Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9822

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
395381 - FA RK 11-4179
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bopz - verzoek tot voortgezet verblijf - termijnoverschrijding

Geneeskundige verklaring is ingediend op 16 mei 2011 terwijl het verzoek pas later op 30 mei 2011 is ingekomen. De officier van justitie is ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, ondanks verweer van de advocaat van betrokkene.

Er is - anders dan de advocaat van betrokkene heeft bepleit - geen sprake van de nodige bereidheid van betrokkene om vrijwillig in het ziekenhuis te verblijven.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2011/30 met annotatie van mr. E.J. van Keken
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer : FA RK 11-4179

Zaaknummer : 395381

Datum beschikking : 29 juni 2011

P- nummer : 1020650

Machtiging tot voortgezet verblijf

Beschikking op het op 30 mei 2011 ingekomen verzoek van:

de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage met betrekking tot:

[de betrokkene],

de betrokkene,

geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene],

advocaat: mr. G.E.M. Later te 's-Gravenhage.

De betrokkene verblijft in het psychiatrisch ziekenhuis [verblijfplaats betrokkene], krachtens een machtiging d.d. 21 juni 2010 tot voortgezet verblijf, uiterlijk tot en met 17 mei 2011.

Procedure

De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft deze zaak op de voet van artikel 15, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende stukken - voor zover van belang - overgelegd:

- de op 9 mei 2011 ondertekende en met redenen omklede verklaring van J.M. Deenen, waarnemend geneesheer-directeur van het genoemde ziekenhuis;

- een afschrift van het behandelingsplan en een afschrift van de aantekeningen omtrent de geestelijke en lichamelijke toestand van de betrokkene en de op haar toegepaste behandeling en de effecten ervan.

De rechter-commissaris heeft de betrokkene op 20 juni 2011 gehoord. De betrokkene werd bijgestaan door haar advocaat.

De rechter-commissaris heeft zich in aanwezigheid van de betrokkene en haar advocaat laten voorlichten door M. Aerents, verslavingsarts.

Van het horen van de betrokkene en de overige hierboven genoemde personen is proces-verbaal opgemaakt.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis met betrekking tot de betrokkene.

De betrokkene voert verweer, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Beoordeling

Op het verzoek zijn van toepassing de artikelen 15, 16, 17 en 18 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).

Ontvankelijkheid

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord op welke datum het verzoek is ingediend. Het verzoek zelf is gedateerd op 30 mei 2011, en het is ook op die datum bij de griffie van de rechtbank binnengekomen. De geneeskundige verklaring van 9 mei 2011 is evenwel reeds op 16 mei 2011 bij de griffie van de rechtbank binnengekomen.

De advocaat van betrokkene neemt het standpunt in dat uitgegaan moet worden van 30 mei 2011 als datum van indiening van het verzoek.

De rechtbank is van oordeel dat uitgegaan dient te worden van 30 mei 2011 als datum van indiening van het verzoek, nu het verzoek afkomstig dient te zijn van de officier van justitie en de geneeskundige verklaring niet als een dergelijk verzoek kan worden aangemerkt. Dat geldt temeer nu de advocaat van betrokkene heeft verklaard dat de piketmelding eerst op 30 mei 2011 is gedaan.

Uitgaande van een indieningsdatum van 30 mei 2011 geldt dat het verzoek ingevolge artikel 17 Wet Bopz te laat is ingediend, aangezien de voorafgaande machtiging tot voortgezet verblijf tot en met 17 mei 2011 van kracht was.

De advocaat van betrokkene heeft bepleit om de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek nu het verzoek na de expiratiedatum van de vorige machtiging is ingediend. De rechtbank overweegt ter zake als volgt.

In het arrest van 19 januari 1996, NJ 1996, 604, m.nt. JdB, heeft de Hoge Raad in een vergelijkbaar geval het verweer dat de officier van justitie niet-ontvankelijk was in zijn verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf aangezien het verzoek was ingediend nadat de geldingsduur van de voorafgaande machtiging reeds was verstreken, verworpen. De Hoge Raad overwoog hierbij wel dat indien een verzoek wordt ingediend na het einde van de geldingsduur van de lopende machtiging, het door de wettelijke termijnen beschermde belang van de betrokkene eraan in de weg staat dat de machtiging tot voortgezet verblijf wordt verleend voor een langere periode dan ten hoogste een jaar na de dag waarop de lopende machtiging eindigde. Deze beslissing is sindsdien, ook voor andere categorieën van machtigingen, herhaald door de Hoge Raad, onder meer in HR 6 oktober 2006, BJ 2006,47, m.nt.W. Dijkers; HR 12 juni 2009, BJ 2009, 34, m.nt. W. Dijkers; HR 12 februari 2010, BJ 2010,7, m.nt. W. Dijkers. Uit deze jurisprudentie volgt dat het feit dat het verzoek om voorlopige machtiging is ingediend na de expiratiedatum van de vorige machtiging niet aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie en een beoordeling van het verzoek in de weg staat.

Wel volgt uit voormelde jurisprudentie dat als de rechtbank tot toewijzing van het verzoek om een voorlopige machtiging overgaat, deze machtiging dient aan te sluiten aan de expiratiedatum van de vorige machtiging.

De rechtbank constateert dat in de bovenaangehaalde arresten sprake was van een kortere termijnoverschrijding dan in het onderhavige geval. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit niet aan toepassing van bovengenoemde jurisprudentie in de weg staat. De Hoge Raad noemt in zijn arresten geen periode waarbuiten de termijnoverschrijding niet meer zou kunnen worden geaccepteerd. Voorts acht de rechtbank het tijdsverloop tussen de einddatum van de vorige machtiging (17 mei 2011) en de indiening van het verzoek (30 mei 2011) niet zodanig lang dat er geen sprake meer zou zijn van voldoende samenhang tussen de vorige machtiging tot voortgezet verblijf en het huidige verzoek. Daar komt bij dat de betrokkene vóór het aflopen van de vorige machtiging is onderzocht, de geneeskundige verklaring op

9 mei 2009 is opgesteld, deze op 13 mei naar de officier van justitie is gezonden en op 16 mei 2011 naar de rechtbank, en dat de betrokkene de gehele periode in het ziekenhuis heeft verbleven en daar nog steeds verblijft.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer dat de officier van justitie niet zou kunnen worden ontvangen in zijn verzoek in verband met de te late indiening daarvan.

De advocaat van betrokkene heeft ten slotte aangevoerd dat de geneeskundige verklaring te oud is nu deze reeds van 9 mei 2011 dateert. De rechtbank zal dit verweer passeren. Immers, het gaat hier om een machtiging tot voortgezet verblijf in aansluiting op een eerdere machtiging tot voortgezet verblijf; de verklaring geeft derhalve een beschrijving van een lange periode, waarbij tevens geldt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er in de toestand van betrokkene weinig verandering is opgetreden ten opzichte van die ten tijde van de vorige machtiging. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de geneeskundige verklaring van 9 mei 2011 een voldoende beeld van de toestand van betrokkene geeft.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de verzochte machtiging slechts mag worden verleend wanneer de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken, en het gevaar niet door tussenkomst van personen en instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

De rechtbank is van oordeel dat bij betrokkene ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz aanwezig zal zijn.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het hiervoor genoemde gevaar zich blijft voordoen. De betrokkene levert door haar ziekte een gevaar op voor zichzelf, een of meer andere personen en voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

De advocaat van betrokkene heeft bepleit dat betrokkene vrijwillig in het ziekenhuis wil blijven zodat het verzoek dient te worden afgewezen. De arts heeft verklaard dat bij het behandelteam onvoldoende vertrouwen bestaat in de consistentie van de wens van betrokkene om vrijwillig te blijven, te meer daar betrokkene zeer impulsief is. Daarnaast blijkt uit de stukken, en is de rechtbank ook ter terechtzitting gebleken, dat betrokkene een groot wantrouwen heeft ten aanzien van [het ziekenhuis] en veel kritiek heeft op de wijze waarop zij door [het ziekenhuis] bejegend wordt. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van de nodige bereidheid tot verblijf, zodat een machtiging vereist is.

Beslissing

De rechtbank:

verleent machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, van:

[de betrokkene],

geboren op [geboortedatum betrokkene] te [geboorteplaats betrokkene],

uiterlijk tot en met 17 mei 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kok, H.A.G. Nijman en B. Meijer, bijgestaan door U. Bag als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2011.