Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1333

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
AWB 10/23787 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen stellen dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is.

2. Niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Mogadishu. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat in die stad sprake is van een situatie als bedoeld in art. 15 onder c Definitierichtlijn. Verweerder stelt dat eiser desondanks een verblijfsvergunning kan worden onthouden, omdat er voor hem een vestigingsalternatief voorhanden is in Centraal- en Zuid-Somalië. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser via Mogadishu veilige toegang tot dat gebied kan krijgen. Ook heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt hoe van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich daar vestigt en kan verblijven. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Regnr.: AWB 10/23787 BEPTDN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], eiser, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. F.H. Bruggink, advocaat te Den Haag,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [datum] 1986 en dat hij de Somalische nationaliteit heeft. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij besluit van 14 juni 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Bij brief van 2 juli 2010 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 2 maart 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde,

mr. F. van Leeuwen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.M. Hollebrandse.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het door eiser ter zitting ingenomen standpunt met betrekking tot het tegenwerpen van een vestigingsalternatief.

Bij brief van 8 maart 2011 heeft verweerder van de gelegenheid gebruik gemaakt en een reactie ingezonden. Bij brief van 15 maart 2011 heeft eiser hierop gereageerd.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:10 van de Awb de behandeling van het beroep verwezen naar een meervoudige kamer.

De openbare meervoudige behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 mei 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. R.C. van Keeken.

II OVERWEGINGEN

1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag - voor zover van belang en samengevat - het navolgende aangevoerd. Eiser is vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek op 25 augustus 2009 woonachtig geweest in Mogadishu. Eiser heeft verklaard dat zijn vader als hoofd beveiliging werkzaam is geweest voor de United Nations Development Programme (UNDP) en in 1991 is vermoord tijdens zijn werkzaamheden. Eiser heeft verder gesteld dat hij van 10 juni 2008 tot 1 mei 2009 als bewaker werkzaam is geweest voor de UNDP. Vervolgens heeft eiser verklaard dat hij vanwege de werkzaamheden voor UNDP benaderd is door mannen van de Al Shabaab beweging om zich bij hen aan te sluiten. Eiser heeft gesteld dat hij weigerde samen te werken en dat personen die niet willen samenwerken met de leden van de Al Shabaab vermoord of ontvoerd worden. Eiser is daarom gevlucht en heeft zijn land van herkomst verlaten met het vliegtuig.

2 Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat de oprechtheid van eisers asielrelaas op voorhand wordt aangetast en dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas.

3 In beroep heeft eiser het volgende aangevoerd. Ten onrechte heeft verweerder het ontbreken van documenten tegengeworpen omdat documenten niet of nauwelijks beschikbaar zijn in Somalië. Voorts heeft eiser gesteld dat hij de geboorteakte niet mocht meenemen van de reisagent, zodat het ontbreken van dat document verschoonbaar moet worden geacht. Volgens eiser is de reis verlopen zoals hij heeft verklaard en is hij doorgegaan voor de minderjarige zoon van de reisagent. Voorts heeft eiser gesteld dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van zijn relaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat en dat het relaas ongeloofwaardig is. Volgens eiser heeft hij niet tegenstrijdig verklaard over de beëindiging van zijn werkzaamheden voor de UNDP. Daarbij merkt eiser op dat het tijdens het eerste gehoor niet de bedoeling is over asielmotieven te verklaren. Voorts heeft eiser gesteld dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij summiere en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd zonder voorbeelden te geven. Eiser is van mening dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van Al Shabaab en zich als werknemer van de UNDP heeft geprofileerd als tegenstander van Al Shabaab, zodat verweerder ten onrechte niet inhoudelijk heeft getoetst aan het Vluchtelingenverdrag, aan artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en aan artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn). Eiser heeft voorts aangevoerd dat in geheel Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Daarbij beroept eiser zich in het bijzonder op het feit dat verweerder niet heeft betwist dat door een dergelijk gebied moet worden gereisd om vanaf de luchthaven Mogadishu toegang tot het vestigingsalternatief te krijgen. Voorts wijst eiser in het kader van de verblijfsomstandigheden op de notities van Vluchtelingenwerk Nederland van 20 april 2011 en van 12 mei 2011 en de Amnesty International briefing van 18 oktober 2010. Tot slot heeft eiser gesteld dat verweerder ten onrechte het categoriaal beschermingsbeleid heeft beëindigd.

4 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en d, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: (a) die verdragsvluchteling is, (b) die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, (c) van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst, of (d) voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

5 Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer neergelegd in de uitspraak van 27 januari 2003 (LJN AF5566) en 21 juli 2009 (LJN BJ3621), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten en omstandigheden tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. Die jurisprudentie volgend is de vraag aan de orde of verweerder, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

6 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), hoofdstuk C14/2, heeft verweerder het beleid neergelegd inzake de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Indien zich een van de omstandigheden van artikel 31, tweede lid, a tot en met f, van de Vw 2000 voordoet, doet dit afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas. Er mogen dan in het relaas geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

7 Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser toerekenbaar geen documenten over zijn reisroute heeft overgelegd en dat enkel al om die reden van het relaas een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Indien ten aanzien van één van de elementen van identiteit, nationaliteit en reisroute documenten ontbreken en dit is toe te rekenen aan de vreemdeling, dan is dit volgens vaste jurisprudentie reeds voldoende voor de conclusie dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten. Verweerder heeft eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen enkel indicatief bewijs van de reis heeft overgelegd, noch in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven, terwijl eiser heeft gesteld te zijn gereisd met het vliegtuig van Mogadishu via Hargeisha naar Kenia en vervolgens met het vliegtuig naar Nederland. De verklaring van eiser dat hij als vijftienjarig kind van de reisagent meereisde, heeft verweerder in redelijkheid onvoldoende kunnen achten gezien eisers leeftijd van 23 jaar en zijn uiterlijk. In lijn met de uitspraak van de AbRS van 8 oktober 2002, LJN AL4677, kan voorts het feit dat eiser afhankelijk was van een reisagent niet afdoen aan zijn eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing van zijn reis- en asielrelaas.

8 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het relaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij tijdens het eerste gehoor heeft verklaard dat de werkzaamheden voor de UNDP zijn gestopt wegens beëindiging van zijn contract, terwijl eiser in het nader gehoor hieromtrent heeft verklaard dat hij is gestopt met deze werkzaamheden op 1 mei 2009 omdat hij meerdere malen is aangesproken door leden van de Al Shabaab, hij bang was geworden en niet meer durfde te werken, terwijl hij zijn land van herkomst pas heeft verlaten op 25 augustus 2009. Voorts heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij vaag heeft verklaard over benadering door de leden van de Al Shabaab. De verklaring van eiser dat de benadering door leden van de Al Shabaab past in het beeld van het algemeen ambtsbericht is niet afdoende, nu het op de weg van eiser ligt om concreet en gedetailleerd zijn asielrelaas naar voren te brengen. Ook heeft verweerder eiser kunnen toerekenen dat hij vage en summiere verklaringen over de gestelde werkgever, de UNDP, heeft afgelegd. Nu het gaat om een werkgever waar eisers vader voor werkte, die de moeder van eiser heeft ondersteund en waarvoor eiser zelf gedurende elf maanden heeft gewerkt, mag van eiser worden verwacht dat hij hierover uitgebreid en gedetailleerd kan verklaren. Ook heeft verweerder de verklaringen van eiser over het onderduiken en toch regelmatig naar huis gaan, bevreemdend kunnen achten.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder het asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten en zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

9.1 Ten aanzien van het beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 25 mei 2009 (LJN BI4791) voorziet de bescherming geboden door artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in de vereiste bescherming als genoemd in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. De rechtbank zal eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn daarom hier, onder de beoordeling van zijn beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, bespreken.

9.2 Nu verweerder zich blijkens het voorgaande in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er individuele, hem persoonlijk betreffende gronden zijn om aan te nemen dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000.

9.3 De rechtbank overweegt voorts dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Mogadishu. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat in die stad sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Verweerder stelt dat eiser desondanks een verblijfsvergunning kan worden onthouden, omdat er voor hem een vestigingsalternatief voorhanden is in Zuid- en Centraal-Somalië. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of verweerder eiser een vestigingsalternatief binnen Zuid- en Centraal-Somalië heeft kunnen tegenwerpen. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

9.4 Verweerder heeft ter zake op 9 december 2010 een Wijzigingsbesluit vreemdelingen uitgebracht (WBV 2010/19), gepubliceerd in de Staatscourant op

15 december 2010 en thans opgenomen in paragraaf C24/24.7.2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, waarin het asielbeleid ten aanzien van Somalië is gewijzigd. Tegelijk met dit WBV heeft verweerder de voorwaarden waaraan het vestigingsalternatief moet voldoen in een apart WBV 2010/18 opnieuw geformuleerd. Dit beleid is een uitwerking van artikel 8 van de Definitierichtlijn en ook van artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) 2000.

In het beleid wordt ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Mogadishu, die niet persoonlijk worden bedreigd, maar uitsluitend worden bedreigd vanwege de uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, in beginsel aangenomen dat er een vestigingsalternatief bestaat in Zuid- en Centraal-Somalië.

De drie cumulatieve voorwaarden voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief zijn:

a. het gaat om een gebied waar voor de vreemdeling geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat;

b. de vreemdeling kan op veilige wijze toegang tot dat gebied verkrijgen; en

c. de vreemdeling kan zich in dat gebied vestigen en van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij in dat gebied verblijft.

Ter beoordeling staat of aan de voorwaarden die volgens dit beleid aan het tegenwerpen van het vestigingsalternatief worden gesteld, is voldaan. In geschil is of is voldaan aan de voorwaarden b. en c. van voormeld beleid.

9.5 Vaststaat dat zich in de woonplaats van eiser een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voordoet op grond waarvan eiser in principe in aanmerking komt voor bescherming. Verweerder kan slechts onder bepaalde voorwaarden eiser die vergunning onthouden. Daarbij rust de bewijslast op verweerder, zodat verweerder gehouden is aannemelijk te maken dat aan voormelde voorwaarden wordt voldaan. Uit artikel 8 van de Definitierichtlijn volgt dat de vraag of binnenlandse bescherming mogelijk is, deel uitmaakt van de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming.

9.6 Tussen partijen is niet langer in geschil dat het vliegveld waarnaar verweerder eiser wil uitzetten is gelegen in de periferie van de stad Mogadishu, gelegen op 6 à 7 kilometer van het centrum van die stad. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder een kaart van Mogadishu van maart 2011 van Criticalthreats overgelegd en daarbij een toelichting gegeven. Volgens de gemachtigde van verweerder is Criticalthreats een project van the American Enterprise Institute for Public Policy Research (AEI) een particuliere non-profit organisatie die zich toelegt op onderzoek, een politieke denktank. Voorts heeft verweerder toegelicht dat op de overgelegde kaart is te zien dat de gebieden zijn opgedeeld in een paars/blauw gekleurd gebied dat gecontroleerd wordt door en in handen is van de Transitional Federal Government (TFG) en de African Union Mission in Somalia (AMISOM) en het oranje gekleurd gebied dat wordt beheerst door de Al Shabaab en daartussen in een gearceerd gebied waar door de TFG en AMISOM met de Al Shabaab wordt gestreden. Gelet op deze kaart meent verweerder dat, hoewel de luchthaven is gelegen in een gebied waarin een situatie bestaat als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, de toegang tot Zuid- en Centraal-Somalië mogelijk is. Immers, de toegang is gewaarborgd, omdat de stad verlaten kan worden via een relatief veilige weg zonder dat door de betwiste gebieden gereisd hoeft te worden. Die weg loopt via het kruispunt K4 door de wijk Medina richting Afgooye. Verweerder verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat veilig naar Zuid- en Centraal-Somalië kan worden gereisd naar de berichtgeving van het UK Home Office van oktober 2010, waaruit blijkt dat veel mensen reizen tussen Mogadishu en Afgooye en dat het vliegveld en de weg er naar toe in handen is van de TFG en AMISOM.

9.7 Gesteld noch gebleken is evenwel dat verweerder in zijn landgebonden beleid de weg vanaf het vliegveld door Mogadishu naar de rest van Zuid- en Centraal-Somalië heeft uitgezonderd bij de vaststelling dat zich in Mogadishu de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voordoet. Het standpunt van verweerder is derhalve tegenstrijdig. Niet valt in te zien hoe de route veilig kan worden geacht, terwijl deze door een gebied loopt waarvan verweerder aanneemt dat zich daar de uitzonderlijke situatie voordoet dat een vreemdeling louter door zijn aanwezigheid aldaar gevaar loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat de overgelegde kaart van Mogadishu, wat de status hiervan ook zij, een weergave is van de situatie ten tijde van de tekening van de kaart. Gelet op de - ook volgens het hierna vermelde ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2011 nog steeds - wisselende beheersing door de strijdende partijen van de verschillende gebiedsdelen is de rechtbank er niet van overtuigd dat de op de kaart ingekleurde en gearceerde gebieden niet aan verandering onderhevig zijn, zodat er niet van uit kan worden gegaan dat de veiligheidssituatie in Mogadishu na het vervaardigen van de kaart niet is gewijzigd. Alleen al hierom heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser via de ter zitting aangegeven route veilige toegang tot het gestelde vestigingsalternatief kan verkrijgen. Daar komt bij dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat de weg naar Afgooye deels in handen van de TFG troepen en deels in handen van de Al Shabaab is, waarbij niet wordt uitgesloten dat op een deel van de weg strijd wordt geleverd.

In aanvulling hierop wijst de rechtbank nog op de informatie in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2011 waarin de volgende passages zijn opgenomen (pagina 22):

"Gedurende de gehele verslagperiode was de veiligheidssituatie in geheel Mogadishu onverminderd slecht. Er werd vrijwel op dagelijkse basis gevochten tussen AMISOM troepen en - in mindere mate - TFG troepen enerzijds en Al Shabaab troepen anderzijds. Alle partijen maakten gebruik van zware wapens als artillerie, mortieren en bermbommen. Aan beide zijden vonden aanvallen plaats zonder aanzien des persoons, waardoor bijna dagelijks burgerslachtoffers vielen".

"Het is niet mogelijk een duidelijk onderscheid te maken tussen de

veiligheidssituaties in diverse wijken in Mogadishu. In de verslagperiode is veel - maar niet uitsluitend - gevochten in de districten Boondheere, Hawl Wadaag en Hodan. De Bakara-markt in Hawl Wadaag is een van de plekken waar veel burgerslachtoffers vielen".

9.8 Ten aanzien van de onder c geformuleerde voorwaarde overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiser verwacht kan worden dat hij zich in Zuid- en Centraal-Somalië vestigt. Eiser behoort tot de Hawiye-clan en niet tot een minderheidsclan, zodat volgens verweerder kan worden verondersteld dat er een gebied is binnen Zuid- en Centraal-Somalië waar eiser zich redelijkerwijs kan vestigen. Hoewel de situatie in Zuid- en Centraal-Somalië zorgwekkend is, is die volgens verweerder niet zo ernstig dat eiser zich aldaar niet zal kunnen handhaven.

Eiser heeft daartegen ingebracht dat de situatie in Zuid- en Centraal-Somalië onverminderd slecht is wat betreft de veiligheidssituatie en de humanitaire omstandigheden. Eiser wijst onder meer op de standpunten en rapportages van Vluchtelingnewerk Nederland van 20 april 2011 en van 12 mei 2011, de VN Veiligheidsraad, Human Rights Watch en de UNHCR.

De rechtbank overweegt dat in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 20 september 2010 de volgende passages staan vermeld (pagina's 29, 33 en 38):

"Zuid- en Centraal-Somalië

De veiligheidssituatie in geheel Zuid- en Centraal-Somalië was in de verslagperiode onverminderd slecht. Geregeld vonden in Zuid- en Centraal-Somalië gevechten plaats tussen TFG troepen, AMISOM en aan de TFG gelieerde milities als Ahlu-Sunna w'al-Jama'a en delen van de voormalige UIC enerzijds tegen Al Shabaab, Hizbul Islam en gelieerde milities anderzijds, die onderling ook strijd leverden. Bij deze gevechten vielen geregeld burgerslachtoffers. UNHCR meldt dat er in de eerste zeven maanden van 2010 meer burgerslachtoffers [waren] dan in dezelfde periode van het voorgaande jaar."

"In Zuid- en Centraal-Somalië is bescherming door clans in verminderde mate mogelijk. Hieraan ligt een aantal oorzaken ten grondslag. Zo melden bronnen dat traditionele clansystemen onder druk zijn komen te staan. Ook is de invloed van clanoudsten op veel plaatsen verminderd of zelfs verdwenen. Voorts zijn gezien de humanitaire omstandigheden, de aard van het geweld en de hieruit voortvloeiende migratie de praktische mogelijkheden tot het bieden van bescherming beperkt."

"Humanitaire omstandigheden

In de verslagperiode waren de humanitaire omstandigheden in geheel Somalië slecht. In de eerste periode van 2010 waren circa 3,2 miljoen mensen afhankelijk van noodhulp. In het grootste gedeelte van Zuid- en Centraal-Somalië bestond een tekort aan voedsel. Door de slechte gezondheidszorg en onhygiënische omstandigheden braken geregeld besmettelijke ziekten als cholera, mazelen en meningitis uit. Oorzaken van de slechte humanitaire situatie in Somalië zijn naast de voedselsituatie de voortdurende slechte veiligheidssituatie, hoge voedselprijzen, overstromingen en economische crisis. Als gevolg van de slechte humanitaire omstandigheden zijn in de verslagperiode veel mensen op de vlucht geslagen.

De humanitaire hulporganisaties en mensenrechtenorganisaties werden door de slechte veiligheid belemmerd in het uitvoeren van hun taken. Zoals eerder vermeld waren hulpverleners dikwijls het doelwit van gerichte moordaanslagen en ontvoeringen. Het World Food Programme schortte haar activiteiten op in het grootste gedeelte van Zuid- en Centraal-Somalië".

De rechtbank overweegt dat het recente algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2011 (pagina's 23, 25 en 29) geen verbetering laat zien ten opzichte van het eerdere ambtsbericht van 20 september 2010.

9.9 De formulering van de voorwaarde van WBV 2010/18 onder c, luidt onder meer "van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft". De toelichting die verweerder op deze voorwaarde geeft in WBV 2010/18 is dat de vreemdeling een leven moet kunnen leiden onder omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De levensomstandigheden mogen in het gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie. Verweerder heeft in zijn standpunt van 17 februari 2011 en van

8 maart 2011 de informatie over de humanitaire situatie, almede over de afnemende clanbescherming in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken genoemd, maar concludeert desondanks dat eiser zich in het beoogde gebied moet kunnen handhaven. Waar verweerder dit standpunt op baseert, is niet duidelijk. Verweerder noemt daarvoor geen overtuigende argumenten. In het licht van bovenstaande passages uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 20 september 2010 en van mei 2011 en de overige informatie die namens eiser is aangedragen, met verwijzingen naar het standpunt van de VN en de UNHCR, is die motivering ontoereikend. Indien alle omstandigheden die uit deze informatie naar voren komen in samenhang worden bezien, is niet inzichtelijk geworden hoe van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in een dergelijk gebied vestigt en redelijkerwijs aldaar kan verblijven. Daarbij is in aanmerking genomen dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat sprake is van een reëel alternatief, en dat op die grond een verblijfsvergunning aan eiser kan worden onthouden.

10 Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet gedragen kan worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Gelet hierop behoeft hetgeen eiser verder heeft aangevoerd geen bespreking.

11 Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard.

12 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van het beroep, vastgesteld op € 1.529,50 (1 punt voor het beroepschrift, een halve punt voor de nadere reactie en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,= en wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit van 14 juni 2010;

3 bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.529,50.

Aldus vastgesteld door mr. A.P. Pereira Horta, mr. D. Biever, mr. G.F. van der Linden- Burgers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L.E.H. Niemeijer-van Dongen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).