Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9088

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
AWB 11/19428
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het sinds kort mogelijk is om Chinezen door middel van een EU-staat en een kopie van een identiteitsdocument via Shanghai naar China te verwijderen. Tevens is in meerdere gevallen, waarin eerder was verklaard dat er geen identiteitsdocumenten waren, gebleken dat deze toch beschikbaar zijn gekomen. In de zaak van eiser is sprake van een aanknopingspunt dat de verwachting rechtvaardigt dat er in zijn geval een aanknopingspunt is op grond waarvan het voor hem mogelijk moet zijn om gegevens te verkrijgen teneinde te bewerkstelligen dat hij naar China kan worden verwijderd. Eiser heeft immers verklaard dat hij twee zonen en een ex-vrouw in China heeft en tevens heeft hij aangegeven zijn paspoort kwijt te zijn. Nu op eiser een actieve medewerkingplicht rust, hetgeen betekent dat van hem verwacht mag worden dat hij actieve en volledige medewerking verleent om zijn uitzetting mogelijk te maken, mag van eiser tevens worden verwacht dat hij tracht om gegevens over te leggen die zijn gestelde identiteit en nationaliteit onderbouwen. Weliswaar heeft eiser gesteld dat zijn zonen of ex-vrouw hem niet kunnen helpen, maar eiser heeft niet onderbouwd waarom zij hem niet zouden kunnen helpen om aan documenten te komen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 19428

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde mr. R. Bom, advocaat te Breda),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Op 8 november 2010 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Tevens is om schadevergoeding verzocht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011, alwaar eiser alsmede diens gemachtigde voornoemd, na schriftelijke kennisgeving vooraf, niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.M.C. Vissers.

Overwegingen

1. Eiser is volgens zijn eigen verklaring geboren op [geboortedatum] en van Chinese nationaliteit.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 mei 2011 (AWB 11 / 15632) de bewaring tot de dag van sluiting van het onderzoek, te weten 17 mei 2011, rechtmatig geacht.

3. Ter beoordeling ligt thans de vraag of er nog steeds - een redelijk vooruitzicht is op de verwijdering van eiser.

4. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting blijkt dat er op

7 juni 2011 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Tevens is op 7 juni 2011 gerappelleerd bij de Chinese autoriteiten inzake de in onderzoek zijnde aanvraag tot afgifte van een laissez passer (lp).

5. Namens eiser is aangevoerd dat de bewaring thans ruim zes maanden duurt en uit de omstandigheden niet kan worden afgeleid dat er op korte termijn een lp ten behoeve van eiser zal worden afgegeven.

6. De rechtbank overweegt ten aanzien van het bestaan van een redelijk vooruitzicht

op verwijdering naar China als volgt.

7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 6 juni 2011 (zaaknummer 201104848/1, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl), voor zover thans van belang, geoordeeld dat:

“2.2.1 De minister reeds geruime tijd inspanningen verricht teneinde de Chinese autoriteiten te bewegen om op geregelde basis over te gaan tot afgifte van laissez passers (lp’s). Die inspanningen hebben onder meer erin geresulteerd dat de minister

22 maart 2011 een persoonlijk onderhoud heeft gehad met de Chinese ambassadeur hier te lande. Dit onderhoud heeft geleid tot een concreet vervolgtraject dat thans loopt met als doel om met de Chinese vertegenwoordiging over de samenwerking op het gebied van de afgifte van de laissez passer te spreken. Hoewel het onderhoud hierover op 19 april 2011 op verzoek van de Chinese autoriteiten is uitgesteld en een nieuwe datum nog niet bekend is, is in april 2011 op operationeel niveau gesproken met de ambassade over het verloop van het laissez passer proces. Voorts konden volgens door de minister verstrekte informatie in de periode vanaf 1 januari 2010 tot 14 februari 2011 op meer dan incidentele basis vreemdelingen naar China worden uitgezet hangende een eerder ingediende aanvraag tot het verkrijgen van een laissez passer nadat de desbetreffende vreemdeling alsnog een persoonlijk identiteitsbewijs en/of paspoort had overgelegd.

2.2.2. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat vijf aanvragen om afgifte van een lp ten behoeve van gedocumenteerde Chinese vreemdelingen nog in behandeling zijn bij de Chinese autoriteiten, bestaat geen grond voor het oordeel dat geen sprake meer is van een redelijk zicht op uitzetting naar China. (…)”

8. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat op 4 mei 2011 een gesprek met de Chinese ambassadeur heeft plaatsgevonden over de voortgang van het lp-proces. Tevens heeft de gemachtigde van verweerder meegedeeld dat er na het overleg van

4 mei 2011 geen vervolgafspraak met de Chinese is autoriteiten gepland. Wel heeft er op

8 juni 2011 door de Chinese autoriteiten een bezoek plaatsgevonden aan het Detentiecentrum te Zeist. Dit bezoek heeft overigens niet geresulteerd in concrete afspraken met de betreffende autoriteiten. Tevens heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat het sinds kort mogelijk is om Chinezen door middel van een EU-staat en een kopie van een identiteitsdocument via Shanghai naar China te verwijderen. Tevens is in meerdere gevallen, waarin eerder was verklaard dat er geen identiteitsdocumenten waren, gebleken dat deze toch beschikbaar zijn gekomen.

9. De rechtbank overweegt dat, ondanks de inspanningen van verweerder, sinds

juni 2010 geen lp’s zijn verstrekt dan wel geweigerd door de Chinese autoriteiten aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Het laatste formele gesprek met de Chinese ambassadeur van 4 mei 2011, dat overigens heeft plaatsgevonden na de periode die de Afdeling heeft beoordeeld in haar uitspraak van 6 juni 2011, heeft ook geen concreet aanknopingspunt opgeleverd waaruit kan worden afgeleid dat de Chinese autoriteiten op korte termijn zullen overgaan tot het afgeven van lp’s aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Dat op 8 juni 2011 een bezoek van de zijde van de Chinese autoriteiten in het Detentiecentrum te Zeist heeft plaatsgevonden doet daaraan niet af. Ook dat bezoek, los van de achtergrond daarvan, heeft immers niet geleid tot concrete afspraken.

Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat de zaak van eiser afwijkt van de zaak waarin de rechtbank op 16 juni 2011 (LJN: BQ8962 ) uitspraak heeft gedaan. Anders dan in die zaak is in de zaak van eiser immers wel sprake van een aanknopingspunt dat de verwachting rechtvaardigt dat er in het geval van eiser een aanknopingspunt is op grond waarvan het voor hem mogelijk moet zijn om gegevens te verkrijgen teneinde te bewerkstelligen dat hij naar China kan worden verwijderd. Eiser heeft immers op 20 december 2010 tijdens een vertrekgesprek verklaard dat hij twee zonen en een ex-vrouw in China heeft. Tevens heeft eiser blijkens het proces-verbaal van het gehoor tijdens de ophouding van 8 november 2010 aangegeven zijn paspoort kwijt te zijn. Nu op eiser een actieve medewerkingplicht rust, hetgeen betekent dat van hem verwacht mag worden dat hij actieve en volledige medewerking verleent om zijn uitzetting mogelijk te maken, mag van eiser tevens worden verwacht dat hij tracht om gegevens over te leggen die zijn gestelde identiteit en nationaliteit onderbouwen . Weliswaar heeft eiser tijdens zijn vertrekgesprek van

20 december 2010 gesteld dat zijn zonen of ex-vrouw hem niet kunnen helpen, maar eiser heeft niet onderbouwd waarom zij hem niet zouden kunnen helpen om aan documenten te komen.

10. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat een redelijk vooruitzicht op verwijdering ontbreekt.

11. Ten aanzien van de vraag of verweerder zich nog altijd, gelet op de duur van de bewaring – waarvan de duur ten tijde van het sluiten van het onderzoek zeven maanden bedraagt – in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat het belang van verweerder om eiser ter fine van uitzetting in bewaring te houden zwaarder moet wegen

dan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld, verwijst de rechtbank naar hetgeen dienaangaande is overwogen in eerdergenoemde uitspraak van 23 mei 2011.

De rechtbank ziet geen aanleiding hier thans anders over te oordelen.

12. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.J. Monnens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2011.

w.g. S.A.J. Monnens,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden: 23 juni 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.