Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9962

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
387554 - FA RK 11-1272
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7358, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil ouderlijk gezag (ipr)

Vader verzoekt een zorgregeling welke gelijk is aan een co-ouderschapsregeling vast te stellen. Moeder voert verweer en verzoekt zelfstandig toestemming om met de minderjarige te mogen verhuizen (mogelijk voor een onbepaalde periode naar het buitenland).

Partijen (Nederlandse moeder en Franse vader, internationaal werkzaam, lang in het buitenland gewoond en gewerkt en sinds 10 maanden woonachtig in Nederland) zijn het niet eens over de bestaande gezagsverhouding. Volgens de moeder is sprake van haar eenhoofdig gezag (naar Nederland recht), volgens de vader is sprake van gezamenlijk gezag (naar Frans recht). De rechtbank komt op grond van art. 3 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag tot het oordeel dat de ex lege ontstane gezagsverhouding naar Frans recht voortbestaat, nu partijen er altijd vanuit zijn gegaan dat ten aanzien van de ontstane gezagsverhouding Frans recht gold, zij daarnaar steeds hebben geleefd, en zij zich over de mogelijkheid van het ontstaan van gezamenlijk gezag over de minderjarige (thans bijna 4 jaar oud), na de erkenning van de minderjarige naar Frans recht door de vader, uitvoerig hebben laten voorlichten, waaruit de rechtbank opmaakt dat het steeds in de bedoeling van partijen lag om gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit te oefenen.

De rechtbank verleent de moeder geen toestemming om met de minderjarige te verhuizen. Zij acht het niet in het belang van de minderjarige dat het kind met de moeder verhuist naar een thans nog onbekende bestemming (waarschijnlijk zal de moeder door haar werkgever worden uitgezonden naar Turkije, Senegal of Liberia, danwel naar een ander ontwikkelingsland buiten Europa), temeer daar ook nog de tijdspanne van het verblijf in het buitenland (in of buiten Europa), danwel elders in Nederland, onbekend is. De rechtbank weegt daarbij mee de leeftijd van de minderjarige (na de zomer gaat de minderjarige naar de basisschool), de talloze verhuizingen van de minderjarige sedert juli 2010 in Nederland, de verzorging en opvoeding van de minderjarige sedert zijn geboorte door een derde (een full time nanny, ivm de werkzaamheden van beide ouders), en het belang van de minderjarige bij structuur, continuïteit, stabiliteit en rust, zodat hij zich aan zijn omgeving kan gaan hechten en een band met de vader kan opbouwen, welk belang de rechtbank groter oordeelt dan het belang van de moeder op het maken, danwel behouden, van een internationale carrière.

Voorts stelt de rechtbank een zorgregeling en een inforamtie- en consultatieregeling vast.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2011/117
JIN 2011/650
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 11-1272

Zaaknummer: 387554

Datum beschikking: 24 juni 2011

Omgang

Beschikking op het op 14 februari 2011 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats A],

advocaat: mr. drs. E.J. Kim-Meijer te 's-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats A],

advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs te 's-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

- het verzoekschrift;

- een faxbericht d.d. 4 april 2011 van de zijde van de vader;

- het verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek;

- een brief d.d. 12 april 2011, met bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 15 april 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en vergezeld van een tolk, en de moeder met haar advocaat. Beide partijen hebben, ieder afzonderlijk, pleitnotities overgelegd.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- faxberichten d.d. 28 en 29 april 2011 van de zijde van de vader;

- een faxbericht d.d. 3 mei 2011 van de zijde van de moeder;

- een faxbericht d.d. 10 mei 2011 van de zijde van de vader;

- een brief d.d. 13 mei 2011, met bijlage, van de zijde van de vader.

Feiten

- Uit de moeder is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige], op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige].

- De minderjarige is op [datum van erkenning] 2007, als ongeboren vrucht, op de Franse Ambassade te [woonplaats B], India -met toepassing van Frans recht- door de vader en de moeder erkend. De vader en de moeder hebben daarbij verklaard op de hoogte te zijn gesteld van de aldus ontstane deelbare aard van de band van biologische verwantschap.

- Voormelde erkenning is op [datum inschrijving erkenning] 2007 ingeschreven op het algemene consulaat van Frankrijk te Amsterdam, onder nummer [nummer].

- De geboorteakte van de minderjarige bevat een latere vermelding d.d. [datum latere vermelding] 2007 van de ambtenaar van de burgerlijke stand te [woonplaats A], waaruit blijkt dat de minderjarige met toepassing van Frans recht door de vader is erkend; volgens Frans gezagsrecht is in die situatie sprake van gezamenlijk gezag van beide ouders over de minderjarige.

- De minderjarige is niet in een Nederlands gezagsregister bekend; volgens Nederlands gezagsrecht is in die situatie sprake van eenhoofdig gezag van de moeder over de minderjarige.

- De vader heeft de Franse nationaliteit.

- De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit.

- De minderjarige heeft de Nederlandse en de Franse nationaliteit.

- Blijkens de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [woonplaats A] is de minderjarige sedert 7 juli 2010 in Nederland gevestigd.

- Van [datum] 2009 tot [datum] 2011 heeft de minderjarige, volgens verklaring d.d.

18 april 2011 van de Franse Ambassade te [woonplaats B], India, ingeschreven gestaan in het register van Fransen die in het buitenland zijn gevestigd.

- De vader heeft volgens voormelde verklaring van [datum] 2007 tot [datum] 2011 ingeschreven gestaan in het register van Fransen die in het buitenland zijn gevestigd.

- De minderjarige verblijft thans bij de moeder in Nederland.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader strekt tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en de minderjarige, kort samengevat, in de vorm van een co-ouderschapsregeling, een vakantieregeling en de vaststelling van een informatie- en consultatieregeling.

Conform afspraak met mr Paris wordt volstaan met het vermelden van de strekking van het verzoekschrift en het vermelden van het indienen van een verweerschrift zonder verder op de inhoud van de gewenste omgangsregeling resp. de inhoud van het verweerschrift in te gaan. Bij de beoordeling kan ev. op het voorgaande worden ingegaan.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna -voor zover nodig- zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig aan de rechtbank vervangende toestemming, welke de toestemming die van de vader vervangt, te verlenen om met de minderjarige te mogen verhuizen.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Blijkens door de vader overgelegde bescheiden blijkt dat de minderjarige van

[datum] 2009 tot en met [datum] 2011 gevestigd was te [woonplaats B], India. Uit door de moeder overgelegde bescheiden blijkt dat de minderjarige tevens vanaf 7 juli 2010 ingeschreven is in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente

[woonplaats A]. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat de minderjarige, ten tijde van indiening van het verzoekschrift op 14 februari 2011, gelijktijdig in India en in Nederland verblijfplaats had. Blijkens overige stukken in het dossier en de verklaringen van partijen ter terechtzitting was de verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van indiening van het verzoekschrift feitelijk gelegen in Nederland.

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van indiening van het verzoekschrift in Nederland is, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 1 en 2 van het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen van 5 oktober 1961, Trb 1968, 101 (Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961, hierna: het Verdrag) bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op voormelde verzoeken.

De bestaande gezagsverhouding

Blijkens artikel 3 van het Verdrag wordt een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de Staat waarvan de minderjarige onderdaan is, in alle Verdragsstaten erkend. Dit brengt met zich dat Nederland ten aanzien van deze minderjarige, die onderdaan is van twee Verdragsstaten, te weten, Nederland en Frankrijk, naast haar eigen gezagsrecht ook dat van Frankrijk dient te erkennen.

Gezien de door artikel 3 van het Verdrag beoogde continuïteit van de bestaande gezagsverhouding is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval de ex lege ontstane gezagsverhouding naar Frans recht voortbestaat.

De rechtbank komt tot dit oordeel nu beide partijen, zoals uit de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter terechtzitting blijkt, sedert de geboorte van de minderjarige er vanuit zijn gegaan dat uitsluitend het Frans gezagsrecht gold, zij daarnaar steeds hebben geleefd, en zij zich over de mogelijkheid van het ontstaan van gezamenlijk gezag over de minderjarige, na de erkenning naar Frans recht door de vader, uitvoerig hebben laten voorlichten, waaruit de rechtbank opmaakt dat het steeds in de bedoeling van partijen lag om gezamenlijk het gezag over de minderjarige uit te oefenen.

De rechtbank verwerpt daarmee op grond van het voorgaande de stelling van de moeder, zoals zij die na de behandeling ter terechtzitting heeft ingenomen, namelijk dat sprake is van een gezagsverhouding naar Nederlands recht, en komt gelet op het voorgaande eveneens niet toe aan de door de moeder gestelde effectiviteitstoets, waarvan overigens discutabel is of artikel 3 van het Verdrag een dergelijke toetsing beoogt.

Verzoek en verweer

Bij de beoordeling van de over en weer gedane verzoeken gaat de rechtbank, gelet op het voorgaande, uit van de situatie dat partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

Uit praktische overwegingen beoordeelt de rechtbank hierna eerst het zelfstandig verzoek van de moeder.

De vervangende toestemming tot verhuizing

De rechtbank heeft, zoals vermeld in artikel 1:253a van het Burgerlijke Wetboek, ter terechtzitting een vergelijk tussen partijen beproefd.

De moeder heeft haar verzoek -kort samengevat- als volgt onderbouwd.

Partijen hebben elkaar in 2001 in Bangkok (Thailand) leren kennen en zijn nagenoeg meteen met elkaar gaan samenwonen. In 2004 zijn partijen naar Frankrijk vertrokken, alwaar zij korte tijd hebben gewoond. Daarna zijn zij in Nederland gaan wonen, alwaar de moeder (in 2006) zwanger werd. Tijdens de zwangerschap, op 3 februari 2007, zijn partijen vanwege een nieuwe baan van de moeder naar India verhuisd. De bevalling vond plaats in Nederland. De relatie tussen partijen is eind januari 2010 verbroken. Op 3 juli 2010 is de moeder met toestemming van de vader met de minderjarige naar Nederland vertrokken. De vader is hen in oktober 2010 nagereisd. Vanaf 18 oktober 2010 heeft de moeder bij haar werkgever ([werkgever moeder]) een jaar onbetaald verlof opgenomen. Dit verlof is haar verleend onder voorwaarde dat zij drie maanden voor haar verlof eindigt zelf solliciteert naar een interne functie. Als er geen geschikte functie beschikbaar is wordt het contract van de moeder beëindigd, zodat zij flexibel dient te zijn ten aanzien van de locatie waar zij na haar verlof zal gaan werken. [werkgever moeder] heeft momenteel vacatures in Turkije, Senegal en Liberia.

Partijen waren er steeds mee bekend dat hun levensstijl en de internationale carrière van de moeder hen naar vele bestemmingen zou brengen. Hoewel partijen steeds overeenstemming hebben gehad over het feit dat de minderjarige een internationale opvoeding zou genieten en in zijn leven regelmatig zou verhuizen, geeft de vader de moeder thans geen toestemming om met de minderjarige naar het buitenland te verhuizen. In Nederland heeft de moeder niet de mogelijkheid om zich op haar vakgebied in een passende baan op vergelijkbaar niveau in te zetten als in het buitenland. Het werk bij [werkgever moeder] maakt de moeder gelukkig en geeft haar energie, wat naar haar oordeel ook een positieve uitwerking heeft op de minderjarige. De minderjarige is een vrolijk kind met de moeder als stabiele opvoedingsfiguur, waardoor hij zich goed kan aanpassen, zodat een verhuizing in dat opzicht geen problemen zal geven. Voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige hadden partijen in India een fulltime nanny in dienst, en was er geen sprake een gelijke verdeling van de opvoedings- en verzorgingstaken van partijen, in de vorm van co-ouderschap. Thans, in Ndeerland is dat ook niet het geval; de feitelijke verzorging en opvoeding komt vooral voor rekening van de moeder en partijen hebben een regeling getroffen waarbij er geregeld contact tussen de vader en de minderjarige is. Wanneer de minderjarige naar het buitenland vertrekt zal de vader contact met hem kunnen houden via Skype, webcam, telefoon, brieven met foto's, kaartjes en e-mails, en zal een goede vakantieregeling worden getroffen. De moeder is bereid de vader daarin financieel tegemoet te komen; eenmaal per jaar zal zij de vliegreis van de vader naar de minderjarige betalen en eenmaal per jaar de vliegreis van de minderjarige naar de vader, waarnaast de schoolvakanties kunnen worden gedeeld op 60-40 basis (60 voor de vader). Een alternatief is dat de vader (die niet economisch gebonden is aan Nederland) de minderjarige achterna reist en zijn leven oppakt in het land waar de moeder gestationeerd zal worden.

Gelet op het voorgaande verzoekt de moeder de rechtbank toestemming om met de minderjarige te verhuizen naar de bestemming die haar positie als kostverdiener vereist.

De vader voert verweer. Hij stelt dat hij, ondanks de aanwezigheid van een nanny in verband met de werkzaamheden van de moeder, in India een groot deel van de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich heeft genomen, zulks voor zover zijn werk dat toeliet. Hij betwist dat partijen overeenstemming hebben gehad over het vertrek van de moeder met de minderjarige medio 2010 naar Nederland, over een internationale opvoeding voor de minderjarige en over de omstandigheid dat de minderjarige regelmatig zou moeten verhuizen. Juist om dat te voorkomen heeft de vader, nadat de moeder in Nederland bleef, zich ook weer in Nederland gevestigd. Hij heeft daartoe goede banen in Bangkok en Brussel laten schieten, en ervoor gekozen om een groot aandeel in de verzorging en opvoeding van de minderjarige te hebben. De vader acht de belangen van de minderjarige, die zich net in Nederland heeft gesetteld, niet gediend bij een verhuizing. Hij meent dat het belang van de minderjarige bij een goede hechting en een frequent contact met beide ouders, zwaarder weegt dan het belang van de moeder om zich als kostverdiener mogelijkerwijs in Turkije, Senegal of Liberia te vestigen. Volgens de vader kan de moeder, gelet op haar kwaliteiten, in Nederland zeker een goede baan vinden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank dient, gelet op het bepaalde in artikel 1:253a BW een beslissing te nemen die haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Daarnaast dienen, krachtens recente jurisprudentie, alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen, hetgeen er in voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de minderjarige, hoezeer ook het belang een overweging van de eerste orde is bij de te verrichten afweging van belangen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 414, m.nt. SW, LJN: BC5901).

Gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen is de rechtbank van oordeel dat het thans niet in het belang van de minderjarige te achten is dat hij met de moeder verhuist naar een nu nog onbekende bestemming die waarschijnlijk gelegen is in Turkije, Senegal of Liberia, dan wel in een ander ontwikkelingsland gelegen buiten Europa, dan wel naar een adres buiten de gemeente [woonplaats A], temeer nu, voor wat betreft een mogelijke verhuizing naar het buitenland, nog onbekend is voor welke tijdspanne een verblijf zal voortduren. De rechtbank laat bij dit oordeel met name de leeftijd van de minderjarige (op [geboortedatum minderjarige] 2011 vier jaar oud) en de omstandigheid dat de minderjarige vanaf het schooljaar 2011-2012 de basisschool zal gaan bezoeken zwaar meewegen. Bovendien is de verblijfplaats van deze minderjarige sedert medio 2010 talloze keren -naar de rechtbank begrijpt omwille van het welzijn van de moeder- gewijzigd, en is de minderjarige -terwijl zijn verblijfplaats in India stabiel was- overwegend door derden (de fulltime nanny) verzorgd en opgevoed. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat het belang van deze bijna vierjarige minderjarige bij structuur, continuïteit, stabiliteit en rust, zodat hij zich aan zijn omgeving kan hechten en een band met de vader kan opbouwen -hetgeen bij toewijzing van het verzoek feitelijk onmogelijk zal zijn- thans van groter belang is dan het belang van de moeder op het maken, dan wel behouden, van een internationale carrière. De rechtbank is bij dit oordeel overigens niet voorbij gegaan aan de verklaring van de moeder dat zij bij verschillende organisaties in Nederland heeft gesolliciteerd maar aldaar is afgewezen in verband met het ontbreken van een netwerk, en de mogelijkheid die de moeder heeft om bij een Nederlandse werkgever te worden aangenomen in een lager gekwalificeerde functie dan die zij tot nu toe heeft bekleed. De rechtbank begrijpt dit standpunt van de moeder, doch desalniettemin acht de rechtbank, op dit moment en onder de gegeven omstandigheden, het belang van de moeder ondergeschikt aan dat van de minderjarige.

De rechtbank beslist -gelet op het voorgaande- als volgt.

De zorgregeling

De vader verzoekt -kort weergegeven- een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarige alternerend de ene week bij hem en de andere week bij de moeder verblijft, alsmede de vaststelling van een regeling in de zomervakantie, de mei- en kerstvakantie en de voorjaars- en herfstvakantie. Voorts heeft de vader de vaststelling van een informatie- en consultatieregeling verzocht. Hij stelt daartoe het volgende.

De moeder is medio 2010 met de minderjarige voor een vakantie in Nederland uit India vertrokken. Aansluitend zou de man met de minderjarige een vakantie van twee weken hebben in Frankrijk. Daags voor zijn vertrek naar Frankrijk heeft de moeder de vader meegedeeld dat zij niet voornemens was om de minderjarige aan de vader mee te geven, tenzij de vader een brief zou ondertekenen waarin hij verklaarde er mee in te stemmen dat de minderjarige voorlopig in Nederland zou worden ingeschreven. De vader heeft vervolgens ontdekt dat de minderjarige op dat moment, zulks zonder zijn toestemming, al in Nederland was ingeschreven door de moeder. De vakantie van de minderjarige met de vader heeft vervolgens toch plaatsgevonden en is naar wens verlopen.

Na terugkomst van die vakantie konden partijen niet tot overeenstemming komen over de totstandkoming van een ouderschapsplan en (hervatting van) de co-ouderschapsregeling.

De moeder deelde de vader mede dat de minderjarige niet naar India zou terugkeren. Zij is zelf wel voor een korte periode naar India teruggegaan doch de minderjarige heeft zij bij haar ouders achtergelaten. Na ommekomst van die periode is de moeder weer naar Nederland teruggekeerd en is de vader -die inmiddels zijn baan in India had opgezegd- de moeder nagereisd. Nadien mocht de vader, na aanvankelijke weigering daartoe van de moeder, uiteindelijk toch een ruim contact met de minderjarige hebben.

Deze regeling is echter al weer snel eenzijdig door de moeder beperkt tot een middag per week (woensdag van 11.30 uur tot 19.00 uur) en zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur. Een meer uitgebreide regeling, zoals door de vader gewenst, is ondanks de inspanningen van de vader, niet tot stand gekomen. Ook informatie over de minderjarige ontvangt de vader niet van de moeder en zij consulteert hem ook niet over zaken die de minderjarige aangaan.

De moeder voert -met uitzondering van de door de vader verzochte vakantieregeling- verweer, en stelt dat het verzoek van de vader, met uitzondering van de vakantieregeling en de informatieregeling, dient te worden afgewezen. Indien de moeder geen toestemming wordt verleend om met de minderjarige te verhuizen, verzoekt de moeder subsidiair een regeling vast te stellen waarbij de minderjarige om de twee weken van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vader verblijft.

De moeder stelt voorts dat van een co-ouderschapsregeling, zoals door de vader is verzocht, geen sprake kan zijn, nu een dergelijke regeling niet praktisch en ook niet haalbaar is. Volgens de moeder zal er voor de minderjarige te veel onrust en onduidelijkheid ontstaan. De minderjarige is uitermate structuurbehoeftig en heeft vaste regelmaat, continuïteit, rust en geborgenheid nodig, hetgeen hem -wanneer hij telkens tussen twee huizen moet omschakelen- niet geboden kan worden. Bovendien dient voor een co-ouderschapsregeling tussen partijen optimaal te worden gecommuniceerd en dient er sprake te zijn van wederzijds vertrouwen. Noch van het een, noch van het ander is sprake, aldus de moeder. Daarnaast hebben partijen zeer vaak uiteenlopende opvoedkundige benaderingen.

De rechtbank is van oordeel dat van een co-ouderschapsregeling, zoals door de vader is verzocht, gelet op de belangen van de minderjarige geen sprake kan zijn. Immers, teneinde op een voor de minderjarige verantwoorde wijze uitvoering te geven aan een co-ouderschapsregeling is tussen de ouders een optimale communicatie, wederzijds begrip en vertrouwen noodzakelijk. De rechtbank is op grond van hetgeen haar is voorgelegd van oordeel dat de basis voor een verantwoorde co-ouderschapsregeling in het onderhavige geval ontbreekt.

De moeder heeft een regeling voorgesteld waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken bij de vader verblijft, zulks van vrijdagmiddag tot maandagochtend.

Ter terechtzitting is gebleken dat thans een regeling geldt waarbij de minderjarige elke woensdagmiddag van 11.30 uur tot 19.00 uur en elke zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de vader is.

De rechtbank is uit de stellingen en verklaringen van partijen gebleken dat zij gewikkeld zijn in een strijd waarbij ieders eigen belang voorop staat, en die over het hoofd van de minderjarige wordt gestreden. De rechtbank merkt op dat de minderjarige, indien deze strijd voortduurt, daarvan in zijn verdere ontwikkeling schade zal ondervinden. Deze schade kan worden beperkt wanneer de ouders nu onderkennen dat zij het belang van de minderjarige boven hun eigen wensen en belangen moeten laten prevaleren.

In dit licht gezien is de rechtbank van oordeel dat een regeling waarbij elk der ouders enigszins in zijn/haar wensen en belangen wordt beperkt, doch anderzijds daarin wordt tegemoet gekomen, op dit moment het meest in het belang van de minderjarige is.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, een regeling waarbij de minderjarige elke woensdagmiddag van 11.30 uur tot 19.00 uur alsmede eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de vader zal zijn, het meest in het belang van de minderjarige, en beslist derhalve als volgt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het verzoek van de vader ten aanzien van de vakantieregeling als onweersproken en op de wet gegrond kan worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

De informatie- en consultatieregeling

De moeder voert geen verweer tegen de door de vader verzochte informatie- en consultatieregeling, zodat dit verzoek als onweersproken en op de wet gegrond kan worden toegewezen. De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming, welke die van de vader vervangt,om met de minderjarige te verhuizen naar de bestemming die haar positie als kostverdiener vereist;

bepaalt dat de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2007 te [geboorteplaats minderjarige],

bij de vader zal elke woensdagmiddag van 11.30 uur tot 19.00 uur alsmede eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag tot maandagochtend,

en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt voorts dat de minderjarige in de zomervakantie drie aaneengesloten weken in Nederland dan wel in het buitenland bij de vader zal zijn, waartoe de vader de moeder minimaal vier weken voor de vakantie schriftelijk informeert over zijn vakantieadres en zijn bereikbaarheid aldaar, en hij er voor zorg draagt dat de minderjarige telefonisch contact heeft met de moeder op de dag van aankomst en vervolgens iedere twee dagen tot het moment van terugkeer naar het huis van de vader;

bepaalt dat de minderjarige in de mei- en in de kerstvakantie in de even jaren gedurende de eerste week van die vakanties bij de vader zal zijn, alsmede in de oneven jaren gedurende de tweede week van die vakanties;

bepaalt dat de minderjarige de voorjaarsvakantie en de herfstvakantie alternerend per jaar bij de vader dan wel bij de moeder doorbrengt, te beginnen met de herfstvakantie 2011 en de voorjaarsvakantie 2012, beide bij de vader;

verklaart deze vakantieregeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst ten aanzien van de vakantieregeling het meer of anders verzochte af;

bepaalt dat de moeder met ingang van heden de vader tenminste maandelijks en tijdig, schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige, alsmede over het vermogen van de minderjarige, zoals weergegeven onder punt 2.28 in het verzoekschrift van de vader, en verklaart deze informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de moeder voorts de vader zal raadplegen -zo nodig door tussenkomst van derden- over te nemen beslissingen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige, zoals weergegeven onder punt 2.28 in het verzoekschrift van de vader, en verklaart deze consultatieregeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kok, kinderrechter, bijgestaan door

V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

24 juni 2011.