Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1533

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/5704
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich conform het (recent gewijzigde) landgebonden beleid inzake Somalië op het standpunt gesteld dat eiser, een Somaliër afkomstig uit Mogadishu, een vestigingsalternatief heeft in Zuid- en Centraal Somalië. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat het door verweerder toegepaste beleid niet voldoet aan de eisen die het EHRM in het arrest van 28 juni 2011 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk) daaraan stelt. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 5704

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. drs. A. van der Toorn),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Boekholt. Als tolk was aanwezig L. Warsame.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op 1 september 1972 en in het bezit van de Somalische nationaliteit. Eiser behoort tot de (sub)clan Abgal/Hawiye. Op 20 juli 2009 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Bij besluit van 28 december 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 21 september 2010 (AWB 10 / 2760), gegrond verklaard. Aan deze gegrondverklaring heeft de rechtbank - onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 september 2010 (LJN: BN6728) - ten grondslag gelegd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in een geval waarin een vreemdeling, zoals eiser, afkomstig is uit Mogadishu de algehele veiligheidssituatie beoordeeld dient te worden in de context van de situatie van Centraal- en Zuid-Somalië en niet enkel ten aanzien van Mogadishu. Verweerder noch eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, zodat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de onderhavige aanvraag andermaal afgewezen.

4. Eisers gemachtigde heeft in zijn gronden van beroep aangegeven en ter zitting bevestigd dat hij thans alleen nog een beroep doet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3°, van de Vw 2000, in welk artikelonderdeel het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn), is geïmplementeerd.

5. Ter beoordeling staat of het bestreden besluit, gelet op het daartegen in beroep aangevoerde, in rechte stand kan houden. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

6. Verweerder heeft in het (in het bestreden besluit geïncorporeerde) voornemen een nieuw standpunt ingenomen met betrekking tot eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. In zijn verweerschrift heeft verweerder dit standpunt nader onderbouwd. Verweerder heeft conform het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Somalië, zoals gewijzigd bij besluit van verweerder van 9 december 2010, nr. 2010/19, inhoudende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000)

(Stcrt. 15 december 2010, nr. 20322), gesteld dat voor vreemdelingen afkomstig uit Mogadishu, van wie het asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden, in beginsel wordt uitgegaan van een vestigingsalternatief in Centraal en Zuid Somalië, mits de gevreesde dreiging voor een onmenselijke behandeling enkel een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in Mogadishu. Voor de niet Somali minderheden, alleenstaande vrouwen en/of alleenstaande minderjarigen wordt aangenomen dat er geen vestigingsalternatief is. Eiser komt uit de stad Mogadishu. Eiser behoort tot de (sub)clan Abgal/ Hawiye; hij behoort derhalve niet tot een niet Somali minderheid. Evenmin behoort eiser tot de categorie alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarigen. Verweerder heeft de zaak van eiser daarom getoetst aan de voorwaarden van het beleid inzake het vestigingsalternatief.

7. Verweerder heeft onderzocht of een vestigingsalternatief in Centraal en Zuid Somalië buiten Mogadishu daadwerkelijk en op legale en veilige wijze toegankelijk is vanuit Nederland. In dit verband heeft hij geconcludeerd dat er in het algemeen geen beletselen zijn om Somalië over land of via het luchtverkeer te bereiken. Toegang tot Somalië is mogelijk via het internationale vliegveld Aden Adde te Mogadishu. Dit vliegveld staat onder controle van de Transitional Federal Government (TFG), gesteund door troepen van de African Union Mission in Somalia (AMISOM). Vanaf dat vliegveld kan volgens verweerder over land het verblijfsalternatief worden bereikt. Hiertoe heeft verweerder als aanvulling in zijn verweerschrift gesteld dat TFG/AMISOM ook het gebied rondom de weg van het vliegveld richting Afgooye onder controle hebben.

8. Voorts heeft verweerder beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarde dat het voor de vreemdeling mogelijk moet zijn zich in het gebied te vestigen en een leven te leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. Volgens verweerder is ook aan deze voorwaarde voldaan.

Hiertoe heeft verweerder naar voren gebracht dat in Centraal en Zuid Somalië, anders dan in Mogadishu, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De humanitaire omstandigheden zijn er weliswaar slecht, maar er is geen sprake van een situatie dat deze slechte humanitaire omstandigheden op zichzelf al leiden tot de conclusie dat verblijf aldaar in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder heeft verweerder in dit verband naar voren gebracht dat de door de clanbanden geboden veiligheid is afgenomen, maar dat dit niet wegneemt dat eiser zich in het als verblijfsalternatief beoogde gebied moet kunnen handhaven.

9. De rechtbank beoordeelt het standpunt van verweerder dat sprake is van een vestigingsalternatief in Centraal en Zuid Somalië als volgt.

10. Na sluiting van het onderzoek heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in een arrest van 28 juni 2011 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 32621/06 , gepubliceerd op www.echr.coe.int/echr), ten aanzien van het tegenwerpen van een vestigingsalternatief in Zuid- en Centraal-Somalië aan Somaliërs uit Mogadishu, voor zover thans van belang, als volgt geoordeeld.

“[…]

293. In conclusion, the Court considers that the situation of general violence in Mogadishu is sufficiently intense to enable it to conclude that any returnee would be at real risk of Article 3 ill-treatment solely on account of his presence there, unless it could be demonstrated that he was sufficiently well connected to powerful actors in the city to enable him to obtain protection (see paragraph 249, above).

294. Nevertheless, Article 3 does not preclude the Contracting States from placing reliance on the internal flight alternative provided that the returnee could travel to, gain admittance to and settle in the area in question without being exposed to a real risk of Article 3 ill-treatment. In this regard, the Court accepts that there may be parts of southern and central Somalia where a returnee would not necessarily be at real risk of Article 3 ill-treatment solely on account of the situation of general violence (see paragraph 270, above). However, in the context of Somalia, the Court considers that this could only apply if the applicant had close family connections in the area concerned, where he could effectively seek refuge. If he has no such connections, or if those connections are in an area which he could not safely reach, the Court considers that there is a likelihood that he would have to have recourse to either an IDP or refugee camp(see paragraph 266, above).

295. If the returnee’s family connections are in a region which is under the control of al-

Shabaab, or if it could not be accessed except through an al-Shabaab controlled area, the

Court does not consider that he could relocate to this region without being exposed to a risk of ill-treatment unless it could be demonstrated that he had recent experience of living in

Somalia and could therefore avoid coming to the attention of al-Shabaab (see paragraph 276, above).

296. Where it is reasonably likely that a returnee would find himself in an IDP camp, such as those in the Afgooye Corridor, or in a refugee camp, such as the Dadaab camps in Kenya, the Court considers that there would be a real risk that he would be exposed to treatment in breach of Article 3 on account of the humanitarian conditions there (see paragraph 295, above).

[…]”

11. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder aangelegde toets voor de vraag of aan Somaliërs uit Mogadishu een vestigingsalternatief in Centraal en Zuid Somalië kan worden tegengeworpen, zoals neergelegd in het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Somalië, niet voldoet aan de eisen die het EHRM in voornoemde uitspraak daaraan stelt.

Verweerder heeft (onder meer) niet beoordeeld of er naaste familie van eiser in Centraal en Zuid Somalië woont en zo ja, of eiser bij deze familie effectief bescherming kan vinden.

Evenmin heeft verweerder beoordeeld of eiser recent in Somalië heeft gewoond of verbleven en hij om die reden kan voorkomen dat hij de aandacht trekt van Al-Shabaab voor zover deze het gebied controleert waar de familie van eiser verblijft of hij moet reizen door gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab. De rechtbank zal om die reden het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

12. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op het arrest van het EHRM van

28 juni 2011, nu het door verweerder toegepaste beleid evident niet voldoet aan de eisen die het EHRM stelt aan het kunnen tegenwerpen van een veilig vestigingsalternatief in Centraal en Zuid Somalië aan Somaliërs uit Mogadishu.

13. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van € 437,= per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

14. Met inachtneming van de aan de gemachtigde van eiser gerichte brief van de griffier van 26 april 2011 en gelet op de omstandigheid dat tot op heden toezending van een toevoeging is uitgebleven, gaat de rechtbank ervan uit dat aan gemachtigde van eiser geen toevoeging is verstrekt. Het bedrag van de proceskosten dient derhalve aan eiser te worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,= (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.P. van der Pijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2011.

w.g. mr. R.P. van der Pijl,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 juli 2011

Rechtsmiddel

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.