Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9949

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
396052 - KG ZA 11-676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Onrechtmatige overheidsdaad. Ontvankelijkheid. Vordering van eiseres dat ertoe strekt om gedaagde te bevelen zich te onthouden van iedere maatregel tot ontslag of de voorbereiding daarvan in al de bewindsdossiers van eiseres alsmede te bevelen zich te onthouden tot het stellen van een bankgarantie in afwachting van de cassatieberoepen. Vaststaat dat de sancties die de rechtbank Maastricht bij brief van 20 mei 2011 in het vooruitzicht heeft gesteld, (nog) niet door de toezichthoudende kantonrechter(s) van de rechtbank Maastricht zijn genomen. Nu de toezichthoudende kantonrechter een bij wet gegeven bevoegdheid heeft om de bedoelde beschikkingen af te geven, zou toewijzing van de vordering deze op de wet gebaseerde bevoegdheid op een onaanvaardbare wijze doorkruisen. De gevraagde voorziening is dan ook in strijd met de wet. Gelet hierop oordeelt de voorzieningenrechter dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 396052 / KG ZA 11-676

Vonnis in kort geding van 24 juni 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Cirkel Bewindvoeringen B.V., tevens handelend onder de naam Cirkel Financial Coaching (voorheen geheten Budgetbeheer Limburg B.V.),

gevestigd te Maastricht,

eiseres,

advocaat mr. P. Garretsen te 's-Gravenhage,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.S. ter Kuile te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Cirkel' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 15 juni 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Cirkel is een bedrijf dat zich toelegt op beschermingsbewind, inkomensbeheer en financiële begeleiding van meerderjarige personen die vanwege hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid niet in staat zijn zelfstandig hun eigen (vermogensrechtelijke) belangen te behartigen. [A.] (hierna: '[A.]') is directeur van Cirkel en kan als zodanig door de rechtbank Maastricht tot bewindvoerder worden benoemd. Daarnaast is [A.] advocaat te [Z.].

1.2. Sinds 1 september 2009 is mr. W.E. Elzinga (hierna: 'mr. Elzinga') benoemd tot voorzitter van de unit toezicht van de rechtbank Maastricht, waaronder het bewindsbureau valt.

1.3. Naar aanleiding van diverse klachten van rechthebbenden in zaken van [A.], hebben de toezichthoudende kantonrechters bij brief van 22 december 2009 [A.] uitgenodigd voor een gesprek op 6 januari 2010. Nu op deze datum [A.] verhinderd bleek te zijn, is er een nieuwe afspraak gemaakt voor 3 februari 2010. Voorafgaand aan dit gesprek heeft mr. Elzinga op 6 januari 2010 aan [A.] een brief gestuurd met daarin de gesprekspunten, waarbij als bijlagen waren gevoegd haar voorbereidende aantekeningen en een overzichtslijst (tot en met 2008) van de circa 150 zaken waarin [A.] als bewindvoerder optreedt. In deze brief staat, voor zover relevant, vermeld:

"(...)

Ons is bij de controle van de rekening en verantwoording in bewindsdossiers over 2008 van uw kantoor een aantal dingen opgevallen waarover wij met u van gedachten willen wisselen, dit mede naar aanleiding van de door u in uw brief aan mr. Otto van 19 november 2009 aangekondigde reorganisatie van uw kantoor.

Onze bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar het relatief grote aantal zaken waarin u als beschermingsbewindvoerder aan uw eigen advocatenkantoor betalingen doet, zonder dat door het bewindsbureau aan u machtiging tot procederen is verleend. De vraag of dit wenselijk is, nu uw belangen als bewindvoerder tevens advocaat in zo'n geval mogelijk niet parallel lopen met die van de rechthebbende. Deze vraag is wat ons betreft ook relevant in de situatie waarin u bent gemachtigd door de rechthebbende zelf.

Voorts is opmerkelijk dat in een groot aantal dossiers sprake is van betalingen aan/gebruik van uw derdengeldenrekening. Zoals u weet achten wij dat ongewenst en dient deze praktijk zo spoedig mogelijk te worden beëindigd.

Ook is opvallend dat in een relatief groot aantal bewindsdossiers tijdens uw bewind de schuldenlast met meer dan € 20.000 is toegenomen in een relatief korte periode (< 5 jaar). Op dit punt zouden wij graag van u een toelichting ontvangen.

Tevens blijkt het bewindvoerdersloon vaak onjuist te zijn berekend, meestal teveel, soms ook te weinig. Tenslotte ontbreken in vrijwel alle dossiers de originele bankafschriften, wordt alleen een uitdraai van uw eigen administratie aangetroffen. Wij verzoeken u voor het gesprek alsnog de originele bankafschriften over te leggen.

Ook stellen wij vast dat u in een aantal dossiers nog geen rekening en verantwoording heeft ingediend hoewel de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Wij verzoeken u dit zo spoedig mogelijk alsnog te doen.

De uitkomst van het gesprek zal bepalend zijn voor de vraag of wij vertrouwen houden in u als bewindvoerder.

(...)"

1.4. Op 3 februari 2010 heeft een evaluatiegesprek van mr. Elzinga met [A.] plaatsgevonden.

1.5. Op 19 juli 2010 heeft de kantonrechter van de rechtbank Maastricht vier beschikkingen gegeven in twee zaken, waarbij (i) [A.] werd ontslagen als bewindvoerder in beide zaken en (ii) hem werd bevolen de kosten die hij in rekening heeft gebracht voor het gebruik van zijn administratiesysteem Smart FMS terug te betalen en in één van de zaken ook de niet onderbouwde advocaatkosten. [A.] heeft vervolgens tegen de beschikkingen over de kosten hoger beroep ingesteld. De ontslagbeschikkingen heeft hij niet aangevochten.

1.6. Bij beschikkingen van 20 januari 2011 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch de onder 1.5 genoemde beschikkingen inzake de kosten bekrachtigd. Tegen deze beschikkingen heeft [A.] cassatie ingesteld.

1.7. Nadat een op 16 februari 2011 gepland gesprek met mr. Elzinga door [A.] is afgezegd, heeft mr. Elzinga ter voorbereiding op de nieuw geplande afspraak van 9 maart 2011 bij brief van 21 februari 2011, voor zover relevant, aan [A.] bericht:

"(...)

De kantonrechters betrokken bij het Bewindsbureau stellen zich op het standpunt dat de financiële belangen van de rechthebbenden in deze dossiers een voortvarende aanpak vereisen en dat een langer uitstel daarmee niet te verenigen is. Er kan dan ook niet worden gewacht op de uitspraak van de Hoge Raad.

De discussiepunten zijn in alle dossiers min of meer identiek:

In 2008 is teveel bewindvoerdersloon gerekend, in 2009 ook (onjuiste herberekening bewindvoerdersloon 2008 (ongeveer € 19,-), 13e maand (€ 89,25) en € 70,- tbv Smart fms) en ik ga ervan uit (op basis van de gegevens in het dossier [B.]) dat u ook in 2010 de kosten van Smart fms niet op de door u in rekening gebrachte kantoorkosten in mindering hebt gebracht. Dit zal dus voor het jaar 2010 leiden tot een terug te betalen bedrag van € 120,-. Mogelijk worden deze kosten ook in 2011 nog rechtstreeks bij rechthebbenden door dit software bedrijf geïnd zonder dat u het maandelijkse bewindvoerdersloon met dit bedrag hebt verminderd. Dat betekent dat in alle dossiers die zowel in 2008, 2009 en 2010 onder uw bewind vielen tenminste € 300,- door u moet worden terugbetaald aan de rechthebbenden. Ik ga er daarbij van uit dat de Hoge Raad een eventueel cassatieberoep zal verwerpen nu er onzes inziens geen rechtsvragen aan de orde zijn en over de feitelijke vragen door het Hof ruim gemotiveerd is beslist. Nu u naar schatting nog ongeveer 150 "Maastrichtse'' bewindsdossiers onder uw hoede heeft en u in een aantal daarvan naar verwachting ook nog advocaatkosten terug zult moeten betalen, berekenen wij, grof geschat, het totale terug te betalen bedrag op tenminste € 50.000,00.

Wij achten het te behoren tot onze toezichthoudende taak van u een deugdelijk plan te verlangen hoe dit omvangrijke bedrag binnen afzienbare tijd aan de rechthebbenden gaat terugbetalen. Wij zijn bereid u daarvoor een termijn te gunnen tot uiterlijk 31 december 2011 maar stellen daarbij de voorwaarde dat u zekerheid verschaft in de vorm van een bankgarantie, af te geven voor 1 april 2011.

(...)

Wij zullen u pas weer in nieuwe bewindsdossiers benoemen nadat alle voormelde punten naar onze tevredenheid zijn afgehandeld.

(...)"

1.8. Op 9 maart 2011 heeft een gesprek tussen mr. Elzinga en [A.] plaatsgevonden.

1.9. Bij brief van 29 maart 2011 heeft [A.] aan het bewindsbureau van de rechtbank Maastricht laten weten niet bereid te zijn de onder 1.7 bedoelde bankgarantie af te geven.

1.10. Bij brief van 20 mei 2011 heeft de sectorvoorzitter civiel/kanton van de rechtbank Maastricht aan [A.], voor zover relevant, bericht:

"(...)

Het voorgaande rechtvaardigt op zijn minst een bankgarantie tot het eerder verzochte bedrag van € 50.000,- om de belangen van uw bewindscliënten in voldoende mate zeker te stellen. In verband met de door u in 2010 uitgesproken bereidheid om uw bewindvoering meer conform de door de rechtbank gehanteerde normen, ingesteld ter betere bescherming van rechthebbenden, uit te oefenen, geef ik u een laatste kans om vóór 15 juni 2011 alsnog een garantie van een Nederlandse bank te overleggen op basis waarvan op eerste afroep van de kantonrechter aan door de kantonrechter aan te wijzen rechthebbenden door de kantonrechter aan te geven bedragen worden uitbetaald tot een bedrag van maximaal € 50.000,-.

Voldoet u opnieuw niet aan dit uitdrukkelijke verzoek, dan wordt overwogen u bij beschikking op de voet van art. 1: 363 BW te bevelen dit alsnog binnen 14 dagen te doen, met toezending van een afschrift van die beschikking aan alle rechthebbenden, dan wel wegens verder ontbreken van vertrouwen u aanstonds in alle aan u toevertrouwde bewinden voor ontslag voor te dragen.

(...)''

2. Het geschil

2.1. Cirkel vordert de Staat te bevelen zich te onthouden van iedere maatregel tot ontslag of tot de voorbereiding daarvan zolang niet door de Hoge Raad is beslist in de twee bij hem aanhangige zaken. Voorts vordert Cirkel de Staat te bevelen zich te onthouden van het stellen van de eis tot het stellen van een bankgarantie van € 50.000,-- vóór 15 juni 2011, de gestelde condities en/of het daartoe bepaalde bedrag daaronder begrepen.

2.2. Aan haar vorderingen legt Cirkel ten grondslag dat de rechtbank Maastricht zich schuldig maakt aan misbruik van recht c.q. misbruik van bevoegdheid en/of dat sprake is van knevelarij door het beroep in cassatie niet af te wachten. De rechtbank Maastricht miskent dat, steeds en zolang de onderbewindgestelde opdracht geeft tot hetzij de aanschaf van een software pakket ten behoeve van zijn dagelijkse financiële administratie, hetzij het voeren van een gerechtelijke procedure in zijn belang, de wetsystematiek zich er niet tegen verzet dat die kosten worden doorberekend aan die onderbewindgestelde en dus als kostenpost in de jaarlijkse rekening en verantwoording met betrekking tot de boedelrekening worden meegenomen. Bovendien betreft het hier feitelijk een zaak van de onderbewindgestelde zelf, zodat indien de Hoge Raad het cassatieberoep zou verwerpen, deze onderbewindgestelde dient te besluiten of hij een procedure wegens onrechtmatig handelen tegen de bewindvoerder wil opstarten dan wel een claim wil neerleggen bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de bewindvoerder. De rechtbank Maastricht kan derhalve niet van Cirkel verlangen om een bankgarantie te stellen op straffe van ontslag en geen nieuwe benoemingen. Indien de rechtbank Maastricht haar voornemens tot uitvoering brengt door hangende het beroep in cassatie de onderbewindgestelde personen reeds aan te schrijven, lijdt Cirkel onherstelbare reputatieschade. Cirkel heeft dan ook spoedeisend belang bij haar vorderingen.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Cirkel heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat (lees: diens orgaan de rechtbank Maastricht) jegens haar onrechtmatig dreigt te handelen. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

3.2. De Staat heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat Cirkel niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, nu tegen de eventueel nog te nemen beschikking(en) van de toezichthoudende kantonrechter van de rechtbank Maastricht hoger beroep op grond van artikel 806 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering openstaat.

3.3. Vaststaat dat de sancties die de rechtbank Maastricht bij brief van 20 mei 2011 in het vooruitzicht heeft gesteld (nog) niet door de toezichthoudende kantonrechter(s) van de rechtbank Maastricht zijn genomen.

3.4. De toezichthoudende kantonrechter heeft een bij wet gegeven bevoegdheid om de bedoelde, beschikkingen af te geven. Toewijzing van de vordering strekkende tot een bevel aan de Staat om zich te onthouden van een bevel tot zekerheidstelling dan wel van een beschikking tot ontslag, zou deze op de wet gebaseerde bevoegdheid op een onaanvaardbare wijze doorkruisen. De gevraagde voorziening is dan ook in strijd met de wet. Gelet hierop wordt geoordeeld dat Cirkel niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. Dit betekent dat voor Cirkel de weg naar de civiele voorzieningenrechter thans niet openstaat. De omstandigheid dat door uitvoering van het voornemen van de toezichthoudende kantonrechter van de rechtbank Maastricht om een bevel tot zekerheidsstelling dan wel een beschikking tot ontslag af te geven, Cirkel onherstelbare reputatieschade zou lijden, doet aan het voorgaande niet af.

3.5. Cirkel zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart Cirkel niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

- veroordeelt Cirkel in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.384,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 568,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2011.

mn