Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8976

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
10-15956
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft onder meer aangevoerd dat verweerder er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat eiser via Mogadishu moet terugkeren. Afgooye is op circa 25 kilometer van Mogadishu gelegen.

De rechtbank stelt vast dat uitzetting van eiser, die afkomstig is uit Centraal-Somalië, thans niet aan de orde is nu de minister de uitzettingen van vreemdelingen afkomstig uit Centraal- of Zuid-Somalië heeft opgeschort. Niettemin gaat de rechtbank er van uit dat verweerder eiser, indien deze niet aan zijn vertrekplicht voldoet, te zijner tijd zal uitzetten naar zijn herkomstgebied via het relatief nabij gelegen vliegveld van Mogadishu. De vraag is of dat thans bij de beoordeling van het besluit op de asielaanvraag dient te worden betrokken.

Zoals eerder overwogen door de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, in de uitspraak van 29 maart 2011 (Awb 09/33244, LJN: BQ0900) volgt uit onder meer de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2001 (JV 2001, 166) en 2 maart 2005 (JV 2005, 160) dat de beslissing tot uitzetting geen zelfstandig deelbesluit is binnen de meeromvattende beschikking, dat de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege is van de afwijzing van een verzoek om toelating en dat die bevoegdheid niet discretionair van aard is. Het, door de afwijzing, ontstaan van de bevoegdheid tot uitzetting dient bij het geven van die beschikking te worden betrokken. Deze rechtsgevolgen mogen evenwel niet worden beoordeeld los van de strekking van de in artikel 29, eerste lid, Vw opgesomde gronden, hetgeen ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2004 (JV 2004, 134). Daarbij geldt ook dat feitelijke belemmeringen, waaronder bijvoorbeeld interim measures van het EHRM, die niet afdoen aan het voornemen van verweerder om, zodra ze zijn opgeheven, tot uitzetting over te gaan, niet maken dat een besluit inzake de toelating van de betreffende vreemdeling in het licht van artikel 45, Vw onrechtmatig is. Ten slotte is van belang dat de wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden geen deel uitmaakt van het besluit inzake de toelating van de vreemdeling en verweerder dus niet gehouden is deze bij dat besluit te betrekken, zie de uitspraken van de Afdeling van 1 oktober 2003 (JV 2003, 529) en 29 maart 2005 (200408819/1). Uit deze jurisprudentie leidt de rechtbank af dat uit het meeromvattende karakter van de beschikking volgt dat daarbij wel moet worden betrokken of verweerder, indien nodig, bevoegd is om eiser uit te zetten, maar niet op welke wijze een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden.

Van belang is dan ook allereerst wat als plaats heeft te gelden waarheen eiser, indien nodig, kan worden uitgezet. Eiser is afkomstig uit Afgooye, zodat hij naar het oordeel van de rechtbank ook geacht kan worden naar deze plaats te worden uitgezet en niet naar Mogadishu of naar Somalië in het algemeen. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2010 (201001112/1/V2; LJN: BN6728) waarin is overwogen dat gekeken moet worden naar het ‘gebied waarnaar de burger terugkeert’ en het voornemen van verweerder om uit te zetten via het vliegveld van Mogadishu, waarna de verdere doorreis naar de plaats van herkomst zal worden gefaciliteerd. Hieruit volgt dat de uitzettingsbelemmering gelegen in de veiligheidsituatie rondom (het vliegveld van) Mogadishu geen betrekking heeft op de plaats waarheen eiser kan worden uitgezet, en dus niet op de bevoegdheid om hem daarheen uit te zetten, maar betrekking heeft op de wijze waarop een eventuele uitzetting geëffectueerd kan worden. Het bestreden besluit bevat geen beslissing over de wijze waarop de uitzetting van eiser, indien nodig, zal worden geëffectueerd.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de vraag of eisers uitzetting via de luchthaven van Mogadishu in strijd is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, niet in de onderhavige procedure kan worden beoordeeld.

Eventuele opmerkingen:

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 15956

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 mei 2011

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers, advocaat te ’s-Hertogenbosch,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Lamfers-van den Bos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 20 augustus 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 27 augustus 2009 afgewezen. Bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 26 januari 2010 (AWB 09/31086) is het beroep gegrond verklaard en is verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarop heeft verweerder de aanvraag bij besluit van 7 april 2010 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft op 18 februari 2011 een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 3 maart 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek niet gesloten teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de door eiser overgelegde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 18 februari 2011, AWB 10/9922, LJN: BP5642. Verweerder heeft bij schrijven van 8 maart 2011 op deze uitspraak gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft daarop bij schrijven van 10 maart 2011 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting, het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Eiser noch verweerder heeft tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 26 januari 2010 (AWB 09/31086) hoger beroep ingesteld. Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 augustus 2003 (200206222/1) heeft het niet instellen van hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg dat, indien in beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan.

2.2 De rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, heeft, samengevat, in voormelde uitspraak als volgt geoordeeld. Verweerder heeft eiser terecht artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tegengeworpen. Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen concluderen tot ongeloofwaardigheid van het relaas en heeft verweerder eiser op basis van zijn persoonlijke relaas een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kunnen weigeren. Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op juiste gronden op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser een risico loopt op folteringen of op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffing. Ten aanzien van eisers stelling dat hij behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2009/16 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het genoemde WBV niet blijkt dat de [groepering], waartoe eiser behoort, door de staatssecretaris als kwetsbare minderheidsgroep is aangewezen. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat, met betrekking tot de vraag of eiser recht heeft op bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2004/83/EG (Definitierichtlijn) verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet afkomstig is uit een gebied waar sprake is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit van 27 augustus 2009 vernietigd met de opdracht aan verweerder een nieuw besluit te nemen.

2.3 Gelet op het voorgaande kunnen de beroepsgronden, gericht tegen de toepassing door verweerder van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw, en tegen het standpunt van verweerder dat eiser niet behoort tot een kwetsbare minderheidsgroepering, niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken. Voor zover eiser zich nog heeft beroepen op na voormelde uitspraak van 27 augustus 2009 opgekomen nieuwe informatie in de UNHCR Eligibility Guidelines van 5 mei 2010, waarin is vermeld dat leden van de [groepering] vanwege hun ras/etniciteit een verhoogd risico lopen op aanvallen, verkrachtingen en ontvoeringen, overweegt de rechtbank als volgt. Die informatie is niet wezenlijk anders dan de informatie, die in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2010 is vermeld, welke informatie er niet toe heeft geleid dat in WBV 2010/19 de [groepering] als kwetsbare minderheidsgroep is aangewezen.

2.4 Eiser voert thans in de eerste plaats aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de opdracht een nieuwe zorgvuldige beslissing te nemen. Verweerder had volgens eiser een nieuw voornemen moeten uitbrengen alvorens meteen weer een negatieve beslissing te nemen.

2.5 Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Vw, voorzover thans van belang, wordt de vreemdeling, indien de minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning af te wijzen, hiervan, onder opgave van redenen, schriftelijk mededeling gedaan.

2.6 Ingevolge artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), wordt, wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden bekend worden, of reeds bekend waren maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen, die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en de minister voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, dit aan de vreemdeling medegedeeld en wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.

2.7 Volgens paragraaf C15/6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), voorzover thans van belang, wordt, ingeval niet alle dragende overwegingen in het voornemen zijn opgenomen, een nieuwe voornemenprocedure opgestart. Hiervan is bijvoorbeeld sprake, indien het voornemen blijft bestaan om de aanvraag af te wijzen, maar daarbij een omstandigheid in de zin van artikel 31, tweede lid, van de Vw wordt meegewogen die nog niet werd meegewogen in het reeds uitgebrachte voornemen, aldus die paragraaf.

2.8 De aanvraag van eiser is eerder afgewezen bij besluit van 27 augustus 2009. Aan dat besluit heeft verweerder, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat, gelet op het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2009, in Somalië geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn en eiser daarom niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Dat besluit heeft de rechtbank bij de hiervoor genoemde uitspraak van 26 januari 2010 wegens een motiveringsgebrek vernietigd.

Aan het onderhavige besluit heeft verweerder, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd en gemotiveerd uiteengezet dat in Zuid -en Centraal-Somalië geen sprake is van een situatie waarin een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

2.9 De rechtbank stelt vast dat de dragende overwegingen van het onderhavige besluit zien op de beoordeling van de veiligheidssituatie in Zuid-en Centraal Somalië, terwijl die in het vernietigde besluit betrekking hadden op de veiligheidssituatie in Somalië in het algemeen. Aldus heeft verweerder in het onderhavige besluit ten aanzien van een ander gebied dan in het voornemen beoordeeld of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Daarmee zijn in het voornemen voor het standpunt van verweerder op dit punt niet alle dragende overwegingen opgenomen. Verweerder was derhalve gehouden een nieuw voornemen uit te brengen. Nu hij dat niet heeft gedaan, is het onderhavige besluit in strijd met het ter uitvoering van artikel 3.119 Vb gevoerde beleid genomen en komt dat besluit voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

2.10 De rechtbank zal uit het oogpunt van finale geschillenbeslechting beoordelen of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.11 Eiser voert aan dat de veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Somalië zodanig ernstig is dat geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een zodanige mate van willekeurig geweld dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land dan wel gebied louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Eiser verwijst daarbij naar de WBV 2009/16 en de toelichting daarop waarin staat dat de situatie in Zuid-Somalië onverminderd slecht, zelfs zorgwekkend, is. Eiser verwijst ook naar de algemene ambtsberichten inzake Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van oktober 2009 en maart 2010, waarin een binnenlands gewapend conflict in Zuid- en Centraal-Somalië wordt aangenomen. Naar het oordeel van eiser is er sprake van een situatie van “the most extreme cases of general violence”. Daarnaast stelt eiser dat verweerder een te beperkte invulling geeft aan het begrip ernstige schade. Ook onmenselijke behandeling niet zijnde levensbedreigend, zoals marteling, willekeurige detentie of vrijheidsbeneming, kunnen vallen onder het begrip ernstige schade. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2010. Deze uitspraak geldt voor geheel Zuid- en Centraal Somalië en niet slechts voor Mogadishu. Over het gebied Mogadishu heeft de Afdeling gezegd dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat er in augustus 2009 geen sprake was van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Ook ten tijde van de bestreden beslissing was er sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn in Zuid-Somalië. De Afdeling heeft in deze uitspraak meer bronnen genoemd dan waar verweerder vanuit gaat. Voorts verwijst eiser naar uitspraken van de nevenzittingsplaatsen Haarlem van 11 mei 2010 (AWB 10/15033) en Arnhem van 18 mei 2010 (AWB 09/24798), naar het rapport van Human Rights Watch van april 2010 met de titel ‘Harsh war, harsh peace. Abuses bij Al-Shabaab, the Transistional Federal Government, naar de Eligibility Guidelines van de UNHCR van 5 mei 2010 en naar het schrijven van Vluchtelingenwerk Nederland aan een collega van gemachtigde met bijbehorende bijlagen.

2.12 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de algehele veiligheidssituatie in Somalië geen aanleiding geeft om te concluderen dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Onderhavig standpunt is bevestigd bij brief van 29 maart aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake de jurisprudentie over bescherming op internationale gronden en de Afdelingsuitspraak van 26 januari 2010 (200905017/1/V2).

Verweerder heeft daartoe overwogen dat deze beoordeling in algemene zin niet plaats dient te vinden tegen de achtergrond van een stad of een gebied van beperkte omvang. Een zo beperkte toetsing sluit volgens verweerder onvoldoende aan bij de termen van artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn waarin wordt verwezen naar een situatie van een gewapend conflict. Beoordeling op stadsniveau is bovendien in redelijkheid niet uitvoerbaar, omdat dit zou betekenen dat een aparte en actuele beoordeling nodig is van elke stad in een land van herkomst van asielzoeker. Derhalve moet in de ogen van verweerder bij de beoordeling van de geografische omvang van de betreffende situatie kritisch gekeken worden naar de situatie in het gehele gebied waarin het betreffende gewapend conflict plaats heeft, voor zover zich dat binnen het grondgebied van het betreffende land van herkomst afspeelt.

Volgens verweerder is, in de context van Somalië, geheel Zuid- en Centraal-Somalië aan te merken als een gebied waarbinnen sprake is van een gewapend conflict. De stad waaruit betrokkene afkomstig stelt te zijn, te weten [geboorte[plaatsnaam] (provincie [naam]) is gelegen in Zuid-en Centraal Somalië. Derhalve dient de vraag of de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade te worden beoordeeld in de context van Zuid- en Centraal-Somalië.

Verweerder komt tot de conclusie dat, hoewel op grond van alle beschikbare relevantie informatie moet worden gesteld dat in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van een slechte veiligheidssituatie en daarmee een samenhangende slechte humanitaire situatie, niet sprake is van een situatie waarin een burger louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft zich daarbij onder andere gebaseerd op het algemeen ambtsbericht inzake Somalië van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2010, bovenvermelde uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2010 en informatie van de UNHCR. In aanvulling daarop is in het verweerschrift van 18 februari 2011 verwezen naar het WBV 2009/16, WBV 2010/19 en de uitspraken van de Afdeling van 11 oktober 2010 (201003732/1/V2) en van 25 november 2010 (LJN: BO6339), alsmede de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 18 januari 2011 (AWB 10/44852).

2.13 De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit [plaatsnaam], gelegen in de provincie [naam] in Centraal-Somalië.

2.14 In de uitspraken van 9 september 2010 (201001112/1/V2), 11 oktober 2010 (201003732/1/V2) en van 25 november 2010 (LJN: BO6339) heeft de Afdeling overwogen dat verweerder in het daarin aan de orde zijnde besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat de mate van willekeurig geweld in de provincie Shabelle Hoose ten tijde voor de desbetreffende vreemdeling van belang, niet dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat hij, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico zou lopen op ernstige schade, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

2.15 Nu uit de door eiser ingeroepen stukken niet is af te leiden dat de situatie in Shabelle Hoose ten tijde van het bestreden besluit en thans wezenlijk afwijkt van de situatie in de perioden die in de hiervoor vermelde uitspraken aan de orde waren en het thans bestreden besluit mede is gebaseerd op dezelfde bronnen als in voornoemde zaken, heeft verweerder in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat zich in Shabelle Hoose niet een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn voordoet.

2.16 Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat eiser via Mogadishu moet terugkeren. [plaatsnaam] is op circa 25 kilometer van Mogadishu gelegen. Volgens eiser is via Mogadishu reizen zeer onveilig. Het vliegveld ligt slechts op zes kilometer afstand vanaf het centrum van Mogadishu. Eiser loopt daardoor een risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft in dit verband verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaatsen ’s-Hertogenbosch van 14 oktober 2010 en Haarlem van 23 augustus 2010, naar informatie van onder meer de UNHCR, Human Rights Watch, Amnesty International en Vluchtelingenwerk alsmede naar de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) getroffen interim measures in twee zaken van Somalische asielzoekers. Ter zitting heeft eiser nog verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Den Bosch van 18 februari 2011 met nummer AWB 10/9922, LJN: BP5642.

2.17 Verweerder heeft zich in zijn schrijven van 8 maart 2011, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat de wijze van uitzetten niet in een toelatingsprocedure aan de orde kan worden gesteld, waardoor deze beroepsgrond buiten het beoordelingskader van de onderhavige asielprocedure valt. Verweerder heeft daarbij verwezen naar uitspraken van de Afdeling van 2 april 2002 (200200710/1), 1 oktober 2003 (200303193/1) en 29 maart 2005 (200408819/1).

2.18 De rechtbank stelt, met toepassing van artikel 83 Vw, vast dat verweerder, gelet op diens schrijven van 13 januari 2011 aan de Voorzitter van de Tweede kamer der Staten-Generaal (kenmerk: 5682715/11), in afwachting van een definitieve beslissing van het EHRM in een aantal Somalische zaken, de uitzetting van vreemdelingen afkomstig uit Zuid-of Centraal-Somalië heeft opgeschort. Uitzetting van eiser, die afkomstig is uit Centraal-Somalië, is thans derhalve niet aan de orde.

2.19 Niettemin gaat de rechtbank er van uit dat verweerder eiser, indien deze niet aan zijn vertrekplicht voldoet, te zijner tijd zal uitzetten naar zijn herkomstgebied via het relatief nabij gelegen vliegveld van Mogadishu. De vraag is of dat thans bij de beoordeling van het besluit op de asielaanvraag dient te worden betrokken.

2.20 Zoals eerder overwogen door de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, in de uitspraak van 29 maart 2011 (Awb 09/33244, LJN: BQ0900) volgt uit onder meer de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2001 (JV 2001, 166) en 2 maart 2005 (JV 2005, 160) dat de beslissing tot uitzetting geen zelfstandig deelbesluit is binnen de meeromvattende beschikking, dat de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege is van de afwijzing van een verzoek om toelating en dat die bevoegdheid niet discretionair van aard is. Het, door de afwijzing, ontstaan van de bevoegdheid tot uitzetting dient bij het geven van die beschikking te worden betrokken. Deze rechtsgevolgen mogen evenwel niet worden beoordeeld los van de strekking van de in artikel 29, eerste lid, Vw opgesomde gronden, hetgeen ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2004 (JV 2004, 134). Daarbij geldt ook dat feitelijke belemmeringen, waaronder bijvoorbeeld interim measures van het EHRM, die niet afdoen aan het voornemen van verweerder om, zodra ze zijn opgeheven, tot uitzetting over te gaan, niet maken dat een besluit inzake de toelating van de betreffende vreemdeling in het licht van artikel 45, Vw onrechtmatig is. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2004 (JV 2004, 277). Ten slotte is van belang dat de wijze waarop een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden geen deel uitmaakt van het besluit inzake de toelating van de vreemdeling en verweerder dus niet gehouden is deze bij dat besluit te betrekken, zie de uitspraken van de Afdeling van 1 oktober 2003 (JV 2003, 529) en 29 maart 2005 (200408819/1).

2.21 Uit deze jurisprudentie leidt de rechtbank af dat uit het meeromvattende karakter van de beschikking volgt dat daarbij wel moet worden betrokken of verweerder, indien nodig, bevoegd is om eiser uit te zetten, maar niet op welke wijze een mogelijke uitzetting geëffectueerd zou kunnen worden.

Van belang is dan ook allereerst wat als plaats heeft te gelden waarheen eiser, indien nodig, kan worden uitgezet. Eiser is afkomstig uit [plaatsnaam], zodat hij naar het oordeel van de rechtbank ook geacht kan worden naar deze plaats te worden uitgezet en niet naar Mogadishu of naar Somalië in het algemeen. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2010 (201001112/1/V2; LJN: BN6728) waarin is overwogen dat gekeken moet worden naar het ‘gebied waarnaar de burger terugkeert’ en het voornemen van verweerder om uit te zetten via het vliegveld van Mogadishu, waarna de verdere doorreis naar de plaats van herkomst zal worden gefaciliteerd.

Hieruit volgt dat de uitzettingsbelemmering gelegen in de veiligheidsituatie rondom (het vliegveld van) Mogadishu geen betrekking heeft op de plaats waarheen eiser kan worden uitgezet, en dus niet op de bevoegdheid om hem daarheen uit te zetten, maar betrekking heeft op de wijze waarop een eventuele uitzetting geëffectueerd kan worden. Het bestreden besluit bevat geen beslissing over de wijze waarop de uitzetting van eiser, indien nodig, zal worden geëffectueerd.

2.22 Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de vraag of eisers uitzetting via de luchthaven van Mogadishu in strijd is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn, niet in de onderhavige procedure kan worden beoordeeld.

2.23 Mocht verweerder in de toekomst daadwerkelijk gaan uitzetten via de luchthaven van Mogadishu, dan kan eiser ingevolge artikel 72, derde lid, Vw, bezwaar tegen die uitzetting maken en verzoeken om een voorlopige voorziening. In die procedure zal dan aan de orde moeten komen of de uitzetting naar/via de luchthaven van Mogadishu in strijd is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.

2.24 Eisers betoog, tenslotte, dat, gezien de onveilige situatie in Zuid- en Centraal-Somalië, het categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië ten onrechte is beëindigd dan wel ten onrechte niet opnieuw is gevoerd, volgt de rechtbank niet. Zoals door verweerder is toegelicht, is de geconstateerde fraude van Somalische asielzoekers de aanleiding geweest het beleid te heroverwegen en is bij die heroverweging in de in artikel 3.106 Vb genoemde indicator "het beleid in andere landen van de Europese Unie" grond gevonden voor beëindiging van het beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië. Zoals is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2010 (200906039/1/V2) is niet voorgeschreven welk relatief gewicht moet worden toegekend aan de indicatoren die in ieder geval worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, zodat geen grond bestaat voor de conclusie dat het standpunt, dat geen categoriaal beschermingsbeleid hoeft te worden gevoerd voor asielzoekers afkomstig uit Zuid- en Centraal-Somalië, de toetsing in rechte niet kan doorstaan.

De rechtbank ziet in hetgeen thans door eiser is aangevoerd en aan stukken is overgelegd geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.25 Gelet op hetgeen hiervoor in 2.11 tot en met 2.23 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.26 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Oomen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2011.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.