Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8763

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
AWB 11/3685 en 11/3686
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Gezien de uitspraak van de AbRS van 1 september 2010, zaaknummer 201002786/1/V1 gepubliceerd op www.raadvanstate.nl, mag verweerder in redelijkheid voorwaarden stellen aan de in te schakelen contra-expert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat echter, anders dan verweerder stelt, artikel 17 van de Rva 2005 niet in de weg aan het stellen van voorwaarden ten aanzien van de in te schakelen contra-expert die pas achteraf gecontroleerd worden. De tekst van de Rva 2005 sluit een toekenning onder voorwaarden niet uit. Enige vorm van controle achteraf zal in de praktijk ook onontkoombaar zijn. Gelet op de genoemde uitspraak van de AbRS van 1 september 2010, heeft verweerder in die betreffende zaak ook zelf de voorwaarde gesteld dat de onafhankelijkheid en de deskundigheid van de desbetreffende opsteller van de contra-expertise achteraf te controleren moeten zijn. Deze handelwijze is door de AbRS geaccordeerd. In het bestreden besluit heeft verweerder niet gereageerd op het verzoek een positief besluit te nemen onder voorwaarde dat deskundigheid en onafhankelijkheid van de linguïst controleerbaar zijn. Derhalve lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek. Weliswaar heeft verweerder dit gebrek in het verweerschrift gepoogd te herstellen door alsnog aan te geven waarom aan het verzoek niet kan worden voldaan, maar nu artikel 17 van de Rva 2005 wel degelijk ruimte biedt aan verweerder voor het stellen van voorwaarden, die achteraf getoetst kunnen worden en verweerder dat zelf in het verleden ook heeft gedaan, kan het in het bestreden besluit geconstateerde motiveringsgebrek niet worden weggenomen door de in het verweerschrift gegeven nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Zaaknummers: Awb 11/3686 (voorlopige voorziening)

Awb 11/3685 (beroep)

Uitspraak in de geschillen tussen:

[verzoeker],

geboren op 1 januari 1988,

van gestelde Myanmarese nationaliteit,

V-nummer: 274.360.6023,

verzoeker,

gemachtigde: mr. B.H. Weerink, advocaat te Groningen,

en

Het CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Bij brief van 10 september 2010 heeft verzoeker aan verweerder verzocht toestemming te verlenen voor het maken van kosten in verband met het laten verrichten van een contra-expertise taalanalyse. Bij besluit van 7 januari 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Op 2 februari 2011 heeft verzoeker hiertegen beroep ingesteld.

1.2. Bij verzoekschrift van 2 februari 2011 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 9 februari 2011 zijn de gronden van het beroep en het verzoek ingediend.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, onder gelijktijdige verzending daarvan aan verzoeker. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 30 mei 2011. Verzoeker heeft hierop bij brief van 30 mei 2011, binnengekomen op 31 mei 2011, gereageerd. Bij faxbericht van 6 juni 2011 heeft verweerder een nadere reactie gegeven.

1.4. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 14 juni 2011. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is aldaar, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

Feiten en standpunten van partijen

2.2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend. Verzoeker stelt afkomstig te zijn uit Myanmar. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) heeft vanwege gerezen twijfel aan de afkomst van verzoeker, het Bureau Land en Taal (hierna: BLT) een taalanalyse laten uitvoeren. Volgens het rapport taalanalyse van 28 juli 2010 is verzoeker, anders dan hij heeft gesteld, eenduidig te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Bangladesh. Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise.

2.3. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor de te verrichten contra-expertise redelijkerwijs niet voor vergoeding als buitengewone kosten in aanmerking komt, nu verweerder er zich niet van heeft kunnen vergewissen dat de door verzoeker via De Taalstudio in te schakelen contra-expert voldoende onafhankelijk en deskundig is. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat zij uit hoofde van de krachtens artikel 17 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) aan haar toekomende beoordelingsvrijheid en de met deze zelfstandige beoordeling samenhangende voorafgaande toetsing, van verzoeker kan verlangen dat de identiteitsgegevens van de door hem in te schakelen contra-expert aan verweerder bekend worden gemaakt. In dit kader wordt door verweerder verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 1 september 2010, zaaknummer 201002786/1/V1.

2.4. Verzoeker kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Verzoeker heeft geen bezwaren tegen de eisen zoals deze door verweerder zijn gesteld, echter, het is voor verzoeker niet mogelijk deze informatie al bij de aanvraag voor een vergoeding van de kosten bekend te maken. Daarbij verwijst verzoeker naar een brief van De Taalstudio van 2 december 2010. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij door de houding van verweerder in een vicieuze cirkel terecht komt. Zolang verweerder niet aangeeft de kosten te zullen vergoeden, al dan niet onder voorwaarden, kan De Taalstudio geen deskundige zoeken en zolang De Taalstudio geen deskundige kan zoeken, weigert verweerder een positieve beslissing over de vergoeding te nemen. Voorts is verzoeker van mening dat verweerder de aanvraag had moeten toewijzen, eventueel onder het stellen van voorwaarden. De voorwaarden zouden kunnen zijn dat het moet gaan om een academisch opgeleide linguïst met actuele kennis van de taal waarover hij of zij rapporteert, dat zijn of haar onafhankelijkheid en deskundigheid controleerbaar zijn en dat De Taalstudio de identiteit van de betreffende persoon op verzoek van verweerder bekend moet maken. Eventueel zou verweerder zelfs nog kunnen aangeven welke analisten in het betreffende taalgebied in ieder geval niet acceptabel zijn.

2.5. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat verweerder pas dan een contra-expertise als noodzakelijk kan aanmerken indien controleerbaar is door wie en onder welke omstandigheden een dergelijke contra-expertise plaatsvindt. Immers, een contra-expertise verricht door een niet ter zake deskundige zal niet in de asielprocedure meegewogen worden en is daarmee zinloos en dus niet noodzakelijk. Verweerder zal in gevallen waarin twijfel is over de deskundigheid aan de hand van de door de AbRS vastgestelde kwaliteitseisen een oordeel moeten vellen over de deskundigheid. Aangezien verweerder voordat de kosten gemaakt zijn toestemming moet geven, zal vooraf duidelijkheid verschaft moeten worden over de deskundigheid van de opsteller van de contra-expertise. Voorts merkt verweerder ten aanzien van verzoekers stelling dat sprake is van een vicieuze cirkel op dat op grond van de ter beschikking gestelde gegevens in het offertetraject relatief eenvoudig vastgesteld moet kunnen worden wie de meest passende contra-expert is. Zeker als wordt bedacht dat het per gesteld land van herkomst of taal meestal om één of twee mogelijke contra-experts gaat. Daarnaast merkt verweerder op dat verzoeker niet gebonden is aan De Taalstudio. Er zijn immers ook andere instanties die contra-expertises kunnen verzorgen. Ambtshalve is het verweerder gebleken dat Makano International bereid is om onder geheimhouding de gegevens van de contra-expert aan verweerder kenbaar te maken. Voorts blijkt uit niets dat de asielzoeker altijd op De Taalstudio is aangewezen voor het vinden van een geschikte onafhankelijke deskundige. Op internet is bijvoorbeeld een uitgebreide lijst te vinden met taalkundigen van over de hele wereld. Verweerder is er voorts mee bekend dat in Nederland onder meer het bureau Mettaal actief is op het gebied van taalanalyse. Daarnaast kunnen diverse universiteiten, bijvoorbeeld het Talencentrum in Leiden, benaderd worden. Verzoeker heeft evenwel niet aangetoond bij andere instanties dan De Taalstudio om een contra-expertise te hebben verzocht. Tot slot merkt verweerder op dat het geven van een positieve beslissing met voorwaarden die maken dat er achteraf getoetst moet worden of aan deze voorwaarden zijn voldaan, in strijd is met de eisen zoals deze zijn neergelegd in artikel 17 Rva 2005.

2.6. Bij brief van 30 mei 2011, binnengekomen op 31 mei 2011, heeft verzoeker aangegeven dat in zijn zaak het inschakelen van Makano voor het verrichten van een contra-expertise geen optie is, nu Makano zich uitsluitend bezig houdt met Afrikaanse talen. Daartoe verwijst verzoeker naar bijgevoegde pagina van de website van Makano International. Verder overlegt verzoeker een pagina aan van de website van Mettaal. Daarop is te zien wat voor producten en diensten dit bedrijf levert. De taalanalyse wordt daarbij niet genoemd.

2.7. Bij faxbericht van 6 juni 2011 heeft verweerder naar voren gebracht dat verzoeker enkel ingaat op de Makano International en Mettaal. Echter, verweerder heeft ook verwezen naar een uitgebreide lijst met taalkundigen van over de hele wereld. Uit niets blijkt dat de asielzoeker altijd op De Taalstudio - of een ander commercieel bureau - is aangewezen voor het vinden van een geschikte onafhankelijke deskundige. Verzoeker heeft nog steeds niet aangetoond dat hij voor het bestreden besluit zelf geprobeerd heeft een onafhankelijke deskundige te vinden, die wel zijn/haar identiteit aan verweerder kenbaar wenst te maken. Dergelijke mogelijkheden blijken wel te bestaan. Het had dan ook op de weg van verzoeker gelegen om zulks te doen.

2.8. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat het volstrekt duidelijk is dat hij is aangewezen op de diensten van De Taalstudio. Reële alternatieven zijn er niet. In zo’n situatie hoort verweerder gebruik te maken van de mogelijkheid die de Rva 2005 biedt om een toezegging onder voorwaarden te doen. Verzoeker kan dan een opdracht aan De Taalstudio geven waarbij die voorwaarden worden genoemd. De Taalstudio is dan gehouden op basis daarvan een contra-expertise te organiseren.

Beoordeling van het verzoek

2.9. Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening, nu in zijn asielzaak inmiddels een negatieve beslissing is genomen en het derhalve van belang is dat de contra-expertise zo spoedig mogelijk plaats kan vinden. Het beroep tegen het afwijzende asielbesluit is, in afwachting van onderhavige procedure, aangehouden. Bij de beantwoording van de vraag of deze belangen zodanig zijn dat het verzoek moet worden toegewezen, is van belang in hoeverre het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

2.10. Ingevolge artikel 3, eerste lid, Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: Wet COA) is verweerder onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

2.11. Ingevolge artikel 3, tweede lid, Wet COA, kan de Minister verweerder taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

2.12. Ingevolge artikel 12 Wet COA kan de Minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Wet COA.

2.13. De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 12 Wet COA. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Rva 2005 kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g van de regeling. In het tweede lid van dit artikel is vermeld dat buitengewone kosten noodzakelijke kosten zijn die vanwege hun aard of hoogte in redelijkheid niet geacht kunnen worden door de asielzoeker zelf te worden betaald.

2.14. In de Handleiding Buitengewone Kosten van 1 maart 2009 (de Handleiding) is opgenomen dat verweerder zich beleidsmatig op het standpunt stelt dat een vreemdeling die in het kader van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel wordt geconfronteerd met een voor hem nadelige taalanalyse, in beginsel in staat moet worden gesteld een contra-expertise te laten uitvoeren. Voor zover de vreemdeling in kwestie de kosten daarvan niet zelf kan dragen, worden deze in beginsel als zijnde noodzakelijk door verweerder vergoed. Tevens is in de Handleiding opgenomen dat een contra-expertise taalanalyse op zorgvuldige wijze, met de nodige waarborgen omkleed, door een onafhankelijke deskundige te worden verricht. Controleerbaar moet zijn door wie en onder welke omstandigheden het onderzoek heeft plaatsgevonden. Een contra-expertise taalanalyse door een anonieme contra-expert wordt doorgaans door de AbRS niet geaccepteerd. Verweerder vergoedt de kosten welke samenhangen met een contra-expertise taalanalyse verricht door een anonieme expert niet. Deze kosten zijn niet noodzakelijk in de zin van artikel 17 van de Rva 2005.

2.15. In lijn met de uitspraak van de AbRS van 19 maart 2010, zaaknr. 200907879/1/V1, LJN: BL9320, overweegt de voorzieningenrechter dat gezien de tekst van artikel 17, eerste lid en tweede lid van de Rva 2005 en de toelichting daarop, verweerder bij de toepassing van deze bepaling beoordelingsvrijheid toekomt, waarvan de invulling tot zijn verantwoordelijkheid behoort. Het is aan verweerder om te beoordelen of de kosten noodzakelijk zijn en naar aard en omvang in redelijkheid niet kunnen worden geacht door de asielzoeker zelf te worden betaald. Het staat verweerder bij vorenstaande beoordeling vrij, gezien zijn beperkte financiële middelen, rekening te houden met de aard en omvang van de kosten waarvoor vergoeding wordt gevraagd. De voorzieningenrechter dient die beoordeling, aldus de AbRS, terughoudend te toetsen op de wijze zoals die is aangegeven in voornoemde uitspraak. Dit houdt onder meer in dat de voorzieningenrechter haar eigen oordeel over de vraag of de kosten waarvoor vergoeding wordt gevraagd noodzakelijk zijn in voornoemde zin, niet in de plaats dient te stellen van dat van verweerder.

2.16. Niet in geschil is dat het laten opmaken van een contra-expertise voor verzoeker in beginsel noodzakelijke kosten zijn. Anders dan verweerder suggereert, is in het onderhavige geval geen sprake is van een contra-expertise die is verricht door een anonieme opsteller van De Taalstudio, immers, uit de door verzoeker overgelegde brief van De Taalstudio van 2 december 2010 volgt dat de naam van de eventueel in te schakelen deskundige nog niet kan worden gegeven. In de brief van de Taalstudio van 2 december 2010 is medegedeeld dat de keus voor de deskundige nog niet met zekerheid is vast te stellen en de keus mede afhankelijk zal zijn van het moment waarop de aanvraag daadwerkelijk wordt ingediend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft geoordeeld dat de kosten voor de te verrichten contra-expertise redelijkerwijs niet voor vergoeding als buitengewone kosten in aanmerking komt, nu verweerder zich er niet vóóraf van heeft kunnen vergewissen dat de door verzoeker via De Taalstudio in te schakelen contra-expert voldoende onafhankelijk en deskundig is.

2.17. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de AbRS van 1 september 2010, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl, had betrekking op een besluit tot vergoeding van de kosten voor een contra-expertise taalanalyse tot een bedrag van maximaal € 800, , waarbij als voorwaarde voor vergoeding was gesteld dat de onafhankelijkheid en de deskundigheid van de desbetreffende opsteller van de contra-expertise achteraf te controleren moeten zijn. In de uitspraak heeft de AbRS overwogen dat uit de uitspraak van de AbRS van 16 april 2010 in zaak nr. 200903085/1/V1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat de enkele omstandigheid dat de identiteit van de opsteller van de contra-expertise vooralsnog niet uit de contra-expertise blijkt, niet als vanzelf meebrengt dat die opsteller niet kan worden beschouwd als onafhankelijk en deskundig. Waar het op aankomt is of controleerbaar is door wie en onder welke omstandigheden het onderzoek is verricht. Voorts volgt daaruit dat de aan die opsteller te stellen kwaliteitseisen vergen dat het een academisch opgeleide linguïst betreft met actuele kennis van de taal waarover hij/zij rapporteert, zijn/haar deskundigheid en onafhankelijkheid controleerbaar zijn, zijn/haar identiteit daartoe bij De Taalstudio bekend is en dat De Taalstudio bereid is desgevraagd het COA dan wel de rechter, desnoods onder geheimhouding, de identiteit van de opsteller mee te delen. Gelet hierop kan de eis van het COA dat De Taalstudio en dus de vreemdeling inzichtelijk maken wie op welke wijze de contra-expertise heeft verricht niet als onredelijk worden aangemerkt. Aldus kan achteraf door het COA worden geverifieerd of de opsteller van de contra-expertise, van wie de identiteit dan desgevraagd in beginsel aan het COA dient te worden bekendgemaakt, werkelijk onafhankelijk en deskundig is, aldus de AbRS.

2.18. Gezien deze uitspraak van de AbRS mag verweerder in redelijkheid voorwaarden stellen aan de in te schakelen contra-expert. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat echter, anders dan verweerder stelt, artikel 17 van de Rva 2005 niet in de weg aan het stellen van voorwaarden ten aanzien van de in te schakelen contra-expert die pas achteraf gecontroleerd worden. De tekst van de Rva 2005 sluit een toekenning onder voorwaarden niet uit. Enige vorm van controle achteraf zal in de praktijk ook onontkoombaar zijn. Gelet op de genoemde uitspraak van de AbRS van 1 september 2010, heeft verweerder in die betreffende zaak ook zelf de voorwaarde gesteld dat de onafhankelijkheid en de deskundigheid van de desbetreffende opsteller van de contra-expertise achteraf te controleren moeten zijn. Deze handelwijze is door de AbRS geaccordeerd. Bij brief van 28 oktober 2010 heeft verzoeker verweerder verzocht een positief besluit te nemen en daarin onder meer als voorwaarde op te nemen dat de deskundigheid en onafhankelijkheid van de linguïst controleerbaar moeten zijn en dat zijn of haar identiteit daartoe bij De Taalstudio bekend is en dat De Taalstudio bereid is desgevraagd het COA dan wel de rechter, desnoods onder geheimhouding, de identiteit van de opsteller mee te delen. In het bestreden besluit heeft verweerder evenwel niet gereageerd op dit verzoek. Derhalve lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek. Weliswaar heeft verweerder dit gebrek in het verweerschrift gepoogd te herstellen door alsnog aan te geven waarom aan het verzoek niet kan worden voldaan, maar nu artikel 17 van de Rva 2005 wel degelijk ruimte biedt aan verweerder voor het stellen van voorwaarden, die achteraf getoetst kunnen worden en verweerder dat zelf in het verleden ook heeft gedaan, kan het in het bestreden besluit geconstateerde motiveringsgebrek niet worden weggenomen door de in het verweerschrift gegeven nadere motivering.

2.19. Gelet op het vorenstaande kan nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb gegrond verklaard. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd vanwege strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.20. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

2.21. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure. De proceskosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (½ punt voor het indienen van het verzoekschrift, ½ punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 11/3685, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 7 januari 2011;

- bepaalt dat verweerder binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak opnieuw dient te beslissen op de aanvraag van verzoeker, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier van de rechtbank dient te vergoeden;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer Awb 11/3686, af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Schothorst, in tegenwoordigheid van mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2011.

de griffier de rechter

Tegen de uitspraak inzake het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Awb, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 van de Vw 2000.

Afschrift verzonden op: