Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1377

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/20487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geval is eiser geclaimd bij de Noorse autoriteiten. Deze autoriteiten hebben nog niet gereageerd op dit claimverzoek en gelet daarop staat niet vast dat eiser daadwerkelijk op grond van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan de autoriteiten in Noorwegen. Op dit moment kan dan ook nog niet worden vastgesteld of eiser onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt. Het betoog van verweerder dat de Terugkeerrichtlijn toepassing mist, kan reeds daarom niet worden gevolgd. De rechtbank gaat dan ook uit van toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn en zal dienen te beoordelen of in dit geval sprake is van het ontwijken dan wel belemmeren door eiser van de voorbereiding van de terugkeer dan wel de verwijderingprocedure, zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bij deze beoordeling moet worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 20487

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen)

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2011 heeft verweerder eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in

artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt dit beroep tevens een verzoek tot toekenning van schadevergoeding in.

Bij faxbericht heeft verweerder nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.M. Ticheler. Als tolk was aanwezig C.F. Pearce.

Overwegingen

1. Eiser is volgens zijn eigen verklaring geboren op 7 september 1982 en van Gambiaanse nationaliteit.

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 22 juni 2011 heeft eiser zijn asielaanvraag ingetrokken.

3. Eiser heeft - kort weergegeven – aangevoerd dat op hem de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) van toepassing is. Op grond van artikel 15 eerste lid van de Terugkeerrichtlijn kan een vreemdeling alleen in bewaring worden gesteld indien de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Aangezien de Terugkeerrichtlijn van toepassing is, kan de grond dat eiser verdacht wordt van het plegen van een misdrijf niet aan de bewaring ten grondslag worden gelegd. Dit is immers een aspect van openbare orde. Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij op doorreis was en hem niet kan worden tegengeworpen dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft en dat hij zich niet heeft gemeld bij de korpschef.

4. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser op

20 juni 2011 is overgeplaatst naar het Detentiecentrum te Rotterdam en dat daar op

24 juni 2011 eisers dossier is ontvangen. Tevens heeft op 24 juni 2011 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 27 juni 2011 is eiser op grond van Verordening 343/2003 (de Dublinverordening) geclaimd bij de autoriteiten van Noorwegen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op eiser, omdat eiser onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt. Deze verordening kent haar eigen rechtsregime. Subsidiair heeft de gemachtigde van verweerder betoogd dat, ook als de Terugkeerrichtlijn van toepassing is, de grond dat eiser wordt verdacht van het plegen van een misdrijf aan de maatregel ten grondslag kan worden gelegd. De aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, kunnen deze dan ook dragen, aldus verweerder.

5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser onder de werkingssfeer valt van de Terugkeerrichtlijn.

6. In het onderhavige geval is eiser op 27 juni 2011 geclaimd bij de Noorse autoriteiten. Deze autoriteiten hebben nog niet gereageerd op dit claimverzoek en gelet daarop staat niet vast dat eiser daadwerkelijk op grond van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan de autoriteiten in Noorwegen. Op dit moment kan dan ook nog niet worden vastgesteld of eiser onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt. Het betoog van verweerder dat de Terugkeerrichtlijn toepassing mist, kan reeds daarom niet worden gevolgd. De rechtbank gaat dan ook uit van toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn en zal dienen te beoordelen of in dit geval sprake is van het ontwijken dan wel belemmeren door eiser van de voorbereiding van de terugkeer dan wel de verwijderingprocedure, zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bij deze beoordeling moet worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld.

7. Verweerder heeft aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd dat eiser:

- niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

- niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats;

- zich niet heeft gemeld bij de Korpschef;

- gebruik heeft gemaakt van een vals/vervalst document;

- verdacht wordt van het plegen van een misdrijf.

8. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser niet heeft betwist dat hij niet beschikt over een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Ten aanzien van de gronden dat eiser gebruik heeft gemaakt van een vals/vervalst document en wordt verdacht van het plegen van een misdrijf verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 juni 2011 (LJN: BQ8493).

Hierin is door de Afdeling overwogen dat aspecten van openbare orde in de gevallen waarin een vreemdeling binnen de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn valt, niet aan de bewaring ten grondslag mogen worden gelegd ter bescherming van de openbare orde dan wel de openbare veiligheid als zodanig. Aspecten van openbare orde mogen echter niettemin aan een maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd indien hieruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Uit het feit dat eiser gebruik heeft gemaakt van een vals (identiteits)document, in samenhang bezien met het feit dat hij niet beschikt over een geldig identiteitsbewijs, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat eiser de voorbereiding van de terugkeer of verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Eiser heeft immers op basis van valse documenten getracht door Europa te reizen en heeft zich ook met deze documenten gelegitimeerd. Hieruit kan worden afgeleid dat eiser heeft getracht controles te omzeilen en hij dus zijn verwijdering zal belemmeren dan wel zich hieraan zal onttrekken. Daargelaten of aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij zich niet heeft gemeld bij de korpschef en niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats, acht de rechtbank de eerdergenoemde gronden voldoende om de inbewaringstelling te rechtvaardigen.

9. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar rechtsoverweging 4. dat thans niet kan worden gezegd dat er geen redelijk vooruitzicht is op de verwijdering van eiser. Nu de claim nog in behandeling is bij de Noorse autoriteiten en een negatief bericht op deze claim niet voorligt, zijn er vooralsnog geen aanknopingspunten voor het oordeel dat die autoriteiten niet alsnog de gelegde claim zullen honoreren.

10. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van de maatregel onrechtmatig is. Derhalve acht de rechtbank het beroep ongegrond en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van

S.A.J. Monnens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2011.

w.g. S.A.J. Monnens,

griffier w.g. mr. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op: 11 juli 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.