Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1287

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
Awb 10/28846
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gedragingen en handelingen waarmee eiser in verband wordt gebracht zijn moord, deportatie, marteling en/of foltering en de verdwijning van personen. Eiser heeft hierover verklaard tijdens het nader gehoor.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor de beantwoording van de vraag of de gedragingen van eiser als oorlogsmisdrijf of misdrijf tegen de menselijkheid moeten worden aangemerkt, zich mede heeft kunnen baseren op verdragen op het gebied van het internationaal strafrecht die dateren van na de periode waarin eiser die gedragingen heeft begaan. Dat is inherent aan de aard van deze schendingen (van absolute en wereldwijd verankerde normen) en van het feit dat het vastleggen van deze normen een proces in ontwikkeling is, waaraan een dynamisch karakter inherent is.

Verweerder heeft eiser terecht in verband gebracht met gedragingen en handelingen die moeten worden aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gedragingen van eiser terecht heeft aangemerkt als gepleegd als onderdeel van een stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking en terecht heeft geconcludeerd dat eiser kennis had van deze aanval.

De wijze van optreden van het ELF tegenover mogelijke tegenstanders van de onafhankelijkheid onder de bevolking, was structureel (eiser heeft zijn functie van verklikker o.a. jarenlang vervuld), gebaseerd op een uitgebreid en uitgewerkt systeem van regels en codes, terwijl het de bedoeling was die tegenstanders met die geweldsuitoefening te elimineren.

Eisers verklaringen in de gehoren bieden een afdoende basis voor deze conclusie. In het aanvullend gehoor van 4 februari 2010 (pagina 11) heeft eiser toegegeven dat vaak grote groepen studenten en boeren door het ELF zijn gedood, en dat hij daarvan had gehoord. Eiser heeft jarenlang werkzaamheden verricht voor deze organisatie zoals hierboven aangegeven.

Verweerder heeft het conflict in Eritrea terecht aangemerkt als een intern gewapend conflict. Verweerder heeft dan ook de gedragingen van eiser kunnen aanmerken als één of meer misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven zoals bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag.

Deze misdrijven houden een overschrijding in van een norm van dwingend internationaal recht, terwijl deze norm onder geen enkele omstandigheid een afwijking toelaat. Het begaan van dergelijke misdrijven mag dan ook nooit worden aangewend als middel om welke doelstelling dan ook te realiseren. Dat brengt met zich mee dat een dergelijk misdrijf nooit kan worden aangemerkt als een politiek misdrijf. Dat betekent dat verweerder de gedragingen van eiser heeft kunnen aanmerken als ernstige, niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.

Tevens moet worden geconcludeerd dat eiser door zijn werkzaamheden voor het ELF zoals hierboven gememoreerd, wezenlijk heeft bijgedragen aan het plegen van deze misdrijven. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser aan het plegen van die misdrijven persoonlijk heeft deelgenomen en dat hij hiervoor persoonlijk verantwoordelijk moet worden gehouden.

Ten aanzien van het beroep van eiser op de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld die verweerder hadden moeten nopen om van zijn beleid af te wijken. Eisers stelling dat hij zijn straf reeds heeft uitgezeten, treft geen doel nu niet is aangetoond waarvoor hij een straf heeft uitgezeten en zoals reeds vermeld, dit niet wegneemt dat eiser de hem verweten gedragingen heeft gepleegd. Het feit dat de gedragingen veertig jaar geleden zijn verricht, doet niets af aan de ernst van de misdrijven en is verdisconteerd in het beleid.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 10/28846 BEPTDN – T3

V-nummer [nummer]

Inzake: [naam], eiser,

gemachtigde mr. H.C. van Asperen, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. T.J.W. Visser.

I Procesverloop

1 Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Eritrese nationaliteit. Op 17 juli 2009 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op 2 juni 2010 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot afwijzing van de aanvraag. Op 5 juni 2010 heeft eiser zijn zienswijze hierop naar voren gebracht. Bij besluit van 20 juli 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2 Op 16 augustus 2010 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 maart 2011. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen I.N. Moushssen, tolk Tigrinja.

II Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 1A, tweede onderdeel, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

1.2. Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, voor zover hier van belang, zijn de bepalingen van het verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

1.3. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder l, van de Vw 2000, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is.

1.4. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag als vorenbedoeld afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gebaseerd op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

1.5. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verlening van een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

1.6. Volgens onderdeel C4/3.11.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt de aanvraag afgewezen op grond van het gegeven dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, indien ten aanzien van de vreemdeling ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

1.7. Verweerder stelt zich - samengevat en zakelijk weergegeven - op het volgende standpunt. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder k, van dat artikel. Verweerder legt hieraan ten grondslag dat eiser verantwoordelijk wordt gehouden voor handelingen en gedragingen zoals bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Eiser was lid van het Eritrean Liberation Front (ELF) en heeft inlichtingenwerkzaamheden voor het ELF verricht. Op grond van de door eiser verstrekte inlichtingen zijn er door het ELF personen opgepakt, mishandeld en gedood. Dat die gedragingen veertig jaar geleden zijn begaan, doet niets af aan de ernst van de feiten. Daarnaast geldt voor deze misdrijven in het internationaal strafrecht geen verjaringstermijn. Nu artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan eiser wordt tegengeworpen, kan hij ook geen aanspraak maken op toelating op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle betrokken belangen, toch aanleiding bestaat eiser een verblijfsvergunning te verlenen.

Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Hij voert daartoe onder meer aan dat de door hem verrichte handelingen onvoldoende grond opleveren om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegen te werpen. Voorts is eiser van mening dat verweerder ten onrechte geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb heeft aangenomen, aangezien de aan eiser verweten gedragingen veertig jaar geleden zijn verricht en eiser bovendien al is bestraft.

2.1 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.2 De feiten worden niet langer weersproken. Beoordeeld dient te worden of verweerder de aan eiser verweten gedragingen terecht heeft aangemerkt als gedragingen zoals bedoeld in artikel 1 F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag.

2.3 In de periode van 1961 tot 1991 was in Eritrea sprake van een intern gewapend conflict tussen de Ethiopische regeringstroepen en enkele afscheidingsbewegingen, waaronder het ELF, alsmede tussen de diverse afscheidingsbewegingen onderling. Eiser spreekt in zijn eerste gehoor van een onafhankelijkheidsstrijd en later over een bevrijdingsstrijd, maar het betrof in ieder geval een gewapende strijd tegen de toenmalige (Ethiopische) regering en die strijd droeg geen internationaal karakter. Dat wordt bevestigd door de door verweerder overgelegde stukken van Human Rights Watch met als titel "State Repression and Indefinite Conscription in Eritrea" van 16 april 2009, pagina 12, en Africa Watch: Evil Days, pagina's 47 en 48.

Tevens blijkt uit deze stukken dat tijdens die strijd veel burgerslachtoffers zijn gevallen. Eiser heeft gedurende 12 jaar werkzaamheden voor het ELF verricht. In 1975 is hij in verband daarmee aangehouden en zijn die werkzaamheden beëindigd.

Uit eisers verklaringen valt af te leiden dat hij wekelijks aan het ELF rapporteerde over medeburgers, waarna deze medeburgers werden opgepakt, ondervraagd en vaak geëxecuteerd. Eiser moet, volgens verweerder, in verband worden gebracht met aanhoudingen, mishandeling, foltering en executies van vermeende tegenstanders van het ELF in Eritrea.

2.4 De gedragingen en handelingen waarmee eiser in verband wordt gebracht zijn moord, deportatie, marteling en/of foltering en de verdwijning van personen. Eiser heeft hierover verklaard tijdens het nader gehoor op 11 september 2009, pagina's 12-15:

Op pag. 12:

”Welke gevolgen hadden die rapporten precies voor die personen?

Die mensen werden ontvoerd en naar bevrijd gebied gebracht. Daar werden zij ondervraagd.

(…)

Uit uw verklaringen maak ik op dat u tijdens uw werkzaamheden ook wist dat de mensen, over wie u rapporteerde, zouden kunnen worden gedood op basis van uw informatie. Klopt dat?

Ja, de mogelijkheid bestond dat die persoon de doodstraf kon krijgen; dat wist ik.

(…)

Op pag. 13:

Werden mensen ook mishandeld naar aanleiding van uw rapporten?

Ja, dat gebeurde ook.

Wat gebeurde er dan precies?

Zij worden mishandeld tijdens de verhoren. Dat is gebruikelijk. Verhoren gaan altijd met mishandelingen gepaard. Iedereen werd dus mishandeld; alle verdachten.

Wat houden die mishandelingen concreet in?

Zij worden met een heet ijzer op de huid van de voetzolen gebrand.

Vinden verhoren altijd plaats naar aanleiding van uw rapporten?

Ja, altijd.

(…)

Op pag. 15:

Wat weet u over de wijze waarop mensen door het ELF ter dood werden gebracht?

Dat hangt af van het soort misdaden dat die persoon in de ogen van het ELF heeft gedaan. Dit betekent dat het afhankelijk is van de mate waarin die persoon zich tegen de onafhankelijkheidsstrijd heeft gericht. Personen die zich echt enorm hebben misdragen werd de keel doorgesneden. Anderen werden gewoon doodgeschoten.”

Tijdens het aanvullend gehoor 1F van 4 februari 2010 heeft eiser deze verklaringen bevestigd.

2.5 In het Neurenberg-Handvest van 1945 zijn algemene definities gegeven van de misdrijven genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Recentere definities van de begrippen oorlogsmisdrijf en misdrijf tegen de menselijkheid zijn gegeven in het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998 (hierna: Statuut van Rome).

Misdrijven tegen de menselijkheid

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Statuut van Rome wordt voor de toepassing van dit Statuut verstaan onder misdrijf tegen de menselijkheid elk van de volgende handelingen, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval:

a. moord;

d. deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking;

e. gevangenneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht;

f. marteling;

i. gedwongen verdwijning van personen;

k. andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel (voorzover hier van belang) betekent voor de toepassing van het eerste lid:

a. ‘aanval gericht tegen een burgerbevolking’ een wijze van optreden die met zich brengt het meermalen plegen van in het eerste lid bedoelde handelingen tegen een burgerbevolking ter uitvoering of voortzetting van het beleid van een Staat of organisatie, dat het plegen van een dergelijke aanval tot doel heeft;

d. ‘deportatie of onder dwang overbrengen van bevolking’ het onder dwang verplaatsen van personen door verdrijving of andere dwangmaatregelen uit het gebied waarin zij zich rechtmatig bevinden zonder dat daartoe krachtens internationaal recht gronden zijn;

e. ‘marteling’ het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, bij een persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt, met dien verstande dat onder marteling niet wordt verstaan pijn of lijden dat louter het gevolg is van, inherent is aan of samenhangt met rechtmatige sancties;

i. ‘gedwongen verdwijning van personen’ het arresteren, gevangen houden of afvoeren van personen door of met de machtiging, ondersteuning of bewilliging van een Staat of politieke organisatie, gevolgd door een weigering een dergelijke vrijheidsontneming te erkennen of informatie te verstrekken over het lot of de verblijfplaats van die personen, met de opzet hen langdurig buiten de bescherming van de wet te plaatsen.

Verweerder merkt de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht aan als moord, deportatie, marteling en/of foltering en de verdwijning van personen in de zin van artikel 7 van het Statuut van Rome. Voorts concludeert verweerder dat deze gedragingen onderdeel uitmaken van een stelselmatige en of systematische aanval die is gericht tegen de burgerbevolking waarvan eiser kennis had, waardoor deze handelingen, via artikel 7 van het Statuut van Rome, ten aanzien van eiser moeten worden aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1F, aanhef en onder a. van het Vluchtelingenverdrag.

Oorlogsmisdrijven

In artikel 8 van het Statuut van Rome worden oorlogsmisdrijven, in het geval van een gewapend conflict dat niet internationaal van aard is, gedefiniëerd als ernstige schendingen van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève van 1949.

Ingevolge artikel 3 gemeenschappelijk aan de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 (hierna: gemeenschappelijk artikel 3) is in het geval van een gewapend conflict dat niet een internationaal karakter draagt, ieder der partijen bij het conflict ten minste gehouden de daarin vermelde bepalingen toe te passen, welke strekken ter bescherming van personen die niet of, tengevolge van ziekte, verwonding, gevangenschap of anderszins, niet meer aan de vijandelijkheden deelnemen. Ingevolge die bepaling zijn de volgende handelingen, ongeacht het moment en de plaats, ten opzichte van die personen verboden:

a. aanslag op het leven en lichamelijke geweldpleging, in het bijzonder het doden op welke wijze ook, verminking, wrede behandeling en marteling;

b. het nemen van gijzelaars;

c. aanranding van de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling;

d. het uitspreken en tenuitvoerleggen van vonnissen zonder voorafgaande berechting door een op regelmatige wijze samengesteld gerecht dat alle gerechtelijke waarborgen biedt, door de beschaafde volken als onmiskenbaar erkend.

Verweerder merkt de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, aan als ernstige schendingen van genoemd gemeenschappelijk artikel 3 (moord, marteling en foltering), begaan tijdens een intern gewapend conflict, waardoor deze handelingen, via artikel 8 van het Statuut van Rome, moeten worden aangemerkt als oorlogsmisdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder a. van het Vluchtelingenverdrag.

2.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor de beantwoording van de vraag of de gedragingen van eiser als oorlogsmisdrijf of misdrijf tegen de menselijkheid moeten worden aangemerkt, zich mede heeft kunnen baseren op verdragen op het gebied van het internationaal strafrecht die dateren van na de periode waarin eiser die gedragingen heeft begaan. Dat is inherent aan de aard van deze schendingen (van absolute en wereldwijd verankerde normen) en van het feit dat het vastleggen van deze normen een proces in ontwikkeling is, waaraan een dynamisch karakter inherent is.

2.7 Verweerder heeft eiser terecht in verband gebracht met gedragingen en handelingen die moeten worden aangemerkt als misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven.

2.8 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gedragingen van eiser terecht heeft aangemerkt als gepleegd als onderdeel van een stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking en terecht heeft geconcludeerd dat eiser kennis had van deze aanval.

De wijze van optreden van het ELF tegenover mogelijke tegenstanders van de onafhankelijkheid onder de bevolking , was structureel (eiser heeft zijn functie van verklikker o.a. jarenlang vervuld), gebaseerd op een uitgebreid en uitgewerkt systeem van regels en codes, terwijl het de bedoeling was die tegenstanders met die geweldsuitoefening te elimineren.

Eisers verklaringen in de gehoren bieden een afdoende basis voor deze conclusie. In het aanvullend gehoor van 4 februari 2010 (pagina 11) heeft eiser toegegeven dat vaak grote groepen studenten en boeren door het ELF zijn gedood, en dat hij daarvan had gehoord. Eiser heeft jarenlang werkzaamheden verricht voor deze organisatie zoals hierboven aangegeven.

2.9 Verweerder heeft het conflict in Eritrea terecht aangemerkt als een intern gewapend conflict.

2.10 Verweerder heeft dan ook de gedragingen van eiser kunnen aanmerken als één of meer misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven zoals bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag.

2.11 Deze misdrijven houden een overschrijding in van een norm van dwingend internationaal recht, terwijl deze norm onder geen enkele omstandigheid een afwijking toelaat. Het begaan van dergelijke misdrijven mag dan ook nooit worden aangewend als middel om welke doelstelling dan ook te realiseren. Dat brengt met zich mee dat een dergelijk misdrijf nooit kan worden aangemerkt als een politiek misdrijf. Dat betekent dat verweerder de gedragingen van eiser heeft kunnen aanmerken als

ernstige, niet-politieke misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag.

2.12 Tevens moet worden geconcludeerd dat eiser door zijn werkzaamheden voor het ELF zoals hierboven gememoreerd, wezenlijk heeft bijgedragen aan het plegen van deze misdrijven. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser aan het plegen van die misdrijven persoonlijk heeft deelgenomen en dat hij hiervoor persoonlijk verantwoordelijk moet worden gehouden.

2.13 Ten aanzien van het beroep van eiser op de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden gesteld die verweerder hadden moeten nopen om van zijn beleid af te wijken. Eisers stelling dat hij zijn straf reeds heeft uitgezeten, treft geen doel nu niet is aangetoond waarvoor hij een straf heeft uitgezeten en zoals reeds vermeld, dit niet wegneemt dat eiser de hem verweten gedragingen heeft gepleegd. Het feit dat de gedragingen veertig jaar geleden zijn verricht, doet niets af aan de ernst van de misdrijven en is verdisconteerd in het beleid.

2.14 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan eiser heeft tegengeworpen.

3 Het beroep is derhalve ongegrond.

4 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. A. van ’t Laar en mr. A. Pahladsingh, leden, in tegenwoordigheid van C.J.H. Lamens-van den Bulk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 23 juni 2011.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: