Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1306

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
11/18349
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag, Irak, bekeerling, christenen, WBV 2009/26, bekeringsactiviteiten, ambtsbericht

Verzoeker heeft zijn bekering met originele documentent en zijn afgelegde verklaringen in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt. Niet is op voorhand uitgesloten dat het aangevoerde kan afdoen aan het eerdere besluit. Verweerder is terecht getreden in een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag.

Nu verzoeker in de onderhavige procedure omtrent de geloofwaardigheid van het relaas geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, staat in rechte vast dat niet aannemelijk is dat verzoeker in Irak problemen heeft ondervonden om andere redenen dan zijn geloofsovertuiging, zodat het beroep op WBV 2009/26 faalt.

In tegenstelling tot het algemeen ambtsbericht inzake Iran van oktober 2010, waaruit blijkt dat christenen die bekeringsactiviteiten ontplooien in de negatieve belangstelling staan van de Iraanse autoriteiten, is in het algemeen ambtsbericht inzake Irak van oktober 2010 niets over het risico vanwege bekeringsactiviteiten opgenomen. Verzoeker heeft evenmin zijn stelling dat hij te vrezen heeft vanwege het evangeliserende karakter van zijn geloof nader onderbouwd, zodat niet plausibel is dat verzoeker om die reden gegronde vrees heeft voor vervolging.

Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende blijk gegeven van de problemen die christenen in Irak ondervinden, onafhankelijk van de vraag of deze christenen bekeringsactiviteiten uitoefenen, waarbij wordt verwezen naar het ambtsbericht inzake Irak van oktober 2010, paragraaf 3.4.10.3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 11/18349 (voorlopige voorziening)

Awb 11/18347 (beroep)

Uitspraak

in het geding tussen:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum],

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], verzoeker,

gemachtigde mr. A.M. Westerhuis, advocaat te Drachten;

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. M.A. Vonk,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 20 mei 2011 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 30 mei 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij brief van 30 mei 2011 is daartegen beroep ingesteld. Verzoeker mag de behandeling daarvan niet in Nederland afwachten. Bij verzoek van 30 mei 2011 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. Het verzoek is voorzien van gronden bij brief van 15 juni 2011.

Het verzoek is ter zitting van 21 juni 2011 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere inlichtingen met betrekking tot de doopakte van verzoeker te verschaffen. De gemachtigde van verzoeker heeft bij brief van 22 juni 2011 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Verweerder heeft op 28 juni 2011 nadere documenten overgelegd, waaronder de doopakte van verzoeker. Nadat partijen toestemming hebben verleend het verzoek zonder nadere zitting af te doen, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden.

Als na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, verzet het algemene rechtsbeginsel dat niet meermalen wordt geoordeeld over eenzelfde zaak zich ertegen dat de rechter dit besluit beoordeelt als een eerste besluit. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kan dat besluit door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders als zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden voordoen die nopen tot afwijking van dit rechtsbeginsel.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, evenals bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toets rechtvaardigen, als op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en overwegingen waarop dat berust.

2.2 Verzoeker heeft eerder een asielaanvraag ingediend op 20 juni 2008. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 19 november 2009 om reden dat verweerder het relaas van verzoeker wegens het ontbreken van positieve overtuigingskracht ongeloofwaardig heeft bevonden. Bij uitspraak van 14 februari 2011 (Awb 09/45361) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, is het besluit in rechte komen vast te staan.

2.3 Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoeker ter zitting aangegeven dat enkel de bekering van verzoeker tot het christendom in Nederland als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid aan de opvolgende aanvraag ten grondslag ligt. Als gevolg van deze bekering heeft verzoeker gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en loopt hij een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer naar Irak. Ter onderbouwing heeft verzoeker bij zijn aanvraag een doopcertificaat van de Bethelkerk van 14 maart 2011 overgelegd en ter zitting een originele verklaring van de Raad van Oudsten van de Bethelkerk van 17 juni 2011 overgelegd, waaruit blijkt dat hij actief deel uitmaakt van de gemeente.

2.4 Omdat uit het dossier niet duidelijk bleek of het door verzoeker bij zijn aanvraag overgelegde doopcertificaat origineel was en dit ook ter zitting niet vast is komen te staan, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek ter terechtzitting geschorst om verzoeker in de gelegenheid te stellen het originele doopcertificaat aan de voorzieningenrechter te tonen. Het doopcertificaat bleek zich bij verweerder te bevinden. Verweerder heeft het doopcertificaat aan de voorzieningenrechter getoond waarna deze heeft vastgesteld dat verzoeker een origineel doopcertificaat aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

2.5 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker zijn bekering tot het christendom in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt. De voorzieningenrechter baseert zich voor dit oordeel op de door verzoeker overgelegde originele documenten, waaruit blijkt dat hij op 28 november 2010 is gedoopt in de Bethelkerk te Drachten, en op de door verzoeker afgelegde verklaringen in het rapport van gehoor opvolgende aanvraag van 20 mei 2011.

2.6 De bekering van verzoeker is een gebeurtenis die na het besluit van 19 november 2009 heeft plaatsgevonden en de voorzieningenrechter is van oordeel dat de bekering een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is in de zin van rechtsoverweging 2.1, omdat niet op voorhand is uitgesloten dat het aangevoerde kan afdoen aan het eerdere besluit. Verweerder is terecht getreden in een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit dan ook inhoudelijk toetsen.

2.7 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in de eerdere procedure het asielrelaas van verzoeker ongeloofwaardig is bevonden en verzoeker daarom niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2009/26. Het is niet aannemelijk dat de familie van verzoeker of anderen in Irak, waaronder de autoriteiten, op de hoogte zouden zijn van de bekering. Met betrekking tot de risico’s voor christenen in Irak overweegt verweerder dat van verzoeker mag worden verwacht dat hij zich terughoudend opstelt waar het betreft het verrichten van bekeringsactiviteiten. Dat hij dergelijke activiteiten dient te vermijden om geen onnodig risico te lopen, levert weliswaar een beperking op, maar geen dusdanige beperking dat reeds daarom moet worden geconcludeerd dat terugkeer strijdig zou zijn met artikel 3 van het EVRM.

2.8 Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het WBV 2009/26, omdat hij in Irak problemen heeft ondervonden om andere redenen dan zijn nieuwe geloofsovertuiging. In de eerdere procedure is zijn asielrelaas ongeloofwaardig geacht, maar dit is slechts een juridisch standpunt om zijn asielaanvraag af te kunnen wijzen.

Volgens het WBV 2009/26 is ten aanzien van Iraakse christenen die, zoals verzoeker, in Nederland zijn bekeerd tot het christendom paragraaf C2/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 van toepassing.

Uit het WBV 2009/26 volgt tevens dat in Nederland bekeerde christenen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 in aanmerking kunnen komen voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit beleid niet onredelijk. In de eerdere procedure is in rechte vast komen te staan dat verweerder verzoekers asielrelaas in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Nu verzoeker in de onderhavige procedure hieromtrent geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, staat in rechte vast dat niet aannemelijk is dat verzoeker in Irak problemen heeft ondervonden om andere redenen dan zijn geloofsovertuiging. Het beroep van verzoeker op het bepaalde in het WBV 2009/26 faalt daarom.

2.9 Verder heeft verzoeker betoogd dat het evangeliserende karakter van de geloofsgemeenschap van de Bethelkerk te Drachten, een vrije baptistengemeente, maakt dat hij het evangelie ook in Irak dient uit te dragen. Als gevolg hiervan heeft hij gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en loopt hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

Daargelaten de vraag of het met het Vluchtelingenverdrag in overeenstemming is om van verzoeker te verwachten dat hij zich terughoudend opstelt met betrekking tot het verrichten van bekeringsactiviteiten - gelet op het feit dat godsdienst één van de limitatieve vervolgingsgronden is op grond waarvan het Vluchtelingenverdrag juist bescherming biedt en dat evangelisatie binnen bepaalde godsdienstige overtuigingen tot de essentie van het geloof behoort - overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat verzoeker vanwege het evangeliserende karakter van zijn geloof meer te vrezen heeft dan christenen die hun geloof niet op deze wijze uiten. In tegenstelling tot het algemeen ambtsbericht inzake Iran van oktober 2010, waaruit blijkt dat christenen die bekeringsactiviteiten ontplooien in de negatieve belangstelling staan van de Iraanse autoriteiten, is in het algemeen ambtsbericht inzake Irak van oktober 2010 niets over het risico vanwege bekeringsactiviteiten opgenomen. Verzoeker heeft evenmin zijn stelling dat hij te vrezen heeft vanwege het evangeliserende karakter van zijn geloof nader onderbouwd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook niet plausibel dat verzoeker om die reden gegronde vrees heeft voor vervolging.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen overweegt de voorzieningenrechter dat voorts niet is gebleken dat verzoeker vanwege het evangeliserende karakter van zijn geloof bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM.

2.10 Ten slotte heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat christenen in Irak moeten worden aangemerkt als een bevolkingsgroep die in zijn geheel voor vervolging te duchten heeft of als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen. Verzoeker heeft hiertoe onder meer gewezen op de volgende documenten:

- een rapport over Irak van de United States Commission on International Religious Freedom van december 2008;

- de UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum-seekers van april 2009;

- een rapport van de United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs van 6 maart 2010;

- het algemeen ambtsbericht inzake Irak van 27 oktober 2010.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende blijk gegeven van de problemen die christenen in Irak ondervinden, onafhankelijk van de vraag of deze christenen bekeringsactiviteiten uitoefenen. In het voormelde ambtsbericht inzake Irak van oktober 2010 staat in paragraaf 3.4.10.3 als volgt vermeld:

“Hoewel zowel de Iraakse federale overheid als de KRG over het algemeen deze grondwettelijke bepalingen respecteerden, werd de positie van religieuze minderheidsgroepen, waaronder naast christenen, yezidi’s en mandeeërs

ook Shabak, kaka’i en joden, in Centraal-Irak gedurende de verslagperiode ernstig

ondermijnd door gewapende groeperingen. (…) Over het algemeen waren de

autoriteiten in Centraal-Irak gedurende de verslagperiode niet in staat aan burgers voldoende bescherming te bieden tegen gericht dan wel willekeurig geweld.”

Uit deze passage blijkt dat de positie van christenen gedurende de verslagperiode ernstig werd ondermijnd en de autoriteiten in Centraal-Irak niet in staat zijn aan burgers voldoende bescherming te bieden tegen geweld. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen volstaan met de overweging dat niet gebleken is dat anderen in Irak op de hoogte zijn van de bekering van verzoeker tot het christendom en dat verzoeker zich terughoudend kan opstellen ten aanzien van het uitoefenen van bekeringsactiviteiten. Verweerder heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd dat verzoeker enkel vanwege zijn bekering tot het christendom geen gegronde vrees voor vervolging heeft.

Ten aanzien van het beroep op artikel 3 van het EVRM overweegt de voorzieningenrechter dat gelet op vorenstaande overweging verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat verzoeker bij terugkeer naar Irak geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM enkel vanwege zijn bekering tot het christendom.

2.11 Het bestreden besluit is onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd en zal daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.12 Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen.

2.13 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 1311,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--; wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 30 mei 2011;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1311,= , te voldoen aan verzoeker;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Loenen, rechter, en door deze en G.E. Russcher als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.