Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8962

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
Awb 11 / 18617
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Redelijk vooruitzicht op verwijdering, China

Redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China ontbreekt bij Chinese vreemdelingen die van meet af aan hebben verklaard dat ze ongedocumenteerd zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11 / 18617

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Op 8 oktober 2010 heeft verweerder eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Tevens is om schadevergoeding verzocht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.F. Verhaegh.

Overwegingen

1. Eiser is volgens zijn eigen verklaring geboren op 16 september 1945 en van Chinese nationaliteit.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 april 2011 (AWB 11 / 11608) de bewaring tot de dag van sluiting van het onderzoek, te weten 19 april 2011, rechtmatig geacht.

3. Ter beoordeling ligt thans de vraag of er nog steeds - een redelijk vooruitzicht is op de verwijdering van eiser en/of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of eiser nog steeds de voorbereiding van de terugkeer dan wel de verwijderingprocedure ontwijkt dan wel belemmert, zoals bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: Terugkeerrichtlijn).

4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen redelijk vooruitzicht is op de verwijdering van eiser naar China.

5. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 6 juni 2011 (zaaknummer 201104848/1, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl), voor zover thans van belang, geoordeeld dat:

“2.2.1 De minister reeds geruime tijd inspanningen verricht teneinde de Chinese autoriteiten te bewegen om op geregelde basis over te gaan tot afgifte van laissez passers (lp’s). Die inspanningen hebben onder meer erin geresulteerd dat de minister

22 maart 2011 een persoonlijk onderhoud heeft gehad met de Chinese ambassadeur hier te lande. Dit onderhoud heeft geleid tot een concreet vervolgtraject dat thans loopt met als doel om met de Chinese vertegenwoordiging over de samenwerking op het gebied van de afgifte van de laissez passer te spreken. Hoewel het onderhoud hierover op 19 april 2011 op verzoek van de Chinese autoriteiten is uitgesteld en een nieuwe datum nog niet bekend is, is in april 2011 op operationeel niveau gesproken met de ambassade over het verloop van het laissez passer proces. Voorts konden volgens door de minister verstrekte informatie in de periode vanaf 1 januari 2010 tot 14 februari 2011 op meer dan incidentele basis vreemdelingen naar China worden uitgezet hangende een eerder ingediende aanvraag tot het verkrijgen van een laissez passer nadat de desbetreffende vreemdeling alsnog een persoonlijk identiteitsbewijs en/of paspoort had overgelegd.

2.2.2. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat vijf aanvragen om afgifte van een lp ten behoeve van gedocumenteerde Chinese vreemdelingen nog in behandeling zijn bij de Chinese autoriteiten, bestaat geen grond voor het oordeel dat geen sprake meer is van een redelijk zicht op uitzetting naar China. (…)”

7. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat op 4 mei 2011 een gesprek met de Chinese ambassadeur heeft plaatsgevonden over de voortgang van het lp-proces, waarbij verweerder wederom aandacht heeft gevraagd voor de beantwoording van reeds ingediende lp-aanvragen. Desgevraagd heeft verweerders gemachtigde ter zitting meegedeeld dat het overleg van 4 mei 2011 niet heeft geresulteerd in concrete afspraken met de Chinese autoriteiten. Evenmin is een vervolgafspraak met de Chinese autoriteiten gepland.

8. De rechtbank overweegt dat, ondanks de inspanningen van verweerder, sinds

juni 2010 geen lp’s zijn verstrekt door de Chinese autoriteiten aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen. Het laatste gesprek met de Chinese ambassadeur van 4 mei 2011

- dat overigens heeft plaatsgevonden na de periode die de Afdeling heeft beoordeeld in haar uitspraak van 6 juni 2011 - heeft ook geen concreet aanknopingspunt opgeleverd aan de hand waarvan het bestaan van het redelijk vooruitzicht op verwijdering van Chinese vreemdelingen naar China kan nog langer worden gestoeld. Immers, over de inhoud van het op 4 mei 2011 gevoerde gesprek, over het vervolgtraject en over de termijn waarbinnen een verandering in de houding van de Chinese autoriteiten ten aanzien van de daadwerkelijke afgifte van lp’s mag worden verwacht, kan verweerder geen helderheid verschaffen. Gelet op deze omstandigheden en nu bovendien niet is gebleken van een ander aanknopingspunt dat de verwachting rechtvaardigt dat eiser binnen een redelijke termijn naar China kan worden verwijderd, zoals het bestaan van een geldig Chinees identiteitsbewijs of paspoort, is de rechtbank van oordeel dat een redelijk vooruitzicht op de verwijdering van eiser naar China op korte termijn ontbreekt. Bij deze overweging betrekt de rechtbank de omstandigheid dat eiser op dit moment meer dan zeven maanden in bewaring verblijft.

9. Het beroep is gegrond. Ten aanzien van de vraag vanaf welk moment de bewaring onrechtmatig is geworden, oordeelt de rechtbank dat verweerder in aansluiting op het laatste (vooralsnog vruchteloze) overleg van 4 mei 2011 een periode van twee weken mocht worden gegund om zich te beraden over te nemen vervolgstappen. Gelet hierop is de bewaring met ingang van 28 mei 2011 onrechtmatig geworden. Nu de inbewaringstelling vanaf die datum onrechtmatig is, ziet de rechtbank geen grond nog in te gaan op hetgeen overigens namens eiser is aangevoerd.

10. Eiser komt over de periode van 28 mei 2011 tot 16 juni 2011 (19 dagen) schadevergoeding toe. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 105,= voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 80,= voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht. In totaal bedraagt de schadevergoeding 19 x € 80,= is € 1.520,=.

11. De rechtbank ziet geen reden om de schadevergoeding te matigen.

12. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 874,= voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand welk bedrag is opgebouwd uit:

1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

1 punt voor het verschijnen ter zitting;

waarde per punt € 437,=;

wegingsfactor 1.

13. Aangezien ten behoeve van eiser geen toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan eiser.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsbeneming ex artikel 59 van de Vw 2000 met ingang van 16 juni 2011;

wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van verweerder, ten bedrage van € 1.520,=;

bepaalt dat de uitbetaling geschiedt aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op

€ 874,=.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.P. van der Pijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2011.

w.g. mr. R.P. van der Pijl,

griffier w.g. mr. C.M. Nollen,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van

€ 1.520,= (ZEGGE: DUIZENDVIJFHONDERDTWINTIG)

Aldus gedaan door mr. C.M. Nollen op 16 juni 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op: 16 juni 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.