Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BR0183

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
09-758430-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in wisselende samenstelling met een of meer medeverdachten ernstige strafbare feiten gepleegd waarbij door verdachte veelvuldig gebruik is gemaakt van fysiek geweld en bedreiging met geweld, al dan niet in combinatie met het gebruik van een vuurwapen en een mes. Gevangenisstraf voor duur van 40 maanden. Zie ook LJN: BQ9992, BR0143 en BR0223.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/758430-10

Datum uitspraak: 29 juni 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte (F)],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden-Zoetermeer".

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 10 januari 2011, 6 april 2011 en 9 juni tot en met 15 juni 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.M. Robert en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1. (Vlaardingen)

hij op of omstreeks 29 juli 2010 te Vlaardingen en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een of meer geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf ] en/of [eigenaar b[eigenaar bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [eigenaar bedrijf] en/of een of meer medewerkers van het bedrijf [bedrijf ] te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere

deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

met een of meer van zijn mededader(s),

- (rijdende in een auto voorzien van gestolen kentekenplaten) is/zijn gereden naar het bedrijf [bedrijf ] en/of

- voornoemd bedrijf heeft/hebben geobserveerd, en/of

- uit de auto is gestapt om naar het bedrijf te gaan en/of

- (daarbij) een of meer vuurwapens en/of een of meer bivakmutsen en/of een of meer tierips en/of een of meer handschoenen en/of een plattegrond van de

omgeving van het bedrijf [bedrijf ] bij zich had(den),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 afh/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 29 juli 2010 te Vlaardingen en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het met anderen of een ander, althans alleen, te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het onder bedreiging van en/of met gebruik van een of meer vuurwapens wegnemen, althans afhandig maken, van een geldbedrag toebehorende aan [bedrijf ] en/of [eigenaar bedrijf], hetgeen zou opleveren diefstal met geweld en/of afpersing in vereniging, strafbaar gesteld in de artikelen 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht, althans een met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk een of meer vuurwapen(s) en/of bivakmuts(en) en/of handschoenen en/of tierips en/of een auto voorzien van gestolen kentekenplaten en/of een plattegrond van de omgeving van het bedrijf [bedrijf ] bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2. (Leyweg deel 1)

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [B] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- die [B] plaats laten nemen op de achterbank van een (driedeurs)auto, en/of

- meermalen, althans eenmaal, (dreigend) een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op die [B] en/of (dreigend) een mes getoond aan die [B], en/of die [B] meermalen, althans eenmaal, geslagen, en/of

- (zo) een dreigende sfeer gecreëerd en/of in stand gehouden waardoor die [B] enige tijd werd belet/belemmerd zich vrijelijk te bewegen en/of te gaan en staan waar hij wilde gaan en/of staan;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 afh/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 190 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zeggen tegen die [B] dat die [B] geld moest betalen en/of geld van zijn

bankrekening moest pinnen en/of dat als die [B] geen geld zou hebben zijn

pols zou worden doorgesneden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- plaatsen en/of richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of de knie en/of het lichaam van die [B], en/of

- meermalen, althans eenmaal, slaan in het gezicht van die [B], en/of

- tonen van een mes aan die [B];

art 312 lid 2 afh/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 afh/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [B] heeft gedwongen tot de afgifte van 190 euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele

toebehorende aan die [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- zeggen tegen die [B] dat die [B] geld moest betalen en/of geld van zijn

bankrekening moest pinnen en/of dat als die [B] geen geld zou hebben zijn

pols zou worden doorgesneden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- plaatsen en/of richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of de knie en/of het lichaam van die [B], en/of

- meermalen, althans eenmaal, slaan in het gezicht van die [B], en/of

- tonen van een mes aan die [B];

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. (Leyweg deel 2)

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met een ander of anderen met het oogmerk om zich en/of zijn mededader(s) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [B] te dwingen tot afgifte van ongeveer 6000 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [B] voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders

- die [B] heeft gedwongen te knielen, en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [B] heeft geplaatst, en/of

- die [B] meermalen, althans eenmaal, een klap heeft gegeven met een

vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen/op het hoofd van die [B] en/of

- tegen die [B] gezegd dat die [B] binnen 10 dagen 6000 euro aan hem/hen, verdachte(n), moest afgeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [B] meermalen, althans eenmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk dreigend

- die [B] gedwongen te knielen, en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [B] geplaatst, en/of

- die [B] meermalen, althans eenmaal, een klap gegeven met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen/op het hoofd van die [B];

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid l/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

4. (Polo deel 1)

hij op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een kelderbox gelegen aan de [adres 1], althans een kelderbox behorende bij het perceel gelegen aan de [adres 2], weg te (doen) nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [X], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die kelderbox te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading onder zijn/hun bereik te (doen) brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- een ruit van een toegangsdeur met een koevoet, althans een voorwerp, heeft ingegooid en/of heeft ingeslagen en/of heeft geforceerd en/of

- het slot van de deur van de kelderbox met een koevoet en/of schroevendraaier, althans een voorwerp, heeft geopend en/of heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[C] en/of een of meer anderen op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van door [C] en/of een ander of anderen voorgenomen misdrijf om met het met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een kelderbox gelegen aan de [adres 1], althans een kelderbox behorende bij het perceel gelegen aan de [adres 2], weg te (doen) nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [X], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die kelderbox te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading onder zijn/hun bereik te

(doen) brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- een ruit van een toegangsdeur met een koevoet, althans een voorwerp, heeft ingegooid en/of heeft ingeslagen en/of heeft geforceerd en/of

- het slot van de deur van de kelderbox met een koevoet en/of schroevendraaier, althans een voorwerp, heeft geopend en/of heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf7sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 en 2 Wetboek van Strafrecht

5. (Polo deel '2' - geweldshandelingen)

hij op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, geplaatst op de borst en/of bulk, althans het lichaam, van die [C];

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een mes getoond aan die [C] en/of met een mes een of meer steekbewegingen gemaakt richting het been, althans het lichaam, van die [C];

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [C]) met een mes heeft gesneden In het gezicht en/of meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor voornoemde [C] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

6. (Klarinet)

hij op een of meer tijstippen op of omstreeks 24 augustus 2010 te Rijswijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [D], meermalen, althans eenmaal, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk dreigend

- tegen die [D] gezegd dat hij met hem/hen, verdachte(n), mee

moest gaan, en/of

- tegen die [D] gezegd dat hij, verdachte(n), niet in de maling

moest nemen want anders zou hij een paar klappen krijgen, althans woorden van

gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- zich begeven naar de woning van die [D] en/of (daarbij) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of zichtbaar voor die [D] bij zich gehad en/of (vervolgens) bij die woning aangebeld en/of op de deur gebonsd;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

7. (Korrel - vuurwapens)

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 29 juli 2010 tot en met 24 augustus 2010 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk en/of Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het kaliber 7.65 mm (telkens) voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

art 55 lid 3 ahf/sub a Wet wapens en munitie

art 47 lid l/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 juli 2010 tot en met 24 augustus 2010 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk en/of Vlaardingen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (een) wapen(s) van categorie 1 onder 7°, te weten een C02-pistool, zijnde (een) voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of met een voor ontploffing bestemde voorwerp (telkens) voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

art3l lid 1 Wetwapens en munitie

art 47 lid l/afh sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangiftes van [B] en [D] van zowel 24 als 25 augustus 2010 moeten worden aangemerkt als valse aangiften. Ten onrechte heeft de politie onvoldoende kritisch onderzoek verricht naar de juistheid van deze aangiften, waarbij de raadsman ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verwezen naar enkele specifieke passages uit genoemde aangiften. Nu het de taak van de politie is om naast aangiften op te nemen, er ook voor te zorgen dat er geen valse aangiften worden opgenomen, dient in het verlengde daarvan de officier van justitie niet ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank overweegt dat een dergelijk verweer noch op grond van de wet, noch op grond van de jurisprudentie zou kunnen leiden tot niet -ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank verwerpt dit verweer dan ook.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich, al dan niet samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan een poging overval, een wederrechtelijke vrijheidsberoving, een diefstal met geweld, een afpersing en een poging daartoe, een poging inbraak, een,mishandeling, een bedreiging meermalen gepleegd en het voorhanden hebben van een vuurwapen en een gaspistool.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte feit 1 primair, 2 eerste, tweede en derde alternatief/cumulatief, 3 primair, 4 primair, 5 eerste alternatief/cumulatief, 6 en 7 eerste en tweede alternatief/cumulatief heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Algemene verweren

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van alle medeverdachten op grond van artikel 341 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering niet als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt in de zaak tegen zijn cliënt. De raadsman heeft hierbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van HR 21 november 1978, NJ 1979, 92 en Corstens, p. 675. Gezien de ratio van dit artikel zou het geen verschil mogen maken of de verklaringen zijn afgelegd tegenover de politie of tegenover de rechter. Hij heeft daartoe aangedragen dat een verklaring van een medeverdachte per definitie als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, omdat deze bij de politie niet onder ede wordt gehoord en er belang bij kan hebben om zijn eigen aandeel te minimaliseren en het aandeel van een verdachte te maximaliseren. Voorts wordt het zwijgrecht van een verdachte een illusie als een medeverdachte gaat verklaren over zaken waarover een verdachte juist wenst te zwijgen.

Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat het gelijktijdig, doch niet gevoegd behandelen van zaken van zijn cliënt met die van de medeverdachten een schending oplevert van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de algemene beginselen van een goede procesorde. Ten eerste is er volgens de raadsman geen sprake van equality of arms, nu de officier van justitie de mogelijkheid heeft om verdachten met elkaars verklaringen te confronteren en de verdediging deze mogelijkheid niet heeft. Ten tweede heeft de rechtbank door deze wijze van behandelen kennis kunnen nemen van (nieuwe) voor zijn cliënt belastende verklaringen. Die verklaringen zijn echter niet aan het dossier van zijn cliënt toegevoegd, maar hebben de rechtbank wel kunnen doen twijfelen aan de onschuld van zijn cliënt, aldus de raadsman. Tot slot heeft de verdediging door deze wijze van behandelen eveneens weliswaar kennis kunnen nemen van voor cliënt ontlastende verklaringen, maar ook deze zijn buiten het dossier van cliënt gebleven, waardoor de verdediging ook daar geen effectief gebruik van heeft kunnen maken.

Wat betreft de verklaringen die zijn cliënt tegenover de politie heeft afgelegd heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat al deze verklaringen uit het dossier dienen te worden verwijderd, nu zijn cliënt tijdens geen van deze politieverhoren over effectieve rechtsbijstand heeft kunnen beschikken.

Zaaksgerelateerde verweren

De raadsman heeft zich ten aanzien van zaaksdossier (ZD) Vlaardingen, hetgeen onder 1 ten laste is gelegd, primair op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred, nu alle verdachten uit eigen wil van het misdrijf hebben afgezien. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt van dit feit dient te worden vrijgesproken omdat geen sprake is geweest van een strafbare poging, nu het voornemen van de daders om een misdrijf te plegen zich nog niet door een begin van uitvoering had geopenbaard. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman gesteld dat zijn cliënt pas op het laatste moment bij het plan betrokken is geraakt en niet bij de voorbespreking(en) aanwezig is geweest. Zijn cliënt was dan ook niet op de hoogte van het feit dat bij de andere verdachten (mogelijk) het plan bestond om geweld tegen personen uit te oefenen.

Ten aanzien van ZD Leyweg, delen I en II, hetgeen onder 2 en 3 ten laste is gelegd, heeft de raadsman naar voren gebracht dat de aangifte van [B] van 29 augustus 2010 en de aangiften van [D] van 24 augustus 2010 en 25 augustus 2010 als valse aangiften moet worden aangemerkt en daarom, indien dit niet tot niet-ontvankelijkheid leidt, subsidiair tot vrijspraak van zijn cliënt moet leiden.

Voor wat betreft ZD Polo, deel I, hetgeen onder 4 ten laste is gelegd, heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

Ten aanzien van ZD Polo, deel II, hetgeen onder 5 ten laste is gelegd, heeft de raadsman aangevoerd dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken, daar er geen strafwaardige gedragingen hebben plaatsgevonden, althans deze niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Ook met betrekking tot ZD Klarinet, hetgeen onder 6 ten laste is gelegd, heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van ZD Korrel, hetgeen onder 7 ten laste is gelegd, heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de medeverdachten wisselend hebben verklaard over de eventuele aanwezigheid van een wapen of wapens, diverse medeverdachten er blijk van hebben gegeven niet in staat te zijn wapens van elkaar te kunnen onderscheiden en er zijn geen DNA-sporen van cliënt op de wapens aangetroffen.

4.3 Algemene overwegingen

Verklaringen van de medeverdachten

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt bij de beoordeling van het verweer van de raadsman dient te zijn het antwoord op de vraag of in de onderhavige zaak sprake is van medeverdachten in de zin van artikel 341, derde lid, Sv. Op grond van de huidige stand van de rechtsleer en de jurisprudentie is daarvan geen sprake. De zaken van de medeverdachten in deze strafzaak zijn immers wel gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld. Anders dan de raadsman heeft betoogd, kunnen de verklaringen die de medeverdachten ten overstaan van opsporingsambtenaren en de rechter-commissaris ter zake van dit onderzoek hebben afgelegd en aan het strafdossier van verdachte zijn toegevoegd, wel degelijk als bewijsmiddel in de strafzaak jegens verdachte worden aangewend. Aan de enkele algemene stelling van de raadsman dat een verklaring van een medeverdachte per definitie onbetrouwbaar moet worden geacht en het zwijgrecht van de verdachte ten negatieve zou aantasten en daarom van het bewijs uitgesloten dient te worden, gaat de rechtbank zonder nadere, specifiek op deze zaak gerichte onderbouwing voorbij.

Gelijktijdige, doch niet gevoegde behandeling

Anders dan de raadsman heeft betoogd, vindt het standpunt van de raadsman dat het gelijktijdig, doch niet gevoegd behandelen van zaken van zijn cliënt met die van de medeverdachten een schending oplevert van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de algemene beginselen van een goede procesorde, geen steun in het thans in Nederland geldende rechtssysteem en de daarbij horende rechtsregels. De rechtbank stelt voorop dat genoemd rechtssysteem ten eerste voldoende mogelijkheden biedt om de verklaringen van medeverdachten afgelegd in hun eigen zaak in de zaak van de eigen cliënt op te laten nemen en medeverdachten met elkaars verklaringen te confronteren, waardoor de belangen van de verdachte voldoende worden gewaarborgd. De suggestie van de raadsman dat de officier van justitie wat dit punt betreft ter terechtzitting een ruimere bevoegdheid zou toekomen, is niet juist. Bij een gelijktijdige, doch niet gevoegde behandeling wordt iedere verdachte immers alleen in zijn eigen strafzaak bevraagd. Dit geldt evenzo voor de officier van justitie. Aan de enkele stelling van de raadsman dat de rechtbank door deze wijze van behandelen tevens kennis neemt van (nieuwe) voor de verdachte belastende verklaringen, die enerzijds buiten het dossier van de verdachten blijven, maar anderzijds de rechtbank wel zouden kunnen doen twijfelen aan de onschuld van de verdachte, waar de verdediging vervolgens niet effectief op zou kunnen reageren, gaat de rechtbank zonder nadere onderbouwing met betrekking tot onderhavige strafzaak voorbij. Als uitgangspunt geldt immers dat de rechtbank recht spreekt op grond van het dossier en hetgeen ter zitting in de strafzaak van de verdachte naar voren wordt gebracht. Naast het vereiste van voldoende wettig bewijs dient er tevens de overtuiging te zijn dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft gepleegd. Deze overtuiging dient de rechtbank eveneens uit het strafdossier van de verdachte te halen, op basis waarvan vervolgens wordt rechtgesproken op de wijze zoals in de bewezenverklaring is gemotiveerd. Deze werkwijze sluit uit dat voor de overtuiging tevens gebruik zou kunnen worden gemaakt van overige feitelijkheden, zoals verklaringen en/of indrukken, verkregen uit een strafzaak van een medeverdachte welke gelijktijdig, doch niet gevoegd is behandeld.

Verklaringen van de verdachte

Nu de verdachte blijkens het strafdossier is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand van een raadsman en hij deze bijstand ook voorafgaand aan het eerste verhoor heeft gekregen, hetgeen aansluit bij de thans op grond van de wet en jurisprudentie geldende vereisten dienaangaande, ziet de rechtbank geen reden om de verklaringen van de verdachte van het bewijs uit te sluiten. Een eventueel progressiever standpunt ten aanzien van het recht op rechtsbijstand vindt geen steun in de wet en/of thans geldende jurisprudentie. De rechtbank verwerpt dit verweer dan ook.

4.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Algemeen

De verdachte heeft als bijnaam "[bijnaam verdachte]" of "[bijnaam verdachte]"1. Medeverdachte [A] wordt "[bijnaam A]"2 genoemd, medeverdachte [E] "[bijnaam E]"3 en medeverdachte [H] "[bijnaam H]"4.

Vlaardingen

Verklaring van de verdachte

Verdachte heeft verklaard dat medeverdachten [A] en [D] tegen hem en medeverdachte [E] hadden gezegd dat zij een klusje hadden waar zij € 30.000,- mee konden verdienen. Het ging om een transportbedrijf van de oom van medeverdachte [B]. Verdachte is vervolgens op een avond samen met medeverdachten [A] en [D] naar het transportbedrijf gegaan.5 Verdachte had een rugzakje met een touwtje erin bij zich.6

Verklaring van medeverdachte [B]

Medeverdachte [B] heeft verklaard dat hij financiële problemen had en dat hij dat heeft besproken met medeverdachte [D]. Ook heeft hij het idee met medeverdachte [D] besproken om het bedrijf van zijn oom in Vlaardingen, genaamd [bedrijf], te overvallen. Medeverdachte [D] heeft tegen medeverdachte [B] gezegd dat hij wel wat jongens kende die hem konden helpen. Medeverdachte [B] heeft vervolgens een plattegrond gemaakt met daarop de situatie ter plaatse, waaronder de indeling van het pand van [bedrijf] en de locaties van de beveiligingscamera's.7 Verder heeft hij verteld hoe laat de vrachtwagen zou arriveren, hoeveel mensen er bij het bedrijf aanwezig zouden zijn, hoe deze mensen er uit zouden zien en wat de hoogte zou zijn van het bedrag aan contanten dat ter plaatse aanwezig zou zijn. Ook heeft hij met medeverdachten [A] en [D] de omgeving van het bedrijf in Vlaardingen verkend.8

Voorts heeft medeverdachte [B] verklaard dat hij medeverdachte [A] met medeverdachte [E] heeft horen bellen. Zij bespraken hoe ze de overval zouden aanpakken en dat medeverdachte [A] drie echte pistolen mee wou en een neppe.9 Ook heeft medeverdachte [A] gezegd dat hij de eigenaar van het bedrijf, tevens de oom van medeverdachte [B], in zijn been zou schieten.10 Volgens medeverdachte [B] zou het plan zijn geweest om de man met het tasje met geld te pakken en dan te schieten. Het zou binnen plaatsvinden en het personeel zou vastgebonden worden met tie-wraps.11

Verklaring van medeverdachte [D]

Medeverdachte [D] heeft verklaard dat hij medeverdachte [B] in contact heeft gebracht met medeverdachte [A]. Medeverdachte [B] heeft medeverdachte [A] en medeverdachte [D] verteld over een transportbedrijf van zijn oom. Daar zouden twee mannen komen, een Poolse man en een Hindoestaanse man. Er zou sprake zijn van een tasje met daarin ongeveer € 15.000,- tot € 20.000,-. Medeverdachte [A] heeft dit vervolgens weer aan medeverdachte [E] verteld. Vervolgens is er een week overheen gegaan en er is meerdere keren over gesproken. De opbrengst zou worden verdeeld tussen medeverdachte [A] en medeverdachte [E] 12. Medeverdachte [A] zou op zijn beurt een deel aan onder meer medeverdachte [B] geven. Voorts zijn de medeverdachten [A], [D] en [B] gezamenlijk naar het bedrijf gereden waar medeverdachte [B] onder meer de locatie van het bedrijf, de camera's en een plek waar de auto geparkeerd kon worden, heeft laten zien.13

Medeverdachte [D] heeft voorts verklaard dat de overval plaats zou vinden op een donderdag.14 Die dag is hij met zijn auto, voorzien van gestolen nummerborden, samen met verdachte en medeverdachte [A] naar Vlaardingen gereden. Verdachte had een tasje bij zich met daarin twee wapens en tie-wraps.15 Medeverdachte [D] had voor de bivakmutsen, handschoenen en ducktape gezorgd.16 Er was ook een plattegrond, waarop medeverdachte [B] had aangewezen waar de camera's stonden.17 Op de bewuste dag heeft medeverdachte [D] zijn auto geparkeerd achter de bosjes18. Op dat moment zagen zij de vrachtwagen al staan19. Naast de vrachtwagen stond een gele bus. Op enig moment is medeverdachte [A] uit de auto gestapt.. Kort hierop is medeverdachte [A] weer in de auto gestapt. Op enig moment hebben zij alle drie in de auto hun bivakmuts opgezet. Wat betreft de wapens heeft medeverdachte [D] verklaard dat verdachte die avond in de auto heeft gezegd dat het om echte vuurwapens ging.20 Verdachte zou ook hebben gezegd dat een van de twee wapens een 7.65 mm betrof.21 Medeverdachte [D] heeft daarnaast het CO2-pistool aangewezen als een wapen dat aanwezig was op de avond van de overval.22 Hij heeft gezien dat verdachte in de auto een wapen aan medeverdachte [A] heeft gegeven. Medeverdachte [D] zag dat verdachte de slede van dit wapen naar achteren haalde en op dat moment zag hij een kogel. Verder heeft hij verdachte het wapen horen doorladen.23

Op enig moment is de gele bus met groot licht het bedrijventerrein afgereden. Verdachte en zijn medeverdachten zijn vervolgens met gedoofde lichten achter de bestelbus aangereden en hebben het bedrijventerrein verlaten.

Medeverdachte [D] heeft medeverdachte [A] horen zeggen dat hij de oom van [B] wel door de knieën zou schieten.24

Verklaring van medeverdachte [A]

Medeverdachte [A] heeft verklaard25 dat hij via medeverdachte [D] in contact is gekomen met medeverdachte [B]. Het zou gaan over een vrachtwagen uit Duitsland waar een Poolse man in zou zitten met een enveloppe met € 20.000,- à 30.000 euro. Deze Pool zou overmeesterd moeten worden en zou het geld afhandig gemaakt moeten worden. Medeverdachte [A] heeft vervolgens medeverdachte [D] in contact gebracht met iemand die ook wel geïnteresseerd was.26 De plattegrond is door medeverdachte [B] getekend.27 Medeverdachte [A] is bij het betreffende bedrijf gaan posten. Op de avond van de overval zijn verdachte en zijn medeverdachten [A] en [D] naar Vlaardingen gereden. Onderweg hebben ze de kentekenplaten van de auto van medeverdachte [D] verwisseld voor gestolen kentekenplaten. Medeverdachte [D] had bivakmutsen en handschoenen gekocht.28 Ook was er ducktape meegenomen. Er was een tas waar alle spullen in zaten.

Voorts heeft medeverdachte [A] verklaard29 dat hij zich kan herinneren dat medeverdachte [E] samen met medeverdachte [G] een huis binnen is gegaan. Verdachte moest op dat moment op de auto letten van medeverdachte [E]. Medeverdachte [E] en medeverdachte [G] zijn vervolgens teruggekomen met een rugtas en hebben die aan verdachte meegegeven. Tot slot heeft medeverdachte [A] verklaard dat hij en medeverdachte [E] ieder de helft van het geld zouden krijgen en hun deel vervolgens weer in hun eigen groep verder zouden verdelen.30

Verklaring van medeverdachte [E]

Medeverdachte [E] heeft verklaard dat hij van verdachte had gehoord dat medeverdachte [B] de verdachte en medeverdachten [A] en [D] had gestuurd om een vrachtwagen te rippen. Ze hadden in ieder geval twee vuurwapens bij zich.31 De overval zou zijn mislukt omdat er allemaal bewaking of politie was.

Verklaring van medeverdachte [G]

Medeverdachte [G] heeft verklaard dat verdachte en medeverdachten [D] en [A] de overval gingen plegen en dat zij een CO2-pistool en een [merk] bij zich hadden.32

Verklaring van verdachte [C] (ZD Polo)

Verdachte [C] heeft verklaard dat hij de kentekenplaten in de nacht van woensdag 28 juli 2010 op donderdag 29 juli 2010 heeft gestolen. Medeverdachte [D] heeft de kentekenplaten op donderdagochtend, 29 juli 2010, opgehaald omdat ze de platen die dag nodig hadden.33

Verklaring van getuige [getuige 1]

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat er tussen 17 juli 2010 en 31 juli 2010 in de avond iets is gebeurd.34 Hij was die avond bij het bedrijf aanwezig. Toen hij weg wilde rijden in zijn gele bedrijfsauto, een Mercedes Sprinter, zag hij tegenover het bedrijf aan de overkant van de straat een kleine personenauto staan. Vervolgens heeft hij het groot licht aangezet. Hij zag op de bestuurdersstoel en de bijrijderstoel personen zitten. Hij heeft een rondje gereden en bij terugkomst heeft hij nogmaals het groot licht aangedaan. Op dat moment zag hij een manspersoon, gekleed in een lange zwarte glimmende jas met bontkraag met de capuchon over zijn hoofd, de bosjes uitlopen en links achterin de kleine personenauto stappen.35 Vervolgens is de getuige weggereden en werd hij gevolgd door de personenauto waarvan de lichten waren gedoofd. Uiteindelijk is de personenauto de andere kant opgereden.

Verklaring van getuige [getuige 2]

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat haar man in de periode van 17 juli 2010 tot en met 31 juli 201036 in Suriname verbleef. In die periode, op een donderdag37, was zij in hun bedrijf aanwezig toen de vrachtwagen van het bedrijf terug kwam van zijn ritten. Op een gegeven moment is getuige [getuige 1] met de gele bedrijfsauto38 naar huis gegaan. Onderweg belde hij dat hij bij het wegrijden een verdacht persoon had gezien, die op een warme dag in een dikke jas liep.39 Hierop is hij naar het bedrijf teruggekeerd en heeft hij de boel in de gaten gehouden.

Bevindingen aangetroffen spullen bij doorzoeking Volkswagen Polo

In de witte Volkswagen Polo van medeverdachte [D] is een situatieschets en een navigatiesysteem aangetroffen. Uit de data van het navigatiesysteem blijkt dat het adres [adres] te Vlaardingen is ingevoerd. Na onderzoek op het internet wordt geconcludeerd dat de situatieschets gedetailleerd overeen komt met de locatie [adres] te Vlaardingen. Derhalve kan worden vastgesteld dat genoemde locatie de locatie betreft alwaar een overval was beraamd.40 Op het adres [adres] te Vlaardingen blijkt het bedrijf [bedrijf ] gevestigd te zijn.41

Oordeel van de rechtbank

Uit bovenstaande verklaringen volgt dat de verdachte op 29 juli 2010 samen met medeverdachten [D] en [A] naar Vlaardingen is gegaan met als doel het plegen van een overval op (een geldloper van) het bedrijf [bedrijf ] te Vlaardingen. Zij hebben hiertoe voorbereidingshandelingen uitgevoerd, namelijk het eerder die week verkennen van de locatie van de voorgenomen overval door medeverdachten [A], [D] en [B], de aanschaf van bivakmutsen, handschoenen en ducktape, het meenemen van tie-wraps, het door medeverdachte [B] laten maken van een plattegrond van het bedrijf met daarop aangegeven de locaties van de camera's en het voorzien van de auto van medeverdachte [D] van gestolen kentekenplaten op 29 juli 2010. Voorts hebben verdachte en medeverdachten [D] en [A] het bedrijf op 29 juli 2010 geobserveerd. In de auto waren op dat moment een vuurwapen en een C02-wapen aanwezig. Voorts staat vast dat medeverdachte [A] op enig moment uit de auto is gestapt. Nu hierover door verdachte en zijn medeverdachten verschillende en tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd, laat de rechtbank in het midden of medeverdachte [A] op dat moment alleen zijn capuchon of een bivakmuts op had en of hij een vuurwapen in zijn hand had. Voorts kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen op welk moment medeverdachte [A] precies is uitgestapt en wat hij op dat moment van plan was te gaan doen. Onder deze omstandigheden kan derhalve, gelijk de raadsman heeft aangevoerd, niet worden vastgesteld dat de handelingen die verdachte en zijn medeverdachten tot het moment dat zij zijn weggereden hebben verricht van dien aard zijn dat het niet anders kan dan dat zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Dit betekent dat de rechtbank tot de conclusie komt dat niet bewezen kan worden geacht dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van de overval en daarmee van een strafbare poging. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot overval.

Uit het hierboven weergegeven bewijsmiddelen volgt dat door de verdachte en zijn medeverdachten de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen, in de zin van art. 46 Sr, met het oog op de gezamenlijke uitvoering van een diefstal met geweld, waren voltooid. Wat betreft dit onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van vrijwillige terugtred bij de verdachte, nu hij het voornemen van het plegen van de overval heeft afgebroken op het moment dat hij een vrouw en een kind/kinderen zag. De rechtbank overweegt als volgt. Zowel verdachte als zijn medeverdachten [D] en [A] hebben verklaard dat zij na aankomst ter plaatse op enig moment een vrouw en een kind/kinderen bij het bedrijf hebben gezien. Voorts hebben zij ieder voor zich verklaard dat dit (mede) de reden was waarom zij uiteindelijk hun plan niet hebben doorgezet en zijn weggereden. Nog daargelaten dat de aanwezigheid van onverwachte personen in het bedrijf niet kan worden aangemerkt als een van de wil van verdachte afhankelijke omstandigheid (vgl. HR 27 november 2001, LJN AD4484), geldt dat uit de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten na het zien van de vrouw en kind(eren) niet direct zijn vertrokken. Verdachte en zijn medeverdachten zijn nog enige tijd op hun positie gebleven, kennelijk om af te wachten "wat er verder zou gebeuren". Voorts hebben verdachte en zijn medeverdachten allen verklaard over een groot licht, afkomstig van een (bestel)bus die op het terrein van [bedrijf ] stond geparkeerd en in hun richting scheen, hetgeen toen bij verdachten de indruk zou hebben gewekt dat men bij het bedrijf [bedrijf ] 'iets in de gaten had'. Vervolgens hebben verdachte en zijn medeverdachten het bedrijventerrein opzettelijk bij de eerste mogelijkheid met gedoofde lichten verlaten en zijn in de richting van Delft gereden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de doorslaggevende reden om de overval te staken het vermoeden van betrapping door één van de medewerkers van het bedrijf is geweest. Nu een besluit waartoe men door omstandigheden (zoals een groot risico op ontdekking) wordt gedwongen niet kan gelden als een omstandigheid van de wil van de dader afhankelijk als bedoeld in art. 46b Sr, zal de rechtbank het verweer verwerpen.

Leyweg deel I en II

Bewijsoverweging vooraf

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman, erop neerkomende dat de aangifte van [B] van 29 augustus 2010 en de aangiften van [D] van 24 augustus 2010 en 25 augustus 2010 als valse aangiften moet worden aangemerkt en daarom subsidiair tot vrijspraak moet leiden, aldus dat hij wat deze verklaringen betreft een beroep doet op bewijsuitsluiting. De rechtbank zal de raadsman hierin niet volgen. Het enkele feit dat aangever [B] en medeverdachte [D] aanvankelijk niet hebben verklaard en/of openheid van zaken hebben gegeven over een eerder tezamen met verdachte gepleegd strafbaar feit (vergelijk: ZD Vlaardingen), maakt niet dat daarmee de verklaringen van genoemde personen ter zake van ZD Leyweg per definitie vals zouden zijn. Voorts komen de aangiften op belangrijke punten overeen en vinden zij voldoende ondersteuning in de andere aanwezige bewijsmiddelen. Nu overige aanknopingspunten ter onderbouwing van de stelling van de raadsman ontbreken, slaagt het verweer niet en zullen genoemde aangiften niet worden uitgesloten van het bewijs.

Leyweg deel 1

Aangifte

Aangever [B] heeft verklaard dat hij op vrijdag 30 juli 201042 na werktijd, omstreeks 22:00 uur, bij medeverdachte [D] in de auto is gestapt. Vervolgens43 hebben ze medeverdachte [A] opgehaald, waarna aangever achter in de auto plaats heeft genomen en medeverdachte [A] op de bijrijderstoel. Hierna zijn ze verder gereden. Terwijl de auto op de Vaillantlaan te Den Haag voor een rood stoplicht stond te wachten, heeft aangever [B] medeverdachte [A] tegen een groepje jongens horen zeggen: "Die jongen zit achterin". Hierop is verdachte naar de auto toegelopen, heeft hij gevraagd: "welke jongen is het", en heeft hij achter in de auto plaatsgenomen naast aangever [B]. In de auto heeft verdachte een pistool tegen het hoofd van aangever [B] gedrukt, waarna medeverdachte [A] zich heeft omgedraaid op de bijrijderstoel en met gebalde vuist meerdere malen in het gezicht van aangever [B] geeft geslagen. Zowel verdachte als medeverdachte [A] heeft tegen aangever gezegd geld van hem te willen hebben. Voorts heeft medeverdachte [A] aangever [B] bedreigd door te zeggen de pols van de aangever [B] te zullen doorsnijden als hij geen geld had, waarbij hij aangever [B] een mes heeft getoond. Nadat aangever [B] had gezegd geen geld te hebben, heeft medeverdachte [A] tegen aangever gezegd dat hij dan maar geld moest gaan pinnen. Onderweg naar de pinautomaat is aangever [B] meerdere malen geslagen en heeft verdachte een pistool op de knie van aangever [B] gericht. Vervolgens heeft medeverdachte [A] aan aangever [B] de pincode van zijn bankrekening gevraagd, waarna aangever [B] de pincode heeft afgegeven. Hierna zijn aangever [B] en medeverdachte [A] op de Leyweg te Den Haag uit de auto gestapt en naar de pinautomaat gelopen, terwijl verdachte vanuit de auto een pistool op aangever [B] gericht heeft gehouden. Aangever [B] heeft eerst zijn saldo moeten opvragen, hetgeen € 190,- bleek te zijn, waarna een bedrag van € 20,- en € 170,- is gepind. Het geld is beide keren door medeverdachte [A] uit de pinautomaat gepakt, waarna in de auto het geld is verdeeld tussen verdachte en medeverdachte [A]. Aangever [B] heeft over deze reeks van gebeurtenissen voorts verklaard dat hij doodsbang is geweest en dat hij uit angst niet heeft durven wegrennen.44

Verklaring van de verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij de aangever een paar goede klappen heeft gegeven.45

Voorts heeft verdachte verklaard dat medeverdachten [A] en [D] ineens voor zijn neus stonden, waarna medeverdachte [A] tegen verdachte heeft gezegd: "Ik heb hem, ik heb die jongen". Verdachte heeft vervolgens de autodeur geopend, heeft medeverdachte [A] naar voren geduwd en is achter in de auto gaan zitten. Onderweg heeft medeverdachte [A] ook een paar klappen op het hoofd of in het gezicht van aangever [B] gegeven.46 Verdachte heeft bevestigd dat hij tegen medeverdachte [A] heeft gezegd dat hij aangever naar hem toe moest brengen als hij die kankerlijer had gevonden. Hij wilde aangever [B] duidelijk maken dat hij zulke grappen niet moest maken.47 Verdachte heeft voorts verklaard48 dat ze onderweg bij de Leyweg zijn gestopt en dat hij heeft gezien dat de aangever en medeverdachte [A] gingen pinnen.

Verklaring van medeverdachte [A]

Medeverdachte [A] heeft verklaard dat hij 20 euro uit de pinautomaat heeft gepakt.49

Verklaring van medeverdachte [D]

Medeverdachte [D] heeft verklaard dat hij na het werk samen met aangever [B] in zijn auto, een VW Polo met twee deuren50 [de rechtbank begrijpt: zijdeuren], medeverdachte [A] heeft opgehaald. Vervolgens heeft hij verdachte op de Vaillantlaan te Den Haag zien lopen. Hij is in opdracht van medeverdachte [A] gestopt. Verdachte is toen ingestapt51 en vervolgens is medeverdachte [D] verder gereden. Naast hem op de bijrijderstoel zat medeverdachte [A], achter medeverdachte [D] zat verdachte en aangever [B] zat achter medeverdachte [A].52 Medeverdachte [D] heeft verder verklaard dat hij heeft gehoord dat er in de auto een pistool werd doorgeladen en dat hij via zijn spiegel en over zijn schouder heeft gezien dat verdachte een vuurwapen op het hoofd van aangever [B] heeft gezet. Ondertussen is aangever [B] geslagen door medeverdachte [A]. Aangever is zeker tien keer vol op zijn hoofd geslagen door verdachte en medeverdachte [A]. Medeverdachte [D] heeft verdachte en medeverdachte [A] horen roepen dat ze geld wilden hebben van aangever [B].53 Verder heeft hij medeverdachte [A] tegen aangever [B] horen zeggen dat hij nu van hun was. Aangever [B] had geen kans om weg te komen.54

Aangever [B] heeft in opdracht van medeverdachte [A] bij de pinautomaat op de Leyweg al zijn geld van zijn rekening moeten halen. In de auto is het geld geteld, hetgeen in totaal € 190,- bleek te zijn. 55 Dit bedrag is vervolgens verdeeld tussen verdachte en medeverdachte [A].56

Bevindingen camerabeelden pinautomaat

Op camerabeelden van een pinautomaat, gevestigd aan de Leyweg te Den Haag betreffende pintransacties ter zake van bankrekeningnummer [nummer], pasnummer 007, op 30 juli 201057 is onder meer te zien dat medeverdachte [A] in het gezelschap van aangever [B] geld uit de pinautomaat pakt58, daarna een bedrag van € 20,- in zijn hand heeft59 en handelingen verricht bij de pinautomaat.60

Transactieoverzicht bankrekeningnummer [nummer]

Blijkens een transactieoverzicht61 betreffende bankrekeningnummer [nummer] op naam van aangever [B] is op 30 juli 2010 met pasnummer [nummer] om 23:20 uur een bedrag van € 20,- en om 23:21 uur een bedrag van € 170,- opgenomen.

Oordeel van de rechtbank

Uit de verklaringen van de aangever en medeverdachte [D] volgt dat de verdachte samen met medeverdachte [A] aangever [B] op 30 juli 2010 van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door hem op zodanige wijze plaats te laten nemen op de achterbank van een driedeursauto, dat aangever [B] afhankelijk werd van de medewerking van verdachte en medeverdachte [A] indien hij de auto wilde verlaten, en door hem vervolgens onder bedreiging met een vuurwapen en een mes in die auto mee te nemen naar een pinautomaat. Verdachte heeft samen met medeverdachte [A] aangever [B] verschillende malen in zijn gezicht geslagen, een vuurwapen op hem gericht gehouden, hem een mes getoond en hem daarbij bedreigd met de woorden dat zijn pols zou worden doorgesneden als hij verdachte en medeverdachte [A] geen geld zou geven. Met dit geweld en deze bedreiging met geweld hebben verdachte en medeverdachte [A] aangever [B] gedwongen geld te pinnen. Medeverdachte [A] is met aangever [B] meegelopen en heeft het geld, in totaal € 190,-, zelf uit de automaat gepakt. Het geld is vervolgens onder verdachte en medeverdachte [A] verdeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is er in een dergelijk geval sprake van diefstal met geweld en bedreiging met geweld, waarbij tussen verdachte en medeverdachte [A] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Concluderend acht de rechtbank de onder 2 als eerste cumulatief/alternatief en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en zal zij de verdachte daarvoor veroordelen.

Leyweg deel 2

Aangifte

Aangever [B] heeft verklaard dat hij na het pinnen in de auto van medeverdachte [D] met de verdachten naar een bouwplaats is gebracht. Onderweg is contact gezocht met ene [bijnaam E]. Eenmaal op het bouwterrein aangekomen is aangever [B] uitgestapt en heeft hij een jongen die [bijnaam E] werd genoemd, op een bankje zien zitten. Hij heeft voor deze jongen moeten knielen waarna hem is gezegd dat hij binnen tien dagen € 6.000,- moest betalen.62 Verdachte heeft een vuurwapen tegen zijn hoofd gehouden en met dit wapen op zijn achterhoofd geslagen.63 Medeverdachte [A] heeft aangever [B] met gebalde vuisten in zijn gezicht geslagen. 64

Voorts heeft aangever [B] verklaard dat medeverdachte [E] de leiding had en instructies gaf en dat verdachte en medeverdachte [A] de meeste bedreigingen hebben geuit.65 Hij heeft bij verdachte een vuurwapen gezien en bij medeverdachte [A] een mes.66

Verklaring van de verdachte

Verdachte heeft verklaard dat aangever [B] door medeverdachten [A] en [D] bij de Meppelweg voor medeverdachte [E] is gebracht en dat hij aangever [B] op zijn knieën heeft zien zitten. Medeverdachte [A] heeft aangever [B] een paar klappen tegen zijn hoofd gegeven en er is door de een € 5.000,- en door de ander € 6.000,- geschreeuwd.67

Verklaring van medeverdachte [D]

Medeverdachte [D] heeft verklaard dat hij in opdracht van medeverdachte [A] naar de Meppelweg is gereden.68 Tijdens deze rit heeft medeverdachte [D] medeverdachte [A] horen zeggen dat zij "naar de grote man, de leider [bijnaam E] zouden gaan"69. Daar aangekomen heeft medeverdachte [D] gezien dat medeverdachte [E] op een bankje zat70, waarna aangever [B] uit de auto is gehaald en heeft moeten knielen71. Verdachte heeft weer het vuurwapen tegen het hoofd van aangever [B] gezet en hem hiermee op het achterhoofd geslagen.72 Medeverdachte [D] heeft gehoord dat tegen aangever [B] werd gezegd dat hij binnen tien dagen € 5.000,- euro moest betalen, later werd dit € 6.000,-.73 Medeverdachte [E] bleef herhalen dat aangever [B] € 5.000,- à € 6.000,- moest betalen.74 Vervolgens zijn ze weer in de auto gestapt en is aangever [B] op station Hollands Spoor afgezet.

Verklaring van medeverdachte [A]

Medeverdachte [A] heeft verklaard75 dat hij en medeverdachte [D] aangever [B] naar medeverdachte [E] op de Meppelweg moesten brengen om een schadevergoeding te betalen. Aangever [B] is toen onder schot gehouden door verdachte en moest voor medeverdachte [E] komen. Medeverdachte [E] heeft hem toen bedreigd omdat de zaak in Vlaardingen fout was gegaan. Aangever [B] moest onkosten betalen voor het risico dat de verdachten hadden gelopen.76 Verdachte heeft het vuurwapen tegen het hoofd van aangever [B] gehouden. Ook sloeg hij aangever met het wapen op zijn achterhoofd.77

Verklaring van medeverdachte [E]

Medeverdachte [E] heeft verklaard dat hij op een bankje op het bouwveldje bij de Meppelweg heeft gezeten78. Aldaar heeft hij gezien dat medeverdachte [A] aangever [B] uit de auto heeft gehaald en hem een paar klappen heeft gegeven. Vervolgens heeft medeverdachte [A] aangever [B] bij hem gebracht en gedwongen op zijn knieën te gaan zitten.79 Aangever [B] heeft klappen, waaronder met het vuurwapen, gekregen van onder meer verdachte en medeverdachte [A]. Verdachte en medeverdachte [A] hebben beiden verschillende bedreigingen geuit. Medeverdachte [E] heeft gehoord dat tegen aangever [B] is gezegd: "Die vrachtwagen is niet gekomen, je moet geen kanker grappen maken, je gaat maar € 6.000,- binnen 10 dagen ophoesten."80 Ook hebben zij met het vuurwapen tegen het hoofd van aangever [B] geprikt, op een wijze waarbij de loop op het hoofd van de aangever was gericht.81

Oordeel van de rechtbank

Op grond van bovenstaande verklaringen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte samen met anderen heeft geprobeerd aangever [B] een bedrag van ongeveer € 6.000,- af te persen. Daarbij is aangever [B] door verdachte en medeverdachte [A] geslagen, waaronder met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en heeft hij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen zijn hoofd geplaatst gekregen. Dit alles is gebeurd terwijl aangever [B] werd gedwongen geknield voor medeverdachte [E] op de grond te zitten.

De rechtbank komt alles overwegende tot een bewezenverklaring van de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot afpersing van aangever [B] tezamen en in vereniging met anderen gepleegd.

Polo deel 1

Aangifte door [X]

Aangever [X] heeft aangifte gedaan van inbraak in de kelderbox behorende bij zijn woning gelegen aan de [adres 2] in Den Haag, waarvan de ingang van de kelderbox is gelegen aan de [adres 1] te Den Haag. Er is niets weggenomen.82

Aangifte door [C]

Aangever [C] heeft verklaard dat hij op 31 juli 2010 door medeverdachten [A] en [D] is opgehaald. In totaal waren ze met zeven personen en twee auto's.

Aangever [C] moest van medeverdachte [A] inbreken in een kelderbox in de buurt van de tramhalte aan de Wouwermanstraat83. Aangever [C] heeft geprobeerd de deur te openen met een schroevendraaier en een koevoet, hetgeen niet lukte. Uiteindelijk is medeverdachte [A] er ook bijgekomen en heeft hij geprobeerd met de koevoet en de schroevendraaier de deur open te krijgen.84 Toen dit niet lukte is medeverdachte [A] boos geworden en heeft aangever [C] van hem de ruit van de toegangsdeur moeten inslaan. Aangever [C] heeft dit gedaan met de koevoet. Medeverdachte [A] is op dat moment weer weggelopen. Vervolgens kreeg aangever [C] de binnendeur ook niet open, waarna medeverdachte [A], medeverdachte [D] en een andere jongen er bij zijn gekomen. Nadat deze laatste jongen had voorgedaan hoe aangever [C] de deur open moest maken, hebben aangever [C] en medeverdachte [D] de deur naar de kelderbox opengemaakt. Uiteindelijk is er niets meegenomen omdat de goederen die de verdachten zochten, er niet lagen.85

Verklaring van medeverdachte [D]

Medeverdachte [D] heeft verklaard dat verdachte en medeverdachten [A] en [E] bij de inbraak bij de kelderbox aanwezig zijn geweest.86 Op een gegeven moment is hij door medeverdachte [E] naar de groep personen bij de kelderbox gestuurd. Aldaar heeft hij gezien dat de ruit van de portiekdeur naar de kelderboxen ingeslagen was87. Toen het aangever [C] niet lukte om de deur open te krijgen, heeft verdachte het voorgedaan, waarna medeverdachte [D] en aangever [C] de deur hebben geopend.88

Oordeel van de rechtbank

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met anderen heeft ingebroken in de kelderbox, gelegen aan de [adres 1] te Den Haag en behorende bij de woning gelegen aan de [adres 2] te Den Haag. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de gebezigde verklaringen van de medeverdachte en aangever [C] volgt dat verdachte zich met dat doel tezamen met anderen naar genoemde kelderbox heeft begeven. De rechtbank acht daarnaast bewezen dat verdachte aldaar ook zelf (instructies voor) braakhandelingen heeft verricht. Daarmee is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Nu uiteindelijk uit de kelderbox niets is weggenomen, is het bij een voltooide poging tot diefstal met braak in vereniging gebleven.

Polo deel 2

Aangifte

Aangever [C] heeft verklaard dat hij op 1 augustus 2010 bij de Esso op de Valkenboslaan door medeverdachte [A] is bedreigd met een vuurwapen89. Medeverdachte [A] heeft het vuurwapen daarbij op zijn buik90 danwel borst91 gericht. Tot slot heeft aangever [C] verklaard dat hij de hele avond met de vlakke hand klappen heeft gekregen van medeverdachte [A] en van de anderen die er bij waren.92

Verklaring van medeverdachte [A]

Medeverdachte [A] heeft verklaard93 dat hij op 1 augustus 2010 samen met aangever [C] en medeverdachte [D] in de auto van medeverdachte [D] naar de Esso aan de Valkenboslaan te Den Haag is gegaan. Ter plaatse waren meer mensen aanwezig, waaronder verdachte. Hij heeft aldaar even een CO2-pistool van verdachte in zijn handen gehad.

Verklaring medeverdachte [D]

Medeverdachte [D] heeft verklaard dat hij samen met medeverdachte [A] aangever [C] heeft opgehaald, waarna ze naar de Esso aan de Valkenboslaan zijn gegaan. Bij de Valkenboslaan was ook verdachte aanwezig. Verdachte heeft een CO2-pistool94 vanuit zijn broeksband gepakt en aan medeverdachte [A] gegeven. Vervolgens heeft medeverdachte [A] het wapen met de loop naar voren gericht tegen het middenrif van aangever [C] gezet en hierbij gezegd: "Zie je deze, zie je deze? Beter fok jij niet op anders krijg je deze door je lichaam heen." 95

Verklaring van medeverdachte [E]

Medeverdachte [E] heeft verklaard dat "het" is begonnen bij de Esso aan de Valkenboslaan te Den Haag, alwaar verdachte een gaspistool aan medeverdachte [A] heeft gegeven waarna medeverdachte [A] het pistool onder/tegen de kin van aangever [C] heeft gezet.96

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verdachte samen met medeverdachte [A] aangever [C] heeft bedreigd door een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op zijn borst te plaatsen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde slaan van aangever [C] en de ten laste gelegde bedreiging en mishandeling met een mes van aangever [C] overweegt de rechtbank dat uit het dossier volgt dat, gelijk het standpunt van de officier van justitie, onvoldoende wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het verdachte zelf is geweest die (een van) die ten laste gelegde feitelijkheden heeft gepleegd, en het dossier verder onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te kunnen nemen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (een van) zijn medeverdachte(n), welke gericht is geweest op het uitvoeren van de betreffende handelingen. De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder 5 tweede en derde alternatief/cumulatief ten laste gelegde vrijspreken.

Klarinet

Aangifte

Aangever [D] heeft verklaard dat hij op 24 augustus 2010, omstreeks 18:00-18:30 uur is gebeld door medeverdachte [A] en dat hij heeft gehoord dat medeverdachte [A] kwaad op hem werd. Er is gezegd dat hij ze niet voor de gek moest houden, want anders zouden ze hem ook een paar klappen verkopen. Aangever [D] heeft op dat moment zowel met verdachte als met medeverdachten [A] en [E] gesproken. Zij hebben alle drie gezegd dat hij ze niet in de maling moest nemen en dat zij aangever [D] wel thuis zouden brengen. Nadat aangever [D] had gezegd eigen vervoer te hebben, hebben verdachte en zijn medeverdachten gezegd dat hij dan maar achter ze aan moest rijden en dat medeverdachte [H] dan bij hem zou instappen.97

Voorts heeft aangever [D] verklaard dat hij diezelfde dag omstreeks 23:00 uur vanuit het raam, gelegen op de tweede verdieping van zijn woning aan de [adres 3] te Rijswijk, heeft gezien dat de zwarte Volkswagen Golf van medeverdachte [E] de [adres 3] kwam binnenrijden. Hij heeft gezien dat verdachte is uitgestapt en naar de voordeur van zijn woning is gelopen, waarna hij heeft aangebeld en op de deur heeft gebonsd. Ook heeft hij tegen aangever [D] gezegd dat hij zijn stem had gehoord en dat hij wist dat hij thuis was.98 Aangever [D] heeft gezien dat medeverdachten [A], [H] en [E] in de auto zaten.

Verklaring van de verdachte

Verdachte heeft verklaard99 dat hij die avond met medeverdachten [A], [E] en [H] was en dat zij naar de woning van aangever [D] zijn geweest.

Verklaring van getuige [getuige 5]

Getuige [getuige 5] heeft verklaard100 dat op 24 augustus 2010 omstreeks 23:15 uur bij haar woning, gelegen aan de [adres 3] te Rijswijk is aangebeld. De getuige heeft voor de voordeur het silhouet van een man gezien. Zij heeft gehoord dat er hierna nogmaals werd aangebeld en op de ramen werd gebonkt. Zij heeft gezien dat aangever [D] op dat moment in paniek was.

Verklaring van getuige [getuige 6]

Getuige [getuige 6] heeft verklaard101 dat hij op 24 augustus 2010 omstreeks 23:00 uur in zijn woning aan de [adres 3] te Rijswijk was en dat er zeker vijf keer werd aangebeld. Hij heeft door het non-transparante glas van de voordeur de omtrek van een persoon gezien. Hij heeft de persoon horen zeggen: "Jo [voornaam], je bent daar man, ik hoor je stem. Ik kom alleen maar praten man." De getuige heeft deze zin als zeer dreigend ervaren.102 Vervolgens heeft hij gezien dat de man weer is weggelopen en aan de overkant van de [adres 3] andere mannen heeft ontmoet.103

Verklaring van medeverdachte [E]

Medeverdachte [E] heeft verklaard104 dat hij op 24 augustus 2010 samen met verdachte en medeverdachten [A] en [H] met zijn auto, een zwarte Volkswagen Golf, naar de [adres 3] is gereden en dat aldaar bij de woning van aangever [D] is aangebeld.

Voorts heeft medeverdachte [E] verklaard dat zij eerder die avond alle vier aangever [D] via de telefoon hebben gesproken, waarbij onder meer is gevraagd waar aangever [D] bleef en wanneer hij zou komen.

Verklaring medeverdachte [H]

Medeverdachte [H] heeft verklaard105 dat hij samen met verdachte en medeverdachten [A] en [E] in de auto van medeverdachte [E] naar het huis van aangever [D] is gereden, dat verdachte en medeverdachten [A] en [E] aldaar zijn uitgestapt en dat hij heeft gezien dat zij in de richting van de woning van aangever [D] zijn gelopen. 106 Voorts heeft hij gehoord dat medeverdachte [A] en medeverdachte [E] hebben gezegd dat zij samen hadden aangebeld. Ten slotte heeft medeverdachte [H] verklaard dat hij eerder die avond medeverdachte [A] via de telefoon tegen aangever [D] heeft horen zeggen dat als hij niet zou komen, hij een paar klappen zou krijgen.107

Oordeel van de rechtbank

Gezien het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er op 24 augustus 2010 tussen verdachte en zijn medeverdachten enerzijds en aangever [D] anderzijds telefonisch contact is geweest waarbij hem is gezegd dat hij met hen mee moest gaan en dat hij hen niet in de maling moest nemen want dat hij anders een paar klappen zou krijgen. Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachten [A], [E] en [H] vervolgens naar de woning van aangever [D] aan de [adres 3] te Rijswijk is gereden, alwaar is aangebeld en op de deur is gebonsd.

De rechtbank is van oordeel dat het geheel van feitelijkheden op 24 augustus 2010, waarbij verdachte en zijn mededaders ieder voor zich op enig moment een actieve rol hebben vervuld, in onderling verband bezien met de gebeurtenissen voorafgaand aan dit feit, maakt dat er sprake is geweest van een bedreiging met zware mishandeling, gepleegd door verdachte en zijn mededaders jegens aangever [D].

Anders dan de officier van justitie heeft betoogd en gelijk het standpunt van de verdediging, acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat er bij de bedreiging gebruik is gemaakt van een vuurwapen. Uitsluitend aangever [D] heeft verklaard over de aanwezigheid van een vuurwapen. De getuigen hebben hierover niet verklaard. Gelet op de stellige ontkenning hieromtrent door verdachte en zijn medeverdachten, zal de rechtbank de verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Korrel

Aantreffen CO2-wapen

Bij een doorzoeking van een perceel aan de [adres 4] te Den Haag op 10 september 2010 is een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen.108 Vastgesteld wordt dat het een CO2-pistool betreft met serienummer [nummer], welk pistool voor wat betreft afmetingen en vorm grote gelijkenis vertoont met een vuurwapen van het merk Colt, model 1911A1 en dat het derhalve een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I onder 7° van de Wet Wapens en Munitie is.109

Verklaring [ I ]

[ I ] heeft op zondag 12 september 2010 verklaard110 dat het wapen dat bij een doorzoeking van de woning van zijn ex-vriendin aan de [adres 4] te Den Haag werd gevonden, een gaspistool betreft en dat hij dit wapen op donderdag 9 september van medeverdachte [G] heeft gekregen.

Verklaring van medeverdachte [A]

Medeverdachte [A] heeft een in beslag genomen wapen met serienummer [nummer] op een foto herkend als het wapen dat hij in zijn handen heeft gehad.111

Verklaring van medeverdachte [D]

Medeverdachte [D] heeft verklaard112 dat verdachte en medeverdachte [A] bij hem in de auto hebben gezeten en dat hij toen heeft gehoord dat verdachte tegen medeverdachte [A] zei dat hij twee wapens bij zich had. Vervolgens heeft medeverdachte [D] gezien dat verdachte een pistool, door medeverdachte [D] aangeduid als "het kleinste wapen", uit een Nike-tasje heeft gehaald, waarbij door hem is gezegd dat het een 7.65 mm betrof, vervolgens aan medeverdachte [A] heeft gegeven, waarna medeverdachte [A] het op zijn beurt weer aan verdachte heeft gegeven.113

Voorts heeft medeverdachte [D] het wapen met serienummer [nummer] op foto 4 herkend114 als het wapen dat aanwezig is geweest op de avond van de overval en heeft hij voorts verklaard dat dit het wapen is geweest dat verdachte bij de Esso aan de Valkenboskade vast heeft gehouden. Voorts is dit het wapen dat medeverdachte [A] heeft gehad en tegen de buik van aangever [C] heeft gehouden.

Verklaring van medeverdachte [G]

Medeverdachte [G] heeft verklaard115 dat het wapen dat aangetroffen is op de [adres 4] in Den Haag in een rugtas zat en dat het een wapen van het merk Colt betrof. Voorts heeft hij verklaard dat hij het wapen de dag voor zijn aanhouding aan [I] heeft gegeven.

Voorts heeft medeverdachte [G] verklaard116 dat verdachte samen met medeverdachten [D] en [A] naar aanleiding van een tip van een Hindoestaanse jongen op enig moment samen in een witte Volkswagen Polo op pad zijn geweest om een overval te plegen en dat ze toen een tas met daarin een CO2-pistool mee hebben genomen. Ook hadden zij een pistool van het merk [merk], zwart van kleur bij zich. Over een aan hem getoonde foto met daarop een wapen met serienummer [nummer] heeft medeverdachte [G] verklaard dat dat het pistool betreft dat verdachte en medeverdachte [A] hadden meegekregen.

Verklaring van medeverdachte [E]

Medeverdachte [E] heeft verklaard117 dat hij bij de Esso aan de Valkenboslaan te Den Haag heeft gezien dat verdachte een gaspistool aan medeverdachte [A] heeft gegeven, waarna medeverdachte [A] dit gaspistool onder/tegen de kin van aangever [C] heeft geduwd. Over een aan hem getoonde foto met daarop een wapen met serienummer [nummer] heeft medeverdachte [E] verklaard dat dit het gaspistool betreft waarover hij eerder heeft verklaard.118

Oordeel van de rechtbank

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 juli 2010, te weten de avond van de geplande overval te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met anderen een vuurwapen van het kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad, nadat dit ten behoeve van dat doel door medeverdachte [E] was verstrekt. Gelet op de wisselende verklaringen hieromtrent biedt het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om wettig en overtuigend bewezen te achten dat verdachte dit wapen ook na 29 juli 2010 nog voorhanden heeft gehad. De rechtbank zal de bewezen verklaarde periode dan ook beperken tot 29 juli 2010.

Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zowel op 29 juli 2010 als op 31 juli 2010, te weten ten tijde van de bedreiging door medeverdachte [A] van aangever [C] (zie ZD Polo) tevens een C02-pistool voorhanden heeft gehad.

4.4 De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 eerste en tweede alternatief/cumulatief, 3 primair, 4 primair, 5 eerste alternatief/cumulatief, 6 en 7, eerste en tweede alternatief/cumulatief vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht:

1. (Vlaardingen)

hij in de periode van 1 juli 2010 tot en met 29 juli 2010 te Vlaardingen en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van het met anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het onder bedreiging van en met gebruik van een of meer vuurwapens wegnemen, althans afhandig maken, van een geldbedrag toebehorende aan [bedrijf ] en/of [eigenaar bedrijf], hetgeen zou opleveren diefstal met geweld en/of afpersing in vereniging, strafbaar gesteld in de artikelen 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk een of meer vuurwapen(s) en bivakmutsen en handschoenen en tie-wraps en een auto voorzien van gestolen kentekenplaten en een plattegrond van de omgeving van het bedrijf [bedrijf] bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;

2. (Leyweg deel 1)

hij op 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [B] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en/of zijn mededader met dat opzet

- die [B] plaats laten nemen op de achterbank van een driedeursauto, en

- dreigend een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op die [B] en dreigend een mes getoond aan die [B], en die [B] meermalen geslagen, en

- zo een dreigende sfeer gecreëerd en in stand gehouden waardoor die [B] enige tijd werd belet/belemmerd zich vrijelijk te bewegen en te gaan en staan waar hij wilde gaan en/of staan;

en

hij op 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 190 euro, toebehorende aan [B], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of bedreiging met geweld tegen die [B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- zeggen tegen die [B] dat die [B] geld moest betalen en/of geld van zijn bankrekening moest pinnen en dat als die [B] geen geld zou hebben zijn pols zou worden doorgesneden, en

- plaatsen en/of richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en de knie en het lichaam van die [B], en

- meermalen slaan in het gezicht van die [B], en

- tonen van een mes aan die [B];

3. (Leyweg deel 2)

hij op 30 juli 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met anderen met het oogmerk om zich en zijn mededaders wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [B] te dwingen tot de afgifte van ongeveer 6000 euro, toebehorende aan die [B] voornoemd,

- die [B] heeft gedwongen te knielen, en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [B] heeft geplaatst, en

- die [B] meermalen een klap heeft gegeven met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [B] en

- tegen die [B] gezegd dat die [B] binnen 10 dagen 6000 euro aan hem/hen, verdachte(n), moest afgeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. (Polo deel 1)

hij op 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kelderbox gelegen aan de [adres 1], althans een kelderbox behorende bij het perceel gelegen aan de [adres 2], weg te nemen goederen van hun gading, toebehorende aan [X], en zich daarbij de toegang tot die kelderbox te verschaffen door middel van braak,

met zijn mededaders,

- een ruit van een toegangsdeur met een koevoet heeft ingeslagen en

- het slot van de deur van de kelderbox heeft geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5. (Polo deel '2' - geweldshandelingen)

hij op 01 augustus 2010 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, geplaatst op de borst van die [C];

6. (Klarinet)

hij op 24 augustus 2010 te Rijswijk, tezamen en in vereniging met anderen, [D] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend

- tegen die [D] gezegd dat hij met hen, verdachten, meemoest gaan, en

- tegen die [D] gezegd dat hij verdachten niet in de maling moest nemen want anders zou hij een paar klappen krijgen en

- zich begeven naar de woning van die [D] en vervolgens bij die woning aangebeld en op de deur gebonsd;

7. (Korrel - vuurwapens)

hij op 29 juli 2010 te 's-Gravenhage en Vlaardingen, tezamen en in vereniging met anderen, een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad;

en

hij op tijdstippen in de periode van 29 juli 2010 tot en met 24 augustus 2010 te 's-Gravenhage en/of Vlaardingen, een wapen van categorie 1 onder 7°, te weten een C02-pistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De straf

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat aan de verdachte, gelet op zijn geringe aandeel in de strafbare gedragingen, (ten hoogste) een straf dient te worden opgelegd die gelijk is aan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in wisselende samenstelling met een of meer medeverdachten ernstige strafbare feiten gepleegd waarbij door verdachte veelvuldig gebruik is gemaakt van fysiek geweld en bedreiging met geweld, al dan niet in combinatie met het gebruik van een vuurwapen en een mes.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij bij zijn handelen alleen heeft gedacht aan zijn eigen behoeften en daarbij het gebruik van geweld niet heeft geschroomd. Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor de (lichamelijke) integriteit van zijn slachtoffers. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk geweld hiervan nog lange tijd lichamelijke en psychische klachten kunnen ondervinden. Dit blijkt ook uit de verschillende verklaringen van betrokkenen.

Uit een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 6 oktober 2010 blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder vermogens- en geweldsdelicten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport van het psychologisch onderzoek d.d. 9 januari 2011, opgesteld door drs. W.J.L. Lander, psycholoog. Voor zover hier van belang staat het volgende in dit rapport:

"Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogen in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Mogelijk is er sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogen in de zin van ADHD. Een persoonlijkheidsstoornis is constant aanwezig bij het algehele functioneren. Er kan dus gesteld worden dat er ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde sprake was van een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis. Als gevolg van de antisociale persoonlijkheidtrekken kan betrokkene impulsief gedrag vertonen; als gevolg van het gebruik van cannabis en cocaïne kan hij eerder zijn innerlijke remming verliezen. De kans op delictgedrag in het algemeen neemt dan vanzelfsprekend toe. Tevens zal betrokkene als gevolg van het gebruik van cannabis en cocaïne eerder delicten plegen vanuit geldelijk gewin om zich in zijn middelengebruik te kunnen voorzien. Om de kans op delictgedrag in het algemeen te verminderen is het van belang dat betrokkene begeleid/behandeld wordt met betrekking tot de persoonlijkheidsproblematiek en het middelengebruik."

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies betreffende verdachte d.d. 28 februari 2011, voor zover hier van belang inhoudende:

Volgens de gegevens van de Medische Administratie van de Parnassia Bavo Groep is betrokkene al sinds 2000 in beeld. Tussen 2000 en 2010 heeft betrokkene zich zelf diverse malen aangemeld voor een behandeling of werd hij in het kader van een reclasseringstoezicht toegeleid naar zorg. Alle contacten met de zorg waren van korte duur. Betrokkene is eenmaal opgenomen geweest, namelijk op Groot Batelaar van 12 september 2002 tot en met 7 januari 2003. Hij heeft in verband met recidive dit programma voortijdig moeten verlaten. Voor zijn aanhouding was betrokkene in zorg bij de afdeling ambulante Care voor het volgen van het methadonprogramma. Betrokkene is daar nooit geweest."

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is. Hoewel de rechtbank het grote nut van begeleiding van verdachte bij zijn verslavings- en persoonlijkheidsproblematiek onderkent, ziet zij, gelijk het standpunt van de officier van justitie, gezien de ernst van de feiten en het begeleidingsverleden van verdachte geen aanleiding een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

8. De vordering van de benadeelde partij

8.1. De vordering van de benadeelde partij

[C], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 11.894,22. Deze vordering bestaat uit de volgende posten:

1. ziektekosten € 665,--

2. op 1 augustus 2010 afhandig gemaakt geld € 160,--

3. verlies arbeidsvermogen € 5.920,55

4. voorschot smartengeld € 5.000,--

5. incassokosten € 148,67

8.2. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [C] hoofdelijk zal worden toegewezen voor een bedrag van € 1.170, -, betreffende een bedrag van € 170,- voor de post afgenomen geld (post 2) en een voorschot van € 1.000,- voor de post immateriële schade (post 4), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft zij gevorderd dat de benadeelde partij voor het overige deel van zijn vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu dit geen rechtstreekse schade als gevolg van de door verdachte gepleegde feiten betreft.

8.3. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel dient te worden afgewezen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verwonding aan de hand van de benadeelde partij berust op eigen schuld. Verder heeft de raadsman opgemerkt dat de benadeelde partij zelf ontslag heeft genomen, danwel in ieder geval geen recht heeft op compensatie van arbeidsverlies gedurende de gehele gevraagde periode omdat de benadeelde partij in die periode ook in verzekering is gesteld. De gevraagde kosten wegens betalingsonmacht staan in onvoldoende causaal verband met de tenlastegelegde feiten en komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking, aldus de raadsman.

8.4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ziektekosten, verlies van arbeidsvermogen en incassokosten (posten 1, 3 en 5), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft post 2 afwijzen, nu het feit waarop deze schade betrekking heeft, niet aan verdachte ten laste is gelegd.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post immateriële schade in verband met het onder feit 5 bewezen verklaarde feit, is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde feit. Ter zake van de gevorderde immateriële schade voortvloeiende uit het onder 5 bewezen verklaarde feiten zal de rechtbank een bedrag van € 400,- toewijzen.

De rechtbank zal de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren aangezien de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu verdachte tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 400,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [C].

De rechtbank bepaalt voorts dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader [A] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde feit opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Het voorgaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36f, 45, 46, 47, 57, 282, 285, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en

- 13, 26, en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair, 2 derde alternatief/cumulatief en 5 tweede en derde alternatief/cumulatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 subsidiair, 2 eerste en tweede alternatief/cumulatief, 3 primair, 4 primair, 5 eerste alternatief/cumulatief, 6 en 7 eerste en tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

1. subsidiair

MEDEPLEGEN VAN VOORBEREIDING VAN DIEFSTAL MET GEWELD IN VERENIGING;

2.

MEDEPLEGEN VAN HET OPZETTELIJK IEMAND WEDERRECHTELIJK VAN DE VRIJHEID BEROVEN EN BEROOFD HOUDEN;

EN

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD DOOR GEWELD EN/OF BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN/OF DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

3. primair

POGING TOT AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN;

4. primair

POGING TOT DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK;

5.

MEDEPLEGEN VAN BEDREIGING MET ENIG MISDRIJF TEGEN HET LEVEN GERICHT;

6.

MEDEPLEGEN VAN BEDREIGING MET ZWARE MISHANDELING;

7.

MEDEPLEGEN VAN HET HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, TERWIJL HET FEIT IS BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN WAPEN VAN CATEGORIE III;

EN

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 13, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [C] een bedrag van € 400,-;

met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader [A] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader [A] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde feit opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor wat betreft post 2 af;

verklaart de benadeelde partij voor de posten 1, 3 en 5 en het overige deel van de post immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 400,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [C];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen.

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, voorzitter,

M.M. Meessen en M.C. Bruining, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Dongen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2011.

1 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], 2010174018, verdachtendossier [verdachte], p. 37.

2 Proces-verbaal van aangifte [D], PL 1561 2010174018-1, zaaksdossier Leyweg, p. 22.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [E], PL 2010174018, verdachtendossier [E], p. 33.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [H], 2010174018, verdachtendossier [H], p. 22.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], 2010174018, verdachtendossier [verdachte], p. 36 en 37.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], 2010174018, verdachtendossier [verdachte], p. 38.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], BVH2010174018, verdachtendossier [B], p. 24.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], BVH2010174018, verdachtendossier [B], p. 24.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], BVH2010174018, verdachtendossier [B], p. 24.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], BVH2010174018, verdachtendossier [B], p. 24.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], BVH2010174018, verdachtendossier [B], p. 35.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 23.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 31

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 23.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 32

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 31

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 32

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 25.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 35.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 33

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 23 en vervolg aangifte [D], zaaksdossier Klarinet, p. 32.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 37.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 33

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 32

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A], PL 2010174018, verdachtendossier [A], p. 35.

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A], PL 2010174018, verdachtendossier [A], p. 37.

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A], PL 2010174018, verdachtendossier [A], p. 35.

28 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A], PL 2010174018, verdachtendossier [A], p. 37 en 38.

29 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A], PL 2010174018, verdachtendossier [A], p. 54.

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A], PL1561 2010174018, verdachtendossier [A], p. 87.

31 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [E], PL2010174018, verdachtendossier [E], p. 36 .

32 Proces-verbaal van verhoor verdachte [G], PL2010174018, verdachtendossier [G], p. 18 en 19.

33 Proces-verbaal van verhoor verdachte [C], PL1583 2010157010-25, zaaksdossier Polo, bijlage A, p. 129.

34 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], PL17A0 2010048780-12, zaakdossier Vlaardingen, p. 57.

35 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], PL17A0 2010048780-12, zaakdossier Vlaardingen, p. 58.

36 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], PL 17A0 2010048780-11, zaaksdossier Vlaardingen, p. 55.

37 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], PL 17A0 2010048780-11, zaaksdossier Vlaardingen, p. 55.

38 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], PL 17A0 2010048780-11, zaaksdossier Vlaardingen, p. 56.

39 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], PL 17A0 2010048780-11, zaaksdossier Vlaardingen, p. 55.

40 Proces-verbaal van bevindingen, PL 1561 2010174018, zaaksdossier Vlaardingen, p. 16.

41 Proces-verbaal van bevindingen, PL 1561 2010174018, zaaksdossier Vlaardingen, p. 29.

42 Proces-verbaal van aangifte [B], 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 14.

43 Proces-verbaal van aangifte [B], 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 15.

44 Proces-verbaal van aangifte [B], 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 15 en 16.

45 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], 2010174018, verdachtendossier [verdachte], p. 36.

46 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], 2010174018, verdachtendossier [verdachte], p. 43-44.

47 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], 2010174018, verdachtendossier [verdachte], p. 43-44.

48 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], 2010174018, verdachtendossier [verdachte], p. 44.

49 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A], PL2010174018, verdachtendossier [A], p. 43.

50 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 24 en 43.

51 Proces-verbaal van verhoor verdachte [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 40.

52 Proces-verbaal van aangifte [D], PL 1561 2010174018-6, zaaksdossier Leyweg, p. 28.

53 Proces-verbaal van aangifte [D], PL 1561 2010174018-1, zaaksdossier Leyweg, p. 23.

54 Proces-verbaal van verhoor [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 43.

55 Proces-verbaal van aangifte [D], PL 1561 2010174018-6, zaaksdossier Leyweg, p. 29.

56 Proces-verbaal van aangifte [D], PL 1561 2010174018-6, zaaksdossier Leyweg, p. 17.

57 Proces-verbaal van bevindingen, BVH 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 51.

58 Proces-verbaal van bevindingen, BVH 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 55.

59 Proces-verbaal van bevindingen, BVH 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 57.

60 Proces-verbaal van bevindingen, BVH 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 57 en 60

61 Proces-verbaal van aangifte [B], 2010174018, zaaksdossier Leyweg, bijlage, p. 20.

62 Proces-verbaal van aangifte [B], 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 16.

63 Proces-verbaal van aangifte [B], 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 16.

64 Verhoor getuige [B] bij rechter-commissaris, punt 12.

65 Proces-verbaal van aangifte [B], 2010174018, zaaksdossier Leyweg, p. 16 en verhoor aangever [B] als getuige bij de rechter-commissaris, onder punt 12.

66 Verhoor aangever [B] als getuige bij de rechter-commissaris, onder punt 17.

67 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], 2010174018, verdachtendossier [verdachte], p. 44.

68 Proces-verbaal van aangifte [D], PL1561 2010174018-6, zaaksdossier Leyweg, p. 29.

69 Proces-verbaal van aangifte [D], PL1561 2010174018-6, zaaksdossier Leyweg, p. 29.

70 Proces-verbaal van aangifte [D], PL1561 2010174018-6, zaaksdossier Leyweg, p. 29.

71 Proces-verbaal van aangifte [D], PL1561 2010174018-6, zaaksdossier Leyweg, p. 23

72 Proces-verbaal van aangifte [D], PL1561 2010174018-1, zaaksdossier Leyweg, p. 23.

73 Proces-verbaal van aangifte [D], PL1561 2010174018-6, zaaksdossier Leyweg, p. 29.

74 Proces-verbaal van verhoor [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 45.

75 Proces-verbaal van verhoor [A], PL2010174018, verdachtendossier [A], p. 45.

76 Proces-verbaal van bevindingen, 2010174018, verdachtendossier [A], p.47.

77 Proces-verbaal van verhoor [A], PL1561 2010174018, verdachtendossier [A], p. 82 en 86.

78 Proces-verbaal van verhoor verdachte [E], 2010174018, verdachtendossier [E], p. 53.

79 Proces-verbaal van verhoor verdachte [E], 2010174018, verdachtendossier [E], p. 54 en 61.

80 Proces-verbaal van verhoor verdachte [E], 2010174018, verdachtendossier [E], p. 61.

81 Proces-verbaal van verhoor verdachte [E], 2010174018, verdachtendossier [E], p. 61.

82 Proces-verbaal van aangifte [X], PL1513 2010156953-1, zaaksdossier Polo, p. 252 en 253

83 Proces-verbaal van verhoor [C], PL1583 2010157010-30, zaaksdossier Polo, p. 103.

84 Proces-verbaal van verhoor [C], PL1583 2010157010-30, zaaksdossier Polo, p. 135.

85 Proces-verbaal van aangifte [C], PL1583 2010157010-1, zaaksdossier Polo, p. 102 en 103.

86 Verhoor getuige [D] bij rechter-commissaris, punt 5.

87 Proces-verbaal van verhoor [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 51.

88 Proces-verbaal van verhoor [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 51.

89 Proces-verbaal van verhoor [C], PL1583 2010157010-30, zaaksdossier Polo, p. 103.

90 Proces-verbaal van verhoor [C], PL1583 2010157010-30, zaaksdossier Polo, p. 103.

91 Proces-verbaal van verhoor [C], PL1583 2010157010-30, zaaksdossier Polo, p. 134.

92 Proces-verbaal van aangifte [C], PL1583 2010157010-1, zaaksdossier Polo, p. 103.

93 Proces-verbaal van verhoor [A], 2010174018, verdachtendossier Gangandien, p. 50.

94 Proces-verbaal van verhoor [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 37.

95 Proces-verbaal van verhoor [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 50.

96 Proces-verbaal van verhoor [E], PL2010174018, verdachtendossier [E], p. 27.

97 Proces-verbaal van aangifte [D], PL1561 2010174018-6, zaaksdossier Klarinet, p. 24.

98 Proces-verbaal van aangifte [D], PL1561 2010174018-6, zaaksdossier Klarinet, p. 25.

99 Verhoor van getuige [verdachte] bij rechter-commissaris, punten 1 en 24.

100 Verhoor van getuige [getuige 5], PL1561 2010174018-5, zaaksdossier Klarinet, p. 36 en 37.

101 Verhoor van getuige [getuige 6], PL1561 2010174018-11, zaaksdossier Klarinet, p. 39 en 40.

102 Verhoor van getuige [getuige 6], PL1561 2010174018-11, zaaksdossier Klarinet, p. 40.

103 Verhoor van getuige [getuige 6], PL1561 2010174018-11, zaaksdossier Klarinet, p. 40.

104 Proces-verbaal van verhoor verdachte [E], PL2010174018, verdachtendossier [E], p. 32 en verhoor verdachte [E] bij rechter-commissaris inbewaringstelling, punt 2.

105 Proces-verbaal van verhoor verdachte [H], 2010174018, verdachtendossier [H], p. 24.

106 Proces-verbaal van verhoor verdachte [H], 2010174018, verdachtendossier [H], p. 44.

107 Proces-verbaal van verhoor verdachte [H], 2010174018, verdachtendossier [H], p. 43.

108 Proces-verbaal van bevindingen, PL1514 2010185383-25, bijlage B (PL 1514 2010185383) bij zaaksdossier Korrel, p. 114.

109 Proces-verbaal, 2010185383-25, bijlage B bij zaaksdossier Korrel, p. 128.

110 Proces-verbaal van verhoor [ I ], PL1514 2010185383-37, bijlage B bij zaaksdossier Korrel, p. 148 en 154.

111 Proces-verbaal van verhoor [A], PL2010174018, verdachtendossier [A], p. 56.

112 Proces-verbaal van aangifte [D], 2010174018, zaaksdossier Korrel, p. 30, 32 en 33.

113 Proces-verbaal van aangifte [D], 2010174018, zaaksdossier Korrel, p. 33.

114 Proces-verbaal van verhoor [D], 2010174018, verdachtendossier [D], p. 37.

115 Proces-verbaal van verhoor [G], PL1514 2010185383-52, bijlage B bij zaaksdossier Korrel, p. 203.

116 Proces-verbaal van verhoor [G], PL2010174018, verdachtendossier [G], p. 18, 19 en 24.

117 Proces-verbaal van verhoor [E], PL2010174018, verdachtendossier [E], p. 27.

118 Proces-verbaal van verhoor [E], PL2010174018, verdachtendossier [E], p. 27.