Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR0778

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/17303
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 59 Vw 2000 / zicht op uitzetting / China.

In november 2010 is met de Chinese autoriteiten gesproken en op 22 maart 2011 is er op hoog ambtelijk niveau met elkaar gesproken. In week 16 heeft er op operationeel niveau onderhoud plaatsgevonden en op 4 mei 2011 is er wederom op hoog ambtelijk niveau met elkaar gesproken en is tevens gesproken over een vervolgafspraak. Alhoewel de Nederlandse overheid de nodige inspanningen levert om van de Chinese autoriteiten laissez passer te verkrijgen, constateert de rechtbank dat de diverse overleggen tot op heden niet aantoonbaar tot resultaat, dan wel toezegging daartoe, hebben geleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet langer gezegd kan worden dat zicht op uitzetting bestaat indien verweerder voor die uitzetting is aangewezen op een laissez-passertraject en daarmede de medewerking van de Chinese autoriteiten.

Dit betekent echter niet dat daarmee vaststaat dat verweerder Chinese vreemdelingen thans niet zou kunnen uitzetten. Zicht op uitzetting kan immers wel worden aangenomen indien de Chinese vreemdeling over een document beschikt waarmee verweerder, zonder tussenkomst van de Chinese autoriteiten hier te lande, kan overgaan tot uitzetting naar China. Verweerder dient daarbij aannemelijk te maken dat de vreemdeling in het bezit is van een dergelijk document. Verweerder heeft in onderhavige zaak aan deze bewijslast voldaan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/17303

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser]

geboren op [geboortedatum] 1987, van (gestelde) Chinese nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. P.E. Vos, advocaat te Haarlem,

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.V. van Vegten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Op 14 mei 2011 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.

Bij beroepschrift van 20 mei 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 26 mei 2011. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig W. Zhang als tolk in de taal Mandarijn.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere vragen van de rechtbank ten aanzien van het zicht op uitzetting naar China te beantwoorden. Verweerder heeft per faxbericht van 6 juni 2011 nader inlichtingen verstrekt. Eiser heeft per faxbericht van eveneens 6 juni 2011 hierop gereageerd.

Het onderzoek is vervolgens, met toestemming van beide partijen, zonder nader zitting gesloten.

Overwegingen

1.1 Eiser voert aan dat er ten tijde van eisers overdracht vanuit het strafrecht geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De staandehouding van eiser is daardoor onrechtmatig, aldus eiser.

1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser in het kader van het strafrecht is gevraagd naar zijn identiteit. Een strafrechtelijk voortraject staat niet ter toetsing. Vervolgens is eiser overgedragen op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000.

1.3 De rechtbank stelt vast dat eiser op 13 mei 2011 strafrechtelijk is aangehouden. Na onderzoek ter zake overtreding van een strafbaar feit is eiser door een (hulp)officier van Justitie strafrechtelijk heengezonden en direct aansluitend op grond van artikel 50, tweede en derde lid, van de Vw 2000 overgebracht naar de Vreemdelingenpolitie.

Nu er geen vreemdelingenrechtelijke staandehouding heeft plaatsgevonden - eiser is immers voorafgaand aan de thans ter toetsing voorliggende inbewaringstelling vanuit een strafrechtelijk voortraject direct vreemdelingenrechtelijk opgehouden zonder eerst te zijn staandegehouden - kan er van een onrechtmatige staandehouding wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf geen sprake zijn. Voorts heeft eiser niet gesteld dat zich ten tijde van de overbrenging en ophouding niet de situatie voordeed als bedoeld in artikel 50, tweede dan wel derde lid, van de Vw 2000. De beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

2.1 Eiser voert verder aan dat zicht op uitzetting naar China ontbreekt. Eiser verwijst hierbij naar uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 27 april 2011 (LJN: BQ3102), nevenzittingsplaats Groningen, van 3 mei 2011 (AWB 11/12386) en, zo begrijpt de rechtbank eiser, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 19 mei 2011 (LJN: BQ5262).

2.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zicht op uitzetting niet ontbreekt. Verweerder verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 17 mei 2011 (201101051/1), een tweetal uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 13 mei 2011 (AWB 11/15299 en AWB 11/14006) en naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, van 20 mei 2011 (LJN: BQ5592), alsook dat er in week 16 op operationeel niveau gesproken is met de Chinese ambassade en op 4 mei 2011 op hoog ambtelijk niveau een onderhoud heeft plaatsgevonden met de Chinese ambassadeur. Tijdens dit laatste overleg is tevens gesproken over een vervolgafspraak om verder over het laissez passer proces te spreken.

2.3.1 Met eiser is de rechtbank van oordeel dat niet langer gezegd kan worden dat zicht op uitzetting bestaat indien verweerder voor die uitzetting is aangewezen op een laissez-passertraject en daarmede de medewerking van de Chinese autoriteiten, en overweegt daartoe als volgt.

2.3.2 Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 19 mei 2011 (LJN: BQ5262, r.o. 2.2.2.1) volgt dat verweerder in de periode van 1 januari 2010 tot en met 28 april 2011 circa 300 laissez-passeraanvragen heeft ingediend bij de Chinese autoriteiten en dat circa 15 van deze aanvragen onderbouwd zijn met documenten, zoals onder meer kopieën van een paspoort, identiteitskaart en/of een reisdocument. Deze circa 15 aanvragen zijn thans nog in behandeling.

2.3.3 De rechtbank brengt in herinnering dat zich reeds eerder problemen hebben voorgedaan met het door de Chinese autoriteiten aan verweerder verstrekken van laissez passer ten behoeve van Chinese vreemdelingen. Zo hebben de Chinese autoriteiten in de periode april 2007 tot juni 2008 geen laissez passer verstrekt ten behoeve van (on)gedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Dit vormde destijds aanleiding om zicht op uitzetting naar China niet langer aan te nemen indien daarvoor de medewerking van de Chinese autoriteiten was vereist (o.m. AbRS 5 september 2008, LJN: BE9987). Als gevolg van deze problematiek is er sinds 2008 op meerdere niveaus gesproken tussen vertegenwoordigers van de Nederlandse en de Chinese overheid. Dit resulteerde in het verstrekken van een laissez passer in zowel september als oktober 2008 alsmede 17 laissez passer in juni 2010. In de verstrekking van deze 17 laissez passer zag de Afdeling een structurele verandering in de opstelling van de Chinese autoriteiten en werd zicht op uitzetting naar China in zijn algemeenheid weer aangenomen (AbRS 9 augustus 2010, LJN: BN4049).

2.3.4 De rechtbank stelt vast dat er na de verstrekking van de 17 laissez passer in juni 2010 geen nieuwe laissez passer zijn verstrekt ondanks dat er sprake is van een grote hoeveelheid laissez passer-aanvragen, waarvan 15 gedocumenteerd.

2.3.5 De rechtbank stelt voorts vast dat in november 2010 weer met de Chinese autoriteiten is gesproken over de verstrekking van laissez passer door de Chinese autoriteiten. Voorts is er op 22 maart 2011 op hoog ambtelijk niveau met elkaar gesproken, heeft in week 16 op operationeel niveau een onderhoud plaatsgehad en is men op 4 mei 2011 wederom op hoog ambtelijk niveau bijeen gekomen. Bij deze laatste gelegenheid is tevens gesproken over een vervolgafspraak.

Alhoewel hieruit volgt dat de Nederlandse overheid (wederom) de nodige inspanningen levert om van de Chinese autoriteiten laissez passer te verkrijgen, moet de rechtbank constateren dat de diverse overleggen tot op heden niet aantoonbaar tot resultaat, dan wel toezegging daartoe, hebben geleid.

2.3.6 Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook, mede gelet op de reeds langer bestaande en onder r.o. 2.2.3 weergegeven problematiek, zicht op uitzetting binnen redelijke termijn niet langer worden aangenomen indien daarvoor de medewerking van de Chinese autoriteiten, middels het verstrekken van een laissez passer, is vereist.

2.4 Het voorgaande betekent echter niet dat daarmee vaststaat dat verweerder Chinese vreemdelingen thans niet zou kunnen uitzetten. Zicht op uitzetting kan immers wel worden aangenomen indien de Chinese vreemdeling over een document beschikt waarmee verweerder, zonder tussenkomst van de Chinese autoriteiten hier te lande, kan overgaan tot uitzetting naar China. Uit voornoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingzittingsplaats Rotterdam, van 19 mei 2011, leidt de rechtbank af dat zulks mogelijk is indien de vreemdeling beschikt over een origineel en geldig Chinees paspoort of identiteitskaart.

2.5.1 De vraag ligt derhalve voor of verweerder, op wie de bewijslast terzake het zicht op uitzetting rust, aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in het bezit is, dan wel kan geraken, van een origineel en geldig Chinees paspoort of identiteitskaart.

2.5.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daar in de onderhavige zaak aan voldaan, nu verweerder terecht heeft gewezen op het feit dat eiser vragen over zijn verblijfsadres in Nederland, contacten in Nederland en hoe eiser in zijn inkomen voorziet, niet heeft willen beantwoorden. Nu eiser geen openheid van zaken wil geven over zijn eigen positie, en daarmede de vraag of eiser in het bezit is, dan wel kan geraken, van een origineel paspoort of identiteitskaart, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet kan worden uitgesloten dat eiser, indien hij zijn volledige medewerking verleent, een geldig paspoort of identiteitskaart overlegt. Eisers enkele stelling dat hij niet over een paspoort beschikt kan hieraan niet afdoen.

2.6 De beroepsgrond dat in eisers geval niet kan worden gesproken van het bestaan van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn faalt dan ook.

De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.

3. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in tegenwoordigheid van

J.G.J. Geerlings, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011.

De griffier is buiten staat

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden op:

Conc.: CG

Coll:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.