Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1510

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
11/7779
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring,WBV 2004/63, strafbaar feit, rechtszekerheid, AbRvS 29-7-2010

De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van zijn strafrechtelijke veroordeling niet op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in verband met het destijds geldende artikel 6.5, aanhef en onder b, van de Vb 2000 ongewenst kon worden verklaard. Het feit dat eiser pas op 8 juni 2010 weer in beeld kwam bij verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die het maken van een uitzondering op het rechtszekerheidsbeginsel rechtvaardigt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2010 verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich aldus tegen het aan eiser tegenwerpen van het beleid van het WBV 2004/63, thans neergelegd in het WBV 2009/2. Verweerder heeft eiser daarom niet op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst kunnen verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 11/7779

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Sierra Leoonse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiser,

gemachtigde mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Amersfoort;

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. drs. J.P.M. Wuite,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2010 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij brief van 30 augustus 2010 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 3 maart 2011 ongegrond verklaard.

Bij brief van 7 maart 2011 is daartegen beroep ingesteld. Bij brief van 5 april 2011 is het beroep voorzien van gronden. Verweerder heeft op 18 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 9 juni 2011 behandeld. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visscher, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Blijkens de gronden van beroep is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst heeft kunnen verklaren.

2.2 Op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000.

Blijkens paragraaf A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan een vreemdeling op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 onder meer ongewenst worden verklaard als hij behoort tot de categorie vreemdelingen die ter zake van een misdrijf zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie), of een taakstraf dan wel een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd hebben gekregen en waarbij het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel ten minste een maand bedraagt.

2.3 Voor zover thans van belang heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eiser bij vonnis van 1 april 2003, onherroepelijk geworden op 16 april 2003, door de politierechter is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken. Nu eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf ten minste één maand bedraagt, vormt eiser reeds om die reden een gevaar voor de openbare orde. Verder heeft eiser geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000 en er bestaat daarom aanleiding eiser ongewenst te verklaren.

2.4 De rechtbank overweegt dat verweerder bij brief van 31 mei 2011 door de rechtbank is gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 juli 2010 (200903817/1/V1) en is verzocht ter zitting van 9 juni 2011 de volgende vraag te beantwoorden: Bij vonnis van 1 april 2003, onherroepelijk geworden op 16 april 2003, is eiser veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken. Kon eiser op grond van destijds geldende regelgeving en destijds gevoerd beleid ongewenst worden verklaard?

In voormelde uitspraak van 29 juli 2010 is - samengevat - door de Afdeling geoordeeld dat ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), zoals dat luidde voordat het kwam te vervallen per 1 november 2004, een vreemdeling op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b of c, van de Vw 2000 in ieder geval ongewenst kon worden verklaard, indien de vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000, wegens een misdrijf bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld tot een of meer vrijheidsontnemende straffen of maatregelen, waarvan de totale duur zes maanden of meer bedraagt. Het op 1 november 2004 in werking getreden Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2004/63 is een aanscherping van het beleid met betrekking tot ongewenstverklaring, nu een veroordeling tot een gevangenisstraf of oplegging van een maatregel van een maand of meer wegens een misdrijf aanleiding kan zijn tot ongewenstverklaring over te gaan. Dit beleid is onmiddellijk in werking getreden en kent geen overgangsregeling. De eenmalige strafrechtelijke veroordeling van de vreemdeling kon op grond van de destijds geldende regelgeving niet tot ongewenstverklaring leiden. In deze situatie verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen de aanscherping van het beleid aan de vreemdeling tegen te werpen, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het maken van een uitzondering op dat beginsel rechtvaardigen.

2.5 Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat de zaak van eiser vergelijkbaar is met de zaak waar voormelde uitspraak van de Afdeling op zag. Eiser had op grond van de op 1 april 2003 geldende regelgeving en het destijds gevoerde beleid niet ongewenst kunnen worden verklaard. Als bijzondere omstandigheid heeft verweerder aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van de sanctie pas heeft plaatsgevonden van 8 juni 2010 tot 20 juli 2010, omdat eiser daarvoor niet in beeld was bij de Nederlandse overheid. Verweerder erkent dat verder geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Niet is gebleken dat eiser zich na zijn eerdere veroordeling nog schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit.

2.6 De gemachtigde van eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de rechtbank de door verweerder genoemde bijzondere omstandigheid dient af te wegen tegen het rechtszekerheidsbeginsel. Het fundamentele beginsel van rechtszekerheid behoort in dit geval zwaarder te wegen.

2.7 De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van zijn strafrechtelijke veroordeling niet op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in verband met het destijds geldende artikel 6.5, aanhef en onder b, van de Vb 2000 ongewenst kon worden verklaard. Het feit dat eiser pas op 8 juni 2010 weer in beeld kwam bij verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die het maken van een uitzondering op het rechtszekerheidsbeginsel rechtvaardigt. Gelet op voormelde uitspraak van de Afdeling verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich aldus tegen het aan eiser tegenwerpen van het beleid van het WBV 2004/63, thans neergelegd in het WBV 2009/2. Verweerder heeft eiser daarom niet op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst kunnen verklaren.

2.8 Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. De overige beroepsgronden behoeven derhalve geen bespreking.

2.9 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--; wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 maart 2011;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,=, te voldoen aan eiser;

- gelast dat verweerder het griffierecht ad € 152,= aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H. den Haan, rechter, en door haar en G.E. Russcher als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2011.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.