Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR0683

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/11474 en AWB 11/11475
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

8 EVRM, mvv-vereiste, Nederlandse partner en kinderen, Handvest EU.

Tegenwerping mvv-vereiste en toetsing artikel 8 EVRM en artikelen 7 en 24 EU-Handvest. Nederlandse partner en Nederlandse kinderen.

Geen sprake van objectieve belemmering om gezinsleven in Ghana uit te oefenen ondanks medische problemen Nederlandse partner en ondanks kinderen van Nederlandse nationaliteit van wie de oudste 15 jaar is. Geen schending artikelen 7 en 24 Handvest want het betreft een beperkte periode. Beroep op hardheidsclausule heeft verweerder in redelijkheid kunnen afwijzen. Niet is gebleken dat de partner van eiser geen hulp zou kunnen krijgen op grond van de WMO en de AWBZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 11/11474 (beroep)

AWB 11/11475 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaak tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1968, van Ghanese nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),

gemachtigde: mr. A.C. de Klerk, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Söylemez, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 24 april 2009 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “medische behandeling” afgewezen. Bij besluit van 25 augustus 2009 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 oktober 2010 (AWB 09/33752 en AWB 09/26920) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 augustus 2009 vernietigd. Bij besluit van 1 april 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Op 4 april 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Bij brieven van 18 april 2011 en 16 mei 2011 heeft eiser de gronden van het beroep en van het verzoek aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig K. Mensah, als tolk in de taal Kri.

De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft een partner, [partner], en met haar twee kinderen, [kind 1] en [kind 2]. Mevrouw [partner] heeft nog een vijftienjarige dochter uit een eerdere relatie, [kind 3]. Mevrouw [partner] en de drie kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Mevrouw [partner] krijgt een uitkering van de Dienst Werk en Inkomen en is vanwege gezondheidsklachten ontheven van de actieve sollicitatieplicht tot 31 december 2011.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, wordt het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) niet tegengeworpen indien uitzetting strijd oplevert met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM.

2. Niet in geschil is dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. Evenmin is nog in geschil is dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van zijn medische omstandigheden. In geschil is of eiser moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste in verband met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1 Eiser stelt dat hij moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Er bestaat een objectieve belemmering het gezinsleven in Ghana uit te oefenen. Omdat het noodzakelijk is dat eiser zijn partner ondersteunt, kan van hem niet worden gevraagd om een mvv-aanvraag in Ghana af te wachten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

1. Een brief van de Dienst Werk en Inkomen van 9 februari 2011, waaruit blijkt dat eisers partner opnieuw is vrijgesteld van de sollicitatieplicht tot 31 december 2011.

2. Een verklaring van de huisarts van eisers partner van 31 december 2010, waaruit haar medische problemen blijken. De huisarts verklaart hierin ook dat het van groot belang is dat eiser zijn partner kan ondersteunen.

3. Een verklaring van Basisschool Mobiel waaruit blijkt dat eiser zijn dochter [kind 1] elke dag naar school brengt.

Eiser stelt dat verweerder de medische situatie van zijn partner ten onrechte niet heeft laten onderzoeken door het Bureau Medische Advisering en onvoldoende rekening heeft gehouden met de verklaring van de huisarts. Eiser betwist dat zijn rol binnen het gezin kan worden overgenomen door professionele partijen. In het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) bestaat er niet één voorziening die eiser kan vervangen in onder meer het huishoudelijk werk, de zorg voor de kinderen en de ondersteuning van de partner. Voorts voert eiser aan dat zijn kinderen in Nederland zijn geworteld en ingeburgerd. Ook kan niet worden verwacht dat de vijftienjarige dochter van eisers partner haar moeder naar Ghana volgt en haar sociaal netwerk en bekende wereld in Nederland achterlaat. Bovendien is sprake van een verkapte uitzetting van een Nederlands kind, hetgeen volgens eiser in strijd is met artikel 3, eerste lid, van het vierde protocol van het EVRM.

3.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar dat geen sprake is van inmenging. Eiser heeft nooit rechtmatig verblijf gehad en is het gezinsleven aangegaan in de wetenschap dat hij geen rechtmatig verblijf had. Voorts is er volgens verweerder geen belemmering het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, ondanks de Nederlandse nationaliteit van de partner en de kinderen van eiser.

3.3 De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning een eerste aanvraag betreft en dat eiser niet eerder een verblijfsvergunning heeft gehad. Niet is geschil dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn partner en kinderen.

3.4 De rechtbank volgt niet eisers standpunt dat er een objectieve belemmering bestaat het gezinsleven in Ghana uit te oefenen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de verklaring van de huisarts van 31 december 2010 blijkt weliswaar van medische problemen bij eisers partner en blijkt dat de huisarts van oordeel is dat het van groot belang is dat eiser zijn partner ondersteunt, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat in Ghana geen behandeling bestaat voor de partner van eiser en dat eiser zijn partner niet in Ghana zou kunnen ondersteunen. Eiser heeft dit ook niet anderszins onderbouwd. Niet is gebleken dat eisers partner uitsluitend in Nederland kan worden behandeld. Nu eiser heeft gesteld dat hij vanwege de medische problemen van zijn partner in Nederland moet blijven, is het aan eiser te onderbouwen waarom zijn partner niet mee zou kunnen naar Ghana. Eiser is daarin niet geslaagd. De rechtbank volgt evenmin het betoog van eiser dat zijn kinderen in Nederland zodanig zijn geworteld en ingeburgerd dat dit een objectieve belemmering oplevert. Weliswaar zijn de kinderen van eiser in Nederland geboren en getogen, gelet op hun nog jonge leeftijd van vijf respectievelijk één jaar, is naar het oordeel van de rechtbank nog geen sprake van een dusdanige worteling dat zij niet bij hun ouders in Ghana zouden kunnen vestigen en daar naar school kunnen gaan. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet voldoende is onderbouwd waarom de vijftienjarige dochter van de partner van eiser zich niet zou kunnen vestigen bij haar moeder in Ghana. De enkele stelling dat zij haar daartoe haar sociaal netwerk en bekende wereld in Nederland moet achterlaten is onvoldoende om een objectieve belemmering aan te nemen. De rechtbank is tot slot van oordeel dat ten aanzien van de kinderen geen sprake is van schending van artikel 3, eerste lid, van het vierde protocol van het EVRM, nu geen sprake is van uitzetting. Eisers beroepsgrond slaagt niet. Hieruit volgt dat verweerder terecht het mvv-vereiste aan eiser heeft tegengeworpen.

4.1 Eiser stelt dat zijn kinderen burgers van de Europese Unie zijn en rechten ontlenen aan het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, specifiek aan artikel 7 en artikel 24. Door vast te houden aan een verplicht verblijf van eiser in Ghana ten behoeve van zijn mvv-aanvraag worden deze rechten geschonden.

4.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit een volledige en gemotiveerde belangenafweging is gemaakt, maar dat deze niet in het voordeel van eiser is uitgevallen. Verweerder ziet derhalve geen aanleiding eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste.

4.3 De rechtbank is van oordeel dat eisers kinderen door tegenwerping van het mvv-vereiste niet in de uitoefening van hun EU-burgerrechten worden belemmerd. Eiser dient voor de aanvraag van zijn mvv Nederland slechts voor een beperkte periode te verlaten. Indien zijn partner en kinderen eiser daarbij volgen, kunnen zij na deze periode Nederland opnieuw inreizen en gebruik maken van hun EU-burgerrechten. De beroepsgrond slaagt niet.

5.1 Eiser heeft tot slot en beroep gedaan op artikel 3.71, vierde lid van het Vreemdelingenbesluit (vb) 2000. Op grond hiervan kan verweerder het eerste lid van dit artikel buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hardheidsclausule).

5.2 Eiser stelt dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Uit een bij de gronden van beroep overgelegde verklaring van de school van 9 mei 2011 blijkt dat eiser zijn dochter elke dag naar school brengt. Voorts heeft eiser recente uitkeringspecificaties bijgevoegd, waaruit blijkt dat sprake is van een stabiel basisinkomen van ongeveer € 1000,-- per maand. Verweerder heeft de belangen van de kinderen onvoldoende meegewogen.

5.3 Verweerder ziet geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule. De omstandigheid dat eiser in Nederland een gezin heeft gesticht kan niet tot gevolg hebben dat niet van eiser kan worden gevergd dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst om een mvv aan te vragen. Voorts kunnen de omstandigheden van eisers partner niet leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste, nu dit geen omstandigheden zijn de persoon van eiser betreffen.

5.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van bijzondere en individuele omstandigheden op grond waarvan van eiser niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in zijn land van herkomst indient. Uit de door eiser overgelegde informatie over verstrekkingen vanwege de WMO en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten volgt niet dat de partner van eiser geen aanspraak zou kunnen maken op deze voorzieningen. Voorts is niet gebleken dat de partner van eiser daartoe een aanvraag heeft gedaan. Evenmin is gebleken dat eisers dochter niet op een andere wijze dan door eiser naar school kan worden gebracht. Eisers beroepsgrond slaagt niet.

6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

7. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/11474,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/11475,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.M. Giesen, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MB

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.