Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9985

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
AWB 10/21064
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat het inburgeringsvereiste in strijd is met de in het nationale en internationale recht neergelegde algemene discriminatieverboden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voor het gemaakte onderscheid een redelijke een objectieve rechtvaardigheidsgrond bestaat. De rechtbank is voorts van oordeel dat de regeling geschikt is om de verwezenlijking van deze gerechtvaardigde doelstelling te verzekeren en niet verder gaat dan nodig is ter verwezenlijking van deze doelstelling. De rechtbank verwijst daarbij naar de Memorie van Toelichting betreffende de Regels inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering), Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 308, nr. 3. Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat met de in het kader van de inburgeringsplicht getroffen maatregelen de verwezenlijking wordt gewaarborgd van het nagestreefde doel, namelijk het overbruggen van achterstanden bij de integratie van minderheden, het voorkómen dat nieuwe achterstanden ontstaan en het bevorderen van de sociale cohesie van de samenleving. Het opleggen van de verplichting om bewijzen van voldoende kennis van de Nederlandse taal in de vorm van diploma’s te overleggen, acht de rechtbank een geschikt en proportioneel middel om de doelstelling te verwezenlijken. Uit de memorie van toelichting volgt dat het stellen van deze eis geschiedt met het oog op een afstemming van de inburgeringsplicht op de behoefte van, onder meer, eiser. De rechtbank is van oordeel dat deze maatregelen geschikt en noodzakelijk zijn om het hierboven geschetste doel te bereiken en dat de maatregelen niet verder gaan dan nodig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/21064

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1977,

nationaliteit Iraanse,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. Y. Tamer,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen: de minister van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. V.A.M.W. ’t Hoen

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Bij dit besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlengen van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingewilligd.

Eiser heeft op 11 juni 2010 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 maart 2011, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het besluit van 17 mei 2010 in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het beroep van eiser niet is gericht tegen de inwilliging van de aanvraag om verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het beroep richt zich enkel op de afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000.

3. De rechtbank overweegt voorts dat – gelet op de strikte scheiding tussen asiel en regulier die uit de systematiek van de Vw 2000 volgt – de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier die het hem mogelijk maakt gebruik te maken van de rechten van een langdurig ingezeten, buiten beschouwing dient te worden gelaten in de onderhavige procedure.

4. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000 van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, Vw slechts worden afgewezen indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, Vw afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 Vw voordoet, dan wel indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald.

5. In het eerste lid van artikel 3.107a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000, wordt afgewezen indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering niet heeft behaald.

6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser – zoals verweerder ook heeft aangegeven in het bestreden besluit – niet voldoet aan het inburgeringsvereiste omdat hij enkel een certificaat Staatsexamen Nederlands als tweede Taal heeft overgelegd.

7. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het inburgeringsvereiste een soort van indirecte discriminatie van eiser op grond van nationaliteit vormt dat door het EU-recht is verboden. Het stellen van taaleisen kan volgens eiser wel gerechtvaardigd zijn, maar het kunnen overleggen van een bepaalde kwalificatie als bewijs dat over voldoende kennis wordt beschikt is volgens eiser onaanvaardbaar. Eiser heeft daarbij verwezen naar artikel 12 van het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag) – thans artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) – en naar het gemeenschapsrecht in zijn algemeenheid.

8. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat het inburgeringsvereiste in strijd is met de in het nationale en internationale recht neergelegde algemene discriminatieverboden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voor het gemaakte onderscheid een redelijke een objectieve rechtvaardigheidsgrond bestaat. De rechtbank is voorts van oordeel dat de regeling geschikt is om de verwezenlijking van deze gerechtvaardigde doelstelling te verzekeren en niet verder gaat dan nodig is ter verwezenlijking van deze doelstelling.

9. De rechtbank verwijst daarbij naar de Memorie van Toelichting betreffende de Regels inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering), Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 308, nr. 3, waarin onder meer het volgende staat vermeld.

<i>“De inburgeringsplicht geldt in beginsel alleen voor inburgeringsbehoeftigen. Aan de hand van objectieve criteria, zoals verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd en het bezit van diploma’s, worden zij die reeds beschikken over de noodzakelijke kennis en vaardigheden, al dan niet gedeeltelijk, van de inburgeringsplicht vrijgesteld.

De in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen maatregelen – een resultaatgerichte verplichting voor vreemdelingen en bepaalde Nederlanders die daar nog niet over beschikken en die duurzaam in ons land (willen) verblijven om die kennis van de Nederlandse taal en van de Nederlandse samenleving te verwerven die voor de betrokken burger minimaal vereist is om op volwaardige wijze in onze maatschappij te kunnen functioneren – dienen het legitieme doel om achterstanden bij de integratie van minderheden te overbruggen, te voorkomen dat nieuwe achterstanden ontstaan, en de sociale cohesie van de samenleving te bevorderen. Consensus over de basiswaarden en de vigerende normen, en beheersing van de Nederlandse taal zijn daarvoor naar de mening van de regering noodzakelijk. Het gemeenschappelijke vooropstellen houdt ook in het bevorderen van het gebruik van het Nederlands in uiteenlopende maatschappelijke contexten. De eis dat migranten zich de Nederlandse taal eigen moeten maken is daarbij in de eerste plaats gemotiveerd door het instrumentele karakter ervan. Wie het Nederlands niet beheerst heeft immers beperkte mogelijkheden tot het opbouwen van een zelfstandig bestaan. Kennis van het Nederlands is niet slechts expressie van integratie, maar ook en vooral een instrument en een middel tot integratie. De achterblijvende integratie is een ernstig en dringend probleem. Zoals in de Rapportage Integratiebeleid Etnische Minderheden 2003 (Kamerstukken II 2003/04, 29 203, nr. 1, p. 8) is aangegeven meent de regering dat de continuïteit van de samenleving in het geding is, indien bevolkingsgroepen tegenover elkaar komen te staan, maatschappelijke instellingen voor etnische groepen onvoldoende effectief zijn en grote delen van de bevolking niet actief deelnemen aan maatschappij en economie.

De voorgestelde maatregelen zijn naar de mening van de regering geschikt om het doel daarmee te bereiken. Met de criteria die de ACVZ heeft aanbevolen en die in artikel 4, eerste lid, van het voorliggende wetsvoorstel zijn opgenomen, wordt bereikt dat de groep personen die aan de inburgeringsplicht moet voldoen, zo nauwkeurig mogelijk aansluit bij de groep die die inburgering ook daadwerkelijk behoeft. Daarnaast voorziet het voorgestelde systeem in de mogelijkheid om die aansluiting in de lagere regelgeving verder te verfijnen, onder meer door op een lager niveau van regelgeving nauwkeuriger regels te stellen (artikelen 4, vierde lid, onderdeel a). Dat kan voorts worden gerealiseerd met partiële vrijstellingen – bijvoorbeeld op grond van behaalde diploma’s (artikel 4, derde lid) – te verlenen, waarmee de inburgeringsplicht van de persoon die aantoonbaar voldoende kennis heeft van de Nederlandse samenleving maar de Nederlandse taal nog onvoldoende beheerst en vice versa, nauwkeuriger op de behoefte kan worden afgestemd.

Voorts zijn er voor de voorgestelde maatregelen geen minder ingrijpende alternatieve maatregelen voorhanden waarmee hetzelfde doel – de daadwerkelijke verwerving van de kennis die vereist is om maatschappelijke achterstanden te overbruggen en volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk te maken door allen die dat behoeven – kan worden bereikt. De minder verplichtende maatregelen op grond van de Wet inburgering nieuwkomers hebben slechts beperkt succes gehad doordat zij onvoldoende waarborgen dat de inburgeringsbehoeftigen ook allen daadwerkelijk de noodzakelijke kennis van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving verwerven. Met de ACVZ is de regering van mening dat er tot op heden geen minder verplichtende maatregelen bekend zijn die tot hetzelfde resultaat zullen leiden.

Ten slotte is de regering van mening dat het voorgestelde pakket aan maatregelen in een redelijke verhouding staat tot het doel. Tegen de zwaarwegende belangenaantasting die de inburgeringsplicht voor de betrokken burger met zich kan brengen – in de vorm van investeringen in tijd en geld en, bij het niet (tijdig) behalen van het inburgeringsexamen, in de vorm van bestuurlijke boetes, verlies van aanspraak op de kosten-gerelateerde of forfaitaire vergoeding en het ontbreken van uitzicht op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd – staan de zwaarwegende algemene belangen die door achterblijvende integratie worden aangetast. Zoals hiervoor is aangegeven (paragraaf 2.6.3.1) acht de regering, gelet op het grote belang van effectieve inburgering van nieuwkomers en van het voorkomen van nieuwe inburgeringsachterstanden, ook eventuele cumulatie van deze gevolgen niet disproportioneel. In dit verband verwijst de regering nog op de mogelijkheden van vrijstelling en ontheffing van de inburgeringsplicht en van verlenging van de termijn waarbinnen het examen moet worden behaald, op de beschikbaarheid van de diverse financiële voorzieningen (leningen en vergoedingen) en de mogelijkheden van een aanbod van een inburgeringsvoorziening.”</i>

10. Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat met de in het kader van de inburgeringsplicht getroffen maatregelen de verwezenlijking wordt gewaarborgd van het nagestreefde doel, namelijk het overbruggen van achterstanden bij de integratie van minderheden, het voorkómen dat nieuwe achterstanden ontstaan en het bevorderen van de sociale cohesie van de samenleving.

11. Het opleggen van de verplichting om bewijzen van voldoende kennis van de Nederlandse taal in de vorm van diploma’s te overleggen, acht de rechtbank een geschikt en proportioneel middel om de doelstelling te verwezenlijken. Uit de memorie van toelichting volgt dat het stellen van deze eis geschiedt met het oog op een afstemming van de inburgeringsplicht op de behoefte van, onder meer, eiser. De rechtbank is van oordeel dat deze maatregelen geschikt en noodzakelijk zijn om het hierboven geschetste doel te bereiken en dat de maatregelen niet verder gaan dan nodig.

12. Gelet op het voorgaande behoeft de grond van eiser dat sprake is van strijd met artikel 18 van het VWEU, wat hier ook van zij, geen verdere bespreking.

13. Gezien het voorgaande heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen en kan het besluit van om eiser niet in het bezit te stellen van verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vw 2000, de toets in rechte doorstaan. In hetgeen overigens namens eiser nog is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

14. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

15. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven als rechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2011.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: