Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR0796

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
386702/FT-RK 11-341
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdsduur tot stand brengen minnelijke regeling WSNP. Vanaf de datum dat het toelatingsverzoek WSNP is ingediend tot de uitspraak zijn meer dan 5 maanden verstreken. Gepoogd is slechts om een krediet te verkrijgen. Het verzoek is niet compleet en de schuldpositie is onduidelijk. Er is onvoldoende inspanning gepleegd om tot een minnelijke regeling te komen. Toelatingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rekestnummer: 386702/FT-RK 11-341

uitspraakdatum: 8 juli 2011

RECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE

sector civiel recht - enkelvoudige kamer

[verzoeker],

wonende te [adres],

[postcode en woonplaats],

verzoeker,

heeft op 4 februari 2011 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit verzoek is op 15 april 2011 aangevuld.

Verzoeker heeft zich op 18 januari 2011 bij Zuidweg& Partners (Zuidweg), optredend namens de gemeente Den Haag, gemeld voor schuldhulpverlening, dit nadat tegen hem een faillissementsverzoek was ingediend. Op de bij het verzoek gevoegde crediteurenlijst staat een totaalbedrag van € 48.446,05 concurrent en € 7.845,-- preferent.

Op 4 februari 2011 is vervolgens het toelatingsverzoek ingediend, vergezeld van een zogenoemde art. 285 Fw-verklaring, ondertekend door verzoeker, Zuidweg en de gemeente Den Haag. In de art. 285-verklaring staat vermeld: 'Minnelijk traject gestart? Nee, reden: crediteuren tot voor kort niet bekend'.

Op 8 maart 2011 is de woning van verzoeker executoriaal verkocht. Er is geen restvordering ontstaan.

Daarna ontstaan er tussen verzoeker en Zuidweg misverstanden, welke erin resulteren dat Zuidweg op 8 april 2011 het dossier sluit omdat verzoeker de gevraagde stukken, ondanks herhaalde verzoeken, niet heeft ingestuurd.

Nadat de misverstanden waren opgelost, heeft verzoeker op 12 en 15 april 2011 de stukken alsnog aangeleverd. Tevens is door verzoeker geregeld dat bij de GKB te Den Haag een aanvraag voor een zogenoemd WBZ-krediet met spoed zou worden behandeld.

Het verzoekschrift is op 22 april 2011 ter zitting behandeld. De behandeling van het verzoek is 10 weken aangehouden tot de pro forma-zitting van 1 juli 2011, teneinde verzoeker in de gelegenheid te stellen duidelijkheid te verschaffen over het minnelijk traject en de gang van zaken rond de aanvraag van het WBZ-krediet.

Op 28 juni 2011 heeft de rechtbank een ongedateerde brief met bijlagen van verzoeker ontvangen. Bij die brief zijn bijlagen gevoegd, die alle dateren van 15 april 2011.

De rechtbank heeft vervolgens ter (pro forma) zitting van 1 juli 2011 de uitspraak bepaald op heden.

Uit de ongedateerde brief van verzoeker die de rechtbank op 28 juni 2011 heeft ontvangen, blijkt het volgende:

- Ondanks dat verzoeker diverse documenten heeft aangeleverd aan de Dienst SZW, afdeling Zelfstandigen, is er niets mee gebeurd;

- Verzoeker heeft per 1 april 2011 een onderneming opgezet, een bedrijf in [bedrijfsactiviteit];

- Door Zuidweg wordt niets ondernomen; zij willen eerst een lening krijgen van de GKB en pas dan de schuldeisers een voorstel doen.

De rechtbank constateert dat er sinds de zitting van 22 april 2011 niets is gebeurd.

De rechtbank is van oordeel dat uit het beschreven tijdsverloop, de in de verstreken periode ondernomen activiteiten en de tijdstippen waarop die activiteiten hebben plaatsgevonden, namelijk telkens kort voordat er een zitting gepland stond, volgt dat het verzoek thans moet worden afgewezen.

rekestnummer: 386702/FT-RK 11-341

Het komt de rechtbank voor dat verzoeker, dan wel, ten behoeve van verzoeker, Zuidweg, zich onvoldoende heeft ingespannen om met alle schuldeisers tot een regeling van de schulden te komen en dat ook overigens de vraag gesteld kan worden in hoeverre verzoeker daadwerkelijk aanstuurt op een schuldregeling of dat het hem er slechts om te doen is een toelatingsverzoek te doen teneinde een krediet te regelen en de behandeling van de faillissementsaanvraag te vertragen.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de inspanningen die de schuldhulpverlenende instelling moet leveren naar de Gedragscode Schuldregeling van de NVVK (hierna: de gedragscode), welke voor de schuldhulpverlenende instelling blijkens artikel 11.1 van die gedragscode bindend is. De gedragscode gaat er - blijkens de daarbij behorende toelichting - onder meer van uit dat binnen 120 dagen na ondertekening van de overeenkomst tot schuldregeling duidelijk moet worden of een schuldregeling voor de schuldenaar kan worden opgezet. Hoewel de stukken in de thans voorliggende zaak niet duidelijk maken op welke datum er sprake was van een ondertekende overeenkomst tot schuldregeling, houdt de rechtbank het er op basis van de beschikbare gegevens op dat deze op of omstreeks 4 februari 2011 tot stand moet zijn gekomen. Nadat op 4 februari 2011 het verzoek bij de rechtbank was ingediend en op 15 april 2011 de crediteuren waren geïnformeerd, is immers op de datum van deze uitspraak, 8 juli 2011, nog niets ondernomen om tot een schuldregeling te komen. Deze termijn (van 4 februari 2011 tot 8 juli 2011, iets meer dan 5 maanden) verhoudt zich geenszins tot de in de gedragscode opgenomen 120-dagen-termijn. Daarbij komt dat verzoeker in zijn brief van 28 juni 2011 slechts uitgebreid ingaat op zijn vanaf 1 april 2011 opgestarte onderneming en er geen blijk van geeft in te zien dat het drijven van een onderneming in de schuldsanering in beginsel niet mogelijk is, maar dat er een sollicitatieplicht geldt. Niet is gebleken dat verzoeker naast zijn onderneming ook solliciteert naar werk in loondienst. Verzoeker heeft gelet op het niet solliciteren vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Voor het overige stelt de rechtbank vast dat de gegevens over de schulden onduidelijk zijn. Met name is de hoogte van het totaalbedrag onduidelijk. De 285-verklaring, als vermeld, gaat uit van in totaal € 56.291,05. De bij de stukken gevoegde BBZ-aanvraag geeft een ander beeld: onder vraag 9 staat een totaalbedrag van € 32.500,--. Het overzicht schulden bij de brief van 28 juni 2011 (zonder de hypotheek en de achterstand) laat een totaal zien van € 32.054,52. De uitkeringsaanvraag (vraag 8) spreekt echter van € 100,000,-- (zakelijk krediet). Het is de rechtbank onduidelijk gebleven voor welke schulden verzoeker nu toelating verzoekt, wanneer iedere schuld is ontstaan en wie daarvoor aangesproken kan worden. Het is niet de taak van de rechtbank om orde aan te brengen in de schulden en een kloppend en compleet schuldenoverzicht voor verzoeker op te stellen, opdat vervolgens kan worden beoordeeld of verzoeker ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden steeds te goeder trouw is geweest.

Langer aanhouden van een beslissing op het voorliggende verzoek heeft naar het oordeel van de rechtbank geen zin en dient noch de belangen van verzoeker, noch die van de schuldeisers, waaronder de aanvrager van het faillissement. Er is immers geen enkel zicht op de termijn waarop uitsluitsel zal kunnen worden gegeven over de vraag of een krediet kan worden verkregen dan wel of met de middelen die door dat krediet vrijkomen dan een minnelijke regeling tot stand kan worden gebracht Het verzoek is aldus ook nog thans - meer dan 5 maanden na indiening - onvoldoende met redenen omkleed.

Ter voorlichting van verzoeker merkt de rechtbank nog op dat hij opnieuw een verzoek kan doen om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Daartoe is dan wel vereist dat er, als er geen minnelijke regeling tot stand gekomen is, door of namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van verzoeker tegelijk met het verzoekschrift een met reden omklede verklaring wordt ingediend waaruit blijkt dat verzoeker tevergeefs poging(en) heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen en dat uit die poging(en) is gebleken dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot zo een regeling te komen.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient thans te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van:

[verzoeker],

wonende te [adres],

[postcode en woonplaats].

Gewezen door mr. D.R. van der Meer, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2011 in tegenwoordigheid van N.M. Somar, griffier.

De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat en procureur worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.