Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9894

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
Awb 11/18710 en Awb 11/18711
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijk beroep tegen het voortduren van de vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 56 Vw 2000). Verweerder heeft zijn standpunt dat in het geval van eisers thans niet met een lichter middel dan de vrijheidsbeperking kan worden volstaan, onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft de door eisers aangevoerde bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot hun persoonlijke belangen niet dan wel onvoldoende kenbaar afgewogen tegen de belangen van de staat. Het beroep is gegrond. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummers: Awb 11/18710 en Awb 11/18711

Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdelingen genaamd, althans zich noemende:

[naam],

geboren op [geboortedatum],

V-nummer: 270.495.2546,

eiser,

en zijn dochter:

[naam]

geboren op [geboortedatum]

V-nummer: 270.495.2609,

eiseres,

beiden van Georgische nationaliteit,

tezamen te noemen: eisers,

gemachtigde van eisers: mr. A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. De Minister voor Immigratie en Asiel, hierna verweerder, heeft op 28 januari 2011 aan eisers, ieder afzonderlijk, een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 56, eerste lid, Vw 2000 opgelegd. Daarbij zijn eisers verplicht om met ingang van 3 februari 2011 te verblijven in de gemeente Vlagtwedde. Een eerder beroep tegen de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregelen is bij uitspraak van 21 februari 2011 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (Awb 11/3906 en Awb 11/5244) ongegrond verklaard.

1.2. Bij (een en hetzelfde) beroepschrift van 6 juni 2011 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het voortduren van de maatregelen.

1.3. Verweerder heeft bij faxbericht van 9 juni 2011 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en aan eisers toegezonden.

1.4. Bij twee faxberichten van 10 juni 2011, ingekomen bij de rechtbank om 14:23 uur en 15:49 uur, hebben eisers nadere stukken ingediend.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 14 juni 2011. Eiser is aldaar verschenen bij gemachtigde. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen

mr. H. Oude Lenferink.

1.6. Bij de aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd meegedeeld dat zij er wel van op de hoogte is dat op 10 juni 2011 door eisers nadere stukken zijn ingediend, doch dat zij de inhoud ervan niet kent omdat zij, op het moment van binnenkomst van die stukken bij verweerder, niet meer op haar werkplek aanwezig was. Vervolgens heeft de rechtbank bedoelde stukken (in kopie) aan de gemachtigde van verweerder overhandigd. De rechtbank heeft daarop, met instemming van eisers, het onderzoek ter zitting onderbroken teneinde de gemachtigde van verweerder in de gelegenheid te stellen van die stukken kennis te nemen. Na hervatting van het onderzoek ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd aangegeven dat zij in staat is ter zitting op die stukken te reageren.

De rechtbank heeft na de behandeling het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1. De rechtbank overweegt ambtshalve ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep als volgt.

2.2. Zoals deze rechtbank en nevenzittingsplaats eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 30 oktober 2009 (LJN: BK4199 en JV 2010,18), volgt naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 93, tweede lid, Vw 2000 en uit het stelsel van de wet, waarin wordt gestreefd naar een adequate rechtsbescherming van vreemdelingen aan wie vrijheidsbeperkende of vrijheidsbenemende maatregelen worden opgelegd, dat ook tegen het voortduren van de maatregel van artikel 56 Vw 2000 beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. De omstandigheid dat hiervoor geen afzonderlijke procedure in de wet is opgenomen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.3. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover dat betrekking heeft op eiser, overweegt de rechtbank voorts nog als volgt.

De gemachtigde van eisers heeft ter zitting, onder verwijzing naar een faxbericht van 10 juni 2011 van de behandelend psychiater van eiser, [naam] verbonden aan het Riagg Maastricht, het volgende meegedeeld. Eiser is op 9 juni 2011, in Maastricht, ter controle gezien door zijn behandelend psychiater. Deze schrijft in zijn faxbericht van 10 juni 2011 dat er sprake is van een toename van depressieve klachten bij eiser en dat eiser zowel mentaal als fysiek uitgeput raakt. De behandelend psychiater concludeert dat het vanuit medisch-psychiatrisch oogpunt op dit moment volstrekt onverantwoord is om eiser te laten terugkeren naar de Vrijheidsbenemende Locatie te Ter Apel (gemeente Vlagtwedde) (hierna te noemen: VBL). Vervolgens heeft eiser er, om gezondheidsredenen, in overleg met eiseres, voor gekozen om niet terug te keren naar de VBL, doch om achter te blijven in zijn vertrouwde woonomgeving in Maastricht waar hij thans wordt opgevangen door de Armeense gemeenschap. Eiseres is wel teruggekeerd naar de VBL, hoe zwaar het voor haar ook is om eiser te hebben moeten achterlaten in Maastricht, aldus de gemachtigde van eisers ter zitting.

2.4. Gelet op deze – in 2.3. vermelde – mededeling van de gemachtigde van eisers, gaat de rechtbank er vanuit dat eiser zich (thans) aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft onttrokken. Dit brengt evenwel niet met zich dat eiser, om die reden, geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep, nu de maatregel – ook al heeft eiser zich daaraan onttrokken – nog altijd van kracht is.

2.5. Gelet op het hiervoor overwogene, is het beroep ontvankelijk.

2.6. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of het voortduren van de vrijheidsbeperkende maatregelen in rechte stand kan houden.

Feiten/omstandigheden en standpunten van partijen

2.7. Bij het opleggen, bij besluit van 28 januari 2011, aan eisers van de vrijheidsbeperkende maatregelen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het belang van de openbare orde de oplegging van de maatregelen vordert omdat eisers:

- niet hebben voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten;

- geen vaste woon- of verblijfplaats hebben noch over voldoende middelen van bestaan beschikken, waardoor het gevaar bestaat dat zij zich aan de uitzetting zullen onttrekken; en

- in Nederland geheel zijn uitgeprocedeerd dan wel geen procedures meer open hebben staan die in Nederland afgewacht mogen worden.

2.8. In de in 1.1. genoemde uitspraak van 21 februari 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen niet in strijd zijn met de wet en dat deze maatregelen bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd zijn te achten.

In de onderhavige (opvolgende) procedure dient, op grond van beroepsgronden, te worden beoordeeld of het voortduren van de vrijheidsbeperkende maatregelen nog altijd rechtmatig is.

Standpunt van eisers

2.9. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting het volgende aangevoerd.

Met name de zeer slechte (psychische en fysieke) gezondheidssituatie van eiser, maar ook de verslechter(en)de (psychische) gezondheidssituatie van eiseres maken dat het voortduren van de maatregelen voor eisers onevenredig zwaar is. Ter onderbouwing hiervan verwijzen eisers naar (bij faxberichten van 10 juni 2011 overgelegde) medische rapporten. Met name is van belang dat de psychiater van eiser in Maastricht is gevestigd. Ook de behandelaars van eiseres zijn in Maastricht gevestigd.

De Armeense gemeenschap in Maastricht is bereid en in staat om te zorgen voor huisvesting en voldoende bestaansmiddelen voor eisers. Van belang is voorts dat eisers op 10 mei 2011 allebei een aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning hebben ingediend, op grond van de bijzonder schrijnende situatie waarin zij verkeren. Eisers mogen de beslissing op hun aanvraag afwachten; er rust op hen derhalve niet langer de rechtsplicht om Nederland te verlaten. Daarnaast is het gestelde in de signaallijst van LTO VBL Vlagtwedde van 27 mei 2011 van belang. Daarin is onder ‘Beslispunt/oplossingsrichting vanuit LTO’ vermeld: “Nu i.c. op 10 mei 2011 een VVR is ingediend en (-)n niet meer rechtmatig verwijderbaar zijn en aangeboden wordt opvang in Maastricht te organiseren èn een evt wekelijkse meldplicht zal worden nageleefd, lijkt – mede gelet op de medische problematiek en de gestelde decompensatie van betrokkenen – handhaving van de opgelegde maatregel niet langer houdbaar. Contact met AD DT&V Den Bosch is noodzakelijk.”

Eisers vinden het onbegrijpelijk dat verweerder zomaar aan het gestelde in de signaallijst voorbijgaat. Ten slotte benadrukken eisers dat zij zich, bij opheffing van de maatregelen, niet zullen onttrekken aan uitzetting. In de visie van eisers kan in hun geval worden volstaan met een lichter middel. Eisers zijn, zoals ook is vermeld in de signaallijst, bereid om aan andere verplichtingen te voldoen zoals aan een wekelijkse meldplicht bij de vreemdelingenpolitie in Maastricht, aldus de gemachtigde van eisers ter zitting.

Standpunt van verweerder

2.10. In reactie op het namens eisers aangevoerde heeft de gemachtigde van verweerder er ter zitting allereerst op gewezen dat de signaallijst van LTO VBL Vlagtwedde van 27 mei 2011 waar eisers zich op beroepen, een intern stuk is. Dat stuk bevindt zich ten onrechte in het dossier. Het mag zo zijn dat in de signaallijst staat dat handhaving van de opgelegde maatregelen niet langer houdbaar lijkt, maar verweerder is niet gehouden die zogenoemde oplossingsrichting zonder meer over te nemen, aldus de gemachtigde van verweerder. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat zij niet kan zeggen waar de afkorting LTO voor staat.

2.11. Vervolgens heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting naar voren gebracht dat verweerder zich op het standpunt stelt dat voortzetting van de aan eisers opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen gerechtvaardigd is. Een lichter middel dan vrijheidsbeperking volstaat niet. Daarbij is van belang dat er van de kant van de Georgische autoriteiten toezeggingen zijn voor afgifte van laissez passer ten behoeve van eisers. Voorts is van belang dat uit de verslagen van de met eisers gehouden vertrekgesprekken blijkt dat de verklaringen van eisers over hetgeen zij ondernemen ter nakoming van hun verplichting om Nederland eigener beweging te verlaten, wisselend zijn. Eisers doen alsof zij meewerken aan het mogelijk maken van uitzetting, maar in werkelijkheid weigeren zij de daarvoor noodzakelijke medewerking te verlenen.

Het is juist dat eisers inmiddels allebei een aanvraag hebben ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier. Met het oog op de te nemen beslissing op de aanvragen is het Bureau Medische Advisering (BMA) om advies gevraagd. De beslissing op de aanvragen zal worden genomen omstreeks 26 juli 2011. Tot die tijd hebben eisers rechtmatig verblijf in Nederland waardoor zij niet kunnen worden uitgezet. Dit laat onverlet dat de vrijheidsbeperkende maatregelen dienen te worden gehandhaafd. De medische situatie van zowel eiser als eiseres doet daar niet aan af. Daarbij is van belang dat er in de VBL voldoende medische voorzieningen voor eisers zijn. Overigens is in de VBL nooit gemeld dat ook eiseres psychische klachten heeft waarvoor zij, kennelijk in Maastricht, onder behandeling is, aldus de gemachtigde van verweerder ter zitting.

Nadere vraag van de rechtbank en de daarop door partijen ter zitting gegeven reactie

2.12. De rechtbank heeft de gemachtigde van verweerder vervolgens gevraagd om nadere uitleg omtrent de gang van zaken rond de laissez passer voor eisers. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat in het verslag van het op 24 februari 2011 met eisers gehouden vertrekgesprek is vermeld dat de regievoerder aan eisers heeft uitgelegd dat de diplomatieke vertegenwoordiging van Georgië ten behoeve van eisers laissez passer heeft afgegeven.

In het op 3 maart 2011 met eisers gehouden vertrekgesprek is vermeld dat – nadat eiseres aan de regievoerder heeft aangegeven: “Ik wil eerst zien dat er daadwerkelijk een laissez passer voor ons is afgegeven” – de regievoerder antwoordt dat eiseres de regievoerder moet geloven dat er daadwerkelijk een laissez passer is afgegeven en dat eisers kunnen terugkeren naar het land van herkomst. Verder is op pagina 1 van de – volgens verweerder interne – signaallijst van 27 mei 2011 achter “Status LP aanvraag” vermeld: “LP’s afgegeven”.

De rechtbank heeft de gemachtigde van verweerder voorgehouden dat haar voorshands niet duidelijk is waarom verweerder, op enig moment in de periode van (in elk geval) 24 februari 2011 tot het moment van indiening – volgens partijen: 10 mei 2011 – van de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning regulier, eisers niet heeft uitgezet met gebruikmaking van de – kennelijk voorhanden – laissez passer.

2.13. De gemachtigde van verweerder heeft, in reactie op de vraag van de rechtbank,

het volgende geantwoord.

Primair stelt verweerder zich op het standpunt dat de rechtbank met het stellen van die vraag buiten de grenzen van het geschil treedt, omdat eisers zelf in het onderhavige geschil niets hebben opgemerkt over de laissez passer.

Subsidiair geldt dat verweerder, voor het kunnen effectueren van de uitzetting van eisers met gebruikmaking van de toegezegde laissez passer, nog wel afhankelijk was van de medewerking van eisers, juist omdat aan eisers vrijheidsbeperkende maatregelen waren opgelegd, aldus de gemachtigde van verweerder ter zitting.

2.14. De gemachtigde van eisers heeft, in reactie op hetgeen namens verweerder subsidiair naar voren is gebracht, gesteld dat hem dat vreemd voorkomt. Het gebeurt geregeld dat een vreemdeling aan wie een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd, door verweerder vanuit de vrijheidsbeperkende locatie waar hij verblijft, wordt uitgezet met gebruikmaking van een laissez passer, aldus de gemachtigde van eisers ter zitting.

Toetsingskader

2.15. Ingevolge artikel 56, eerste lid, Vw 2000 kan door verweerder overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen

b, d en e.

2.16. Ingevolge artikel 5.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan de maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, Vw 2000, bestaan uit:

a. een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of

b. een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.

2.17. Volgens verweerders beleid, neergelegd in paragraaf A6/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 – voor zover hier van belang – mogen de opgelegde beperkingen ex artikel 56 Vw 2000 niet zo verstrekkend zijn, dat zij het karakter van een vrijheidsontnemende maatregel hebben, noch dienen zij ertoe om de uitzetting van een vreemdeling te verzekeren. Alleen in uitzonderingsgevallen, met name indien de uitzetting (nog) niet kan plaatsvinden en de toepassing van een andere vrijheidsbeperkende maatregel niet in aanmerking komt, kan deze maatregel in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid toegepast worden. Hoewel de maatregel niet aan een wettelijke termijn is gebonden, dienen ook hierbij de beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (kan een lichter middel toegepast worden) in acht genomen te worden. De maatregel wordt beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en daartoe voor hem ook de gelegenheid bestaat. De vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw 2000 in de vrijheidsbeperkende locatie zal in beginsel uiterlijk twaalf weken worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

2.18. De rechtbank merkt allereerst op dat zij hetgeen ter zitting namens verweerder subsidiair naar voren is gebracht – vermeld in 2.13. –, in reactie op de vraag van de rechtbank over de mogelijkheid van uitzetting van eisers nu er kennelijk door de Georgische diplomatieke vertegenwoordiging laissez passer zijn verstrekt dan wel toegezegd, niet kan plaatsen, net zo min als de gemachtigde van eisers dat kan, gelet op zijn ter zitting gemaakte – in 2.14. vermelde – opmerking. De rechtbank laat deze kwestie verder voor wat zij is.

2.19. Gelet op de in 1.1. vermelde uitspraak van 21 februari 2011 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats, was het opleggen aan eisers van de vrijheidsbeperkende maatregelen rechtmatig. Niet in geschil is dat eisers, ook na het opleggen van de maatregelen, niet hebben voldaan aan de – tot het moment van indiening van de nieuwe verblijfsaanvragen bestaande – rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten.

2.20. Ter zitting is aan de orde geweest dat eisers op 10 mei 2011 nieuwe verblijfsaanvragen hebben ingediend. Deze aanvragen bevinden zich niet in het aan de rechtbank ter beschikking gestelde dossier. De rechtbank gaat er van uit dat deze aanvragen er wel zijn, gelet op hetgeen partijen daarover ter zitting hebben verklaard. Eisers mogen de beslissing op deze aanvragen hier te lande afwachten. Dit betekent dat met ingang van

10 mei 2011 op eisers niet langer de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Namens verweerder is ter zitting meegedeeld dat, met het oog op de te nemen beslissing op de aanvragen, verweerder het BMA om advies heeft gevraagd en dat de beslissing op de aanvragen zal worden genomen omstreeks 26 juli 2011. Dit is – gerekend vanaf de dag van de zitting, 14 juni 2011 – over zes weken. Eisers verblijven reeds vanaf 3 februari 2011 in de VBL, derhalve – gerekend tot aan de dag van de zitting – negentien weken. Weliswaar is in het beleid neergelegd dat de duur van de vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw 2000 in de VBL in beginsel uiterlijk twaalf weken is, doch dit is geen wet van Meden en Perzen. Derhalve is in de enkele omstandigheid dat, bij ongegrondverklaring van het onderhavige beroep, de duur van het verblijf van eisers in de VBL in elk geval ten minste circa 25 weken zal zijn, geen aanleiding gelegen voor het oordeel dat de voortzetting van de maatregelen onrechtmatig is.

2.21. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de voortzetting van de maatregelen om een andere reden onrechtmatig is. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Eisers hebben bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot hun persoonlijke belangen aangevoerd die, in de visie van eisers, de voortzetting van de maatregelen onevenredig maken. Zo hebben eiser, op dit punt, verwezen naar de signaallijst van 27 mei 2011, voor zover daarin is vermeld dat (en waarom) volgens LTO VBL Vlagtwedde ‘handhaving van de opgelegde maatregelen niet langer houdbaar lijkt’. Daarnaast hebben eisers gewezen op hun medische situatie. Voorts hebben eisers onweersproken gesteld dat er voor hen in Maastricht, door tussenkomst van de Armeense gemeenschap, huisvesting beschikbaar is en dat zij in Maastricht zullen kunnen beschikken over voldoende bestaansmiddelen. Daar komt bij dat facilitering van het vertrek van eisers op dit moment niet aan de orde is, nu – gelet op verweerders ter zitting gedane mededeling – eisers in elk geval tot omstreeks 26 juli 2011 rechtmatig verblijf in Nederland hebben waardoor zij niet kunnen worden uitgezet. Derhalve rust op eisers thans niet de rechtsplicht om Nederland te verlaten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden onvoldoende kenbaar betrokken bij de door hem te verrichten belangenafweging. In het bijzonder merkt de rechtbank in dit verband op dat het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder – vermeld in 2.10. –, in reactie op het beroep van eisers op de signaallijst van LTO VBL Vlagtwedde van 27 mei 2011, niet is aan te merken als een toereikende motivering waarmee de in de signaallijst opgenomen afweging terzijde kan worden geschoven.

Voorts heeft verweerder niet nader gemotiveerd waarom, bij de door hem te verrichten belangenafweging, van belang is dat er van de kant van de Georgische autoriteiten toezeggingen zijn voor afgifte van laissez passer ten behoeve van eisers, zoals verweerders gemachtigde ter zitting heeft aangegeven. Immers, volgens verweerder waren de laissez passer reeds verstrekt dan wel toegezegd op (in elk geval) 24 februari 2011, zonder dat verweerder vervolgens de laissez passer heeft gebruikt of heeft doen gebruiken.

Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank derhalve van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat in het geval van eisers thans geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw 2000 kunnen worden toegepast, onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.21. Gelet op het voorgaande is het beroep van eisers tegen het voortduren van de vrijheidsbeperkende maatregelen gegrond. De maatregelen dienen met ingang van heden te worden opgeheven.

2.22. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eisers. Deze worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op

€ 874,- (1 punt voor het beroepschrift (dat betrekking heeft op zowel eiser als eiseres) en

1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,- en wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de aan eisers opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 56 Vw 2000 met ingang van heden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ad € 874,-, welke kosten verweerder aan eisers dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Depping, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2011.

De griffier,

De rechter,

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.