, omdat eiser de foto (van hem in bijvoorbeeld een geleend uniform) bewust kan hebben laten maken om zijn asielrelaas te ondersteunen. De rechtbank volgt die stelling niet. Dat eiser jaren geleden de bewuste foto zou hebben laten maken met als doel deze ooit te kunnen gebruiken bij het indienen van een asielaanvraag, acht de rechtbank te hypothetisch. Weliswaar is de foto geen doorslaggevend bewijs van eisers verklaring dat hij als beveiliger op de luchthaven van Zvartnots heeft gewerkt, maar dit wil naar het oordeel van de rechtbank niet zeggen dat aan de foto geen enkele betekenis kan worden toegekend. De onbetrouwbaarheid van bron 2, de gedetailleerdheid van eisers verklaringen (die verweerder in de gelegenheid stelde het asielrelaas op dit onderdeel veel diepgaander te onderzoeken), in combinatie met de overgelegde foto, maken dat de rechtbank van oordeel is dat het individuele ambtsbericht niet op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft althans dat er concrete aanknopingspunten bestaan om aan de juistheid en volledigheid daarvan te twijfelen.

13. Ook bij de informatie in het individuele ambtsbericht over de aangifte van eiser, dienen vraagtekens te worden geplaatst. Eiser heeft immers consistent verklaard dat de Nationale Veiligheidsdienst en zijn voormalige leidinggevende de zaak over het drugstransport in de doofpot wilden stoppen. Dat eisers aangiften daaromtrent niet zijn geregistreerd en dus voor de bron van de VP niet te achterhalen waren, strookt hiermee. Hier kan verweerder dan ook niet de conclusie op baseren dat het asielrelaas op dit punt niet overtuigt.

14. Tot slot heeft verweerder aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat uit het individueel ambtsbericht blijkt dat het woonadres van eisers niet bestaat. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

15. In het eerste gehoor heeft eiser verklaard dat hij tot januari 2008 woonde in zijn ouderlijk huis in de Shirakstraat, eerste steeg, app. 26 in Yerevan. Bedoeld moet zijn tot januari 2007. Immers, tot 3 december 2008 (de dag dat eiser samen met zijn gezin vluchtte naar een onderduikadres) woonde eiser immers in het ouderlijk huis van eiseres 1. Dit strookt ook met de verklaringen van eiseres 1 dat zij na het huwelijk (oktober 2006) met eiser nog één maand in zijn ouderlijk huis heeft gewoond en daarna is verhuisd naar haar eigen ouderlijk huis. Haar man heeft toen zijn ouderlijk huis verkocht en is bij haar komen wonen. Ook uit de door eisers overgelegde adresverklaring blijkt dat eiser vanaf januari 2007 niet meer op genoemd adres woonde. In het individueel ambtsbericht staat vermeld dat de VP een buurtonderzoek heeft uitgevoerd naar dit adres en dat dit adres niet blijkt te bestaan. Het ambtsbericht vermeldt hierover verder: “VP is in de 1ste steeg van de Shirakstraat geweest. In deze steeg staan 9 flatgebouwen. Elk gebouw heeft 3 verdiepingen en elke verdieping 3 appartementen. Per gebouw bestaan er 9 appartementen. Deze appartementen zijn genummerd van 1 tot en met 9.”

16. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser niet woonde in de Shirakstraat, eerste steeg, app. 26, maar in de Shirakstraat, eerste gebouw, appartement 26. Vast staat dan ook dat de VP op een verkeerd adres naar de voormalige woning van eiser heeft gezocht. De VP heeft weliswaar gezocht naar een door eiser zelf opgegeven adres, maar ter zitting is (aan de hand van een plattegrond) duidelijk geworden dat sprake is geweest van een vergissing, al dan niet het gevolg van een onjuiste vertaling door de tolk. Daar waar eiser heeft gesproken over “eerste steeg”, had dit “eerste gebouw” moeten zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze omissie weliswaar niet aan verweerder, maar eerder aan eiser is toe te rekenen, maar dat het geen informatie betreft die tot de kern van het asielrelaas behoort en dus in beginsel geen afbreuk kan doen aan het geloofwaardigheidsgehalte daarvan. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser al sinds januari 2007 niet meer op dit adres woonde. Gedurende de periode die het asielrelaas van eiser beslaat (tot 3 december 2008) woonde eiser, zo blijkt uit zijn eerste gehoor, in het ouderlijk huis van zijn vrouw in de Shirakstraat, flatnr. 66, app. nr. 23. Ook eiseres 1 heeft verklaard dat zij in die periode met eiser woonde in de Shiraki 23 in Yerevan. Eiseres 2 tot slot heeft eveneens in haar eerste gehoor verklaard dat zij woonde in de Shirakstr. flat 66, huisnr. 23 in Yerevan. Met eiseres 3, die gehandicapt is, is geen eerste gehoor afgenomen. Gelet op de verklaringen van eisers valt dan ook niet in te zien, waarom verweerder niet juist naar dit woonadres onderzoek heeft laten verrichten. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de zinsnede “(Op) dit adres was ik wel geregistreerd, verder niet” niet blijkt op welk adres dit terugslaat, zodat ook die zinsnede onvoldoende aanleiding heeft kunnen zijn om te volstaan met een onderzoek naar een oud woonadres van eiser. Ook is onduidelijk gebleven waarom met alleen een onderzoek naar het (oude) woonadres van eiser is volstaan en waarom niet tevens het gezamenlijke woonadres van eiseressen, waar ook eiser ten tijde hier van belang woonde, is onderzocht op juistheid in verband met de verklaringen van eiser en eiseres 1 over de inname van hun paspoorten. Tot slot merkt de rechtbank op dat uit het individueel ambtsbericht evident blijkt dat de informatie over de huisnummers van de appartementen niet juist dan wel niet volledig kan zijn. Immers, aan het individueel ambtsbericht is te ontlenen dat zich in de eerste steeg van de Shirakstraat telkens negen appartementen bevinden met een identiek adres. Een huisnummer 26 kan hier dan ook niet voorkomen. Bovendien zou het huisnummer, als er 9 gebouwen zijn met ieder 9 appartementen genummerd 1 tot en met 9, een toevoeging moeten hebben, zodat duidelijk is over welk appartement het gaat. De informatie over het adres in het ambtsbericht had daarom bij verweerder vragen moeten oproepen. Al het vorenstaande in aanmerking genomen, acht de rechtbank ook op dit onderdeel concrete aanknopingspunten aanwezig om te twijfelen aan de juistheid dan wel volledigheid van het individuele ambtsbericht.

17. Tot slot en wellicht ten overvloede wenst de rechtbank op te merken dat haar ambtshalve bekend is dat in de zaken met AWB nrs. 09/39700, 09/39701 en 09/39702 (nog te publiceren), waarin de rechtbank op 17 juni 2011 uitspraak heeft gedaan, gebruik is gemaakt van dezelfde vertrouwenspersoon als in de zaak van eisers. In die uitspraak heeft de rechtbank over de desbetreffende vertrouwenspersoon overwogen: “zonder nader onderzoek is niet uit te sluiten dat deze bron niet zo goed is ingevoerd als in het individueel ambtsbericht is vermeld, gelet op de omstandigheid dat de door hem vergaarde en weergegeven informatie reeds op enige niet zo bezwaarlijk te onderzoeken onderdelen afwijkt van de door eiseres verstrekte verklaringen die afkomstig zijn uit twee verschillende, althans van elkaar onafhankelijke bronnen.” Gelet hierop en gelet op hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, dienen vraagtekens te worden geplaatst bij de opmerking in het indivduele ambtsbericht dat de vertrouwenspersoon (bron 1) een “ter zake goed ingevoerde bron” is, die juiste en betrouwbare informatie verstrekt.

18. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank is van oordeel dat verweerder het individueel ambtsbericht niet ten grondslag heeft mogen leggen aan de onderhavige besluiten. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat de beroepen gegrond zijn en dat de bestreden besluiten wegens strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding (artikel 3:2 van de Awb) en met het motiveringsvereiste (artikel 3:46 van de Awb) dienen te worden vernietigd.

19. De rechtbank zal verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met deze procedures, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen (beroepschrift en verschijnen ter zitting) worden twee punten toegekend met een waarde van € 437,= per punt. Aangezien er sprake is van (vier) samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit, worden de twee toegekende punten vermenigvuldigd met de factor anderhalf. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één. Daaruit volgt dat de hoogte van de proceskostenveroordeling wordt vastgesteld op € 1.311,= (2 x 1,5 x 1 x € 437,00 =).

20. Aangezien tot op heden toezending van een toevoeging is uitgebleven, gaat de rechtbank ervan uit dat aan gemachtigde van eisers geen toevoeging is verstrekt. Derhalve dient het bedrag van de proceskosten aan eisers te worden vergoed.

21. Mitsdien wordt beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van verweerder van 26 oktober 2010;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedures, aan de zijde van eisers begroot op € 1.311,= (wegens de kosten van de rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.A.H.M. Sneevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2011.

w.g. mr. S.A.H.M. Sneevliet,

griffier w.g. mr. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 juli 2011

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.