Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ9056

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
394234 / HA RK 11-286 Wrakingnummer 2011/21
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking kantonrechter afgewezen. In de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van ontbindingszaak was medegedeeld dat aan partijen maximaal 20 minuten beschikbaar zou worden gesteld om te spreken. Terwijl [BV] ruim 45 minuten aan het woord was geweest en nog steeds met het pleidooi bezig was, vroeg kantonrechter aan verzoeker of het nog mogelijk was om terug te keren naar [BV[ en of er nog wel een basis was voor verdere samenwerking. Hoewel het wellicht beter was geweest als reeds in een eerder stadium door de kantonrechter was aangekondigd dat ook verzoeker en zijn gemachtigde voldoende in de gelegenheid zouden worden gesteld om hun standpunt naar voren te brengen, blijkt uit de enkele omstandigheid dat (de gemachtigde van) [BV] geruime tijd aan het woord is geweest niet van (schijn van) partijdigheid. Ook blijkt dit niet uit de door de kantonrechter gestelde vraag omtrent de mogelijke terugkeer van verzoeker naar [BV].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2011/21

zaaknummer: 394234 HA RK 11-286

datum beschikking: 10 juni 2011

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

in de zaak van:

de besloten vennootschap [BV] B.V.,

gevestigd te [plaats],

hierna: [BV],

gemachtigde: mr. A. Keizer,

tegen

[verzoeker]

wonende te [adres],

hierna: verzoeker,

gemachtigde: mr. M.A.D. Bol,

strekkende tot wraking van:

[X],

kantonrechter in de rechtbank 's-Gravenhage, locatie Gouda,

hierna: mr. [X].

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 13 april 2011 is bij de griffie van de sector kanton een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [BV] en verzoeker ex art. 7:685 BW binnengekomen. Op 9 mei 2011 te 14.00 uur heeft voor mr. [X] de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Ter zitting heeft verzoeker een mondeling verzoek tot wraking van mr. [X] gedaan.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 30 mei 2011 is ter openbare terechtzitting het wrakingsverzoek behandeld. Verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.A.D. Bol, is ter zitting verschenen. Mr. [X] heeft bij brief van 17 mei 2011 zijn standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt en tevens meegedeeld niet op de zitting te zullen verschijnen. Het wrakingsverzoek is door de gemachtigde van verzoeker aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities toegelicht.

3. Het standpunt van verzoeker

Het wrakingsverzoek komt, kort en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. In de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van 9 mei 2011 heeft de griffier medegedeeld dat aan partijen maximaal 20 minuten beschikbaar zou worden gesteld om te spreken. Terwijl [BV] ruim 45 minuten aan het woord was geweest en nog steeds met het pleidooi bezig was, vroeg mr. [X] aan verzoeker of het, gelet op hetgeen er over hem werd gezegd, nog mogelijk was om terug te keren naar [BV] en of er nog wel een basis was voor verdere samenwerking. Daaruit blijkt dat mr. [X] zich reeds een oordeel had gevormd. Verzoeker was echter nog niet in de gelegenheid gesteld om zijn primaire verweer, dat er geen gewichtige redenen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bestonden, te voeren. Daarom acht verzoeker mr. [X] partijdig, althans heeft hij de schijn van partijdigheid gewekt.

4. Het standpunt van mr. [X]

Mr. [X] heeft bij brief van 17 mei 2011 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. Hij erkent dat de gemachtigde van [BV] geruime tijd aan het woord is geweest, maar geeft tevens aan dat mr. Bol nog voldoende tijd zou krijgen om te reageren op hetgeen naar voren was gebracht. Hij heeft ook niet de indruk gewekt dat de zitting spoedig afgelopen zou zijn. Zijn vraag of er nog een basis is om samen verder te werken geeft voorts geen blijk van een reeds ingenomen standpunt. De vraag was relevant, gelet op hetgeen partijen in hun verzoek- en verweerschrift over en weer hadden betoogd.

5. De beoordeling

5.1

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.2

De wrakingskamer is van oordeel dat de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven geen grond geven te vrezen dat het deze rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van hem de schijn van partijdigheid gewekt. Hoewel het wellicht beter was geweest als reeds in een eerder stadium door mr. [X] was aangekondigd dat ook verzoeker en zijn gemachtigde voldoende in de gelegenheid zouden worden gesteld om hun standpunt naar voren te brengen, blijkt uit de enkele omstandigheid dat (de gemachtigde van) [BV] geruime tijd aan het woord is geweest van een dergelijke (schijn van) partijdigheid niet. Ook blijkt dit niet uit de door mr. [X] gestelde vraag omtrent de mogelijke terugkeer van verzoeker naar [BV]. De omstandigheid dat mr. [X] op dat moment die vraag stelde, betekent immers niet dat hij zich reeds een oordeel had gevormd.

5.3

Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

6. De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn gemachtigde mr. M.A.D. Bol;

• verzoekster in de hoofdzaak p/a haar gemachtigde mr. A. Keizer;

• de kantonrechter mr. [X].

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011 door mrs. Y.J Wijnnobel-van Erp,

F.J. Verbeek en A.H. Bergman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier.