Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8583

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
376129 - FA RK 10-7586
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0126, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Adoptie naar Ghanees recht ook rechtsgeldig in Nederland?

Dient Bureau Jeugdzorg te worden belast met de voogdij over de minderjarige?

De adoptie van de minderjarige in Ghana heeft weliswaar het rechtsgevolg dat de adoptiefouders naar Ghanees recht het gezag over de minderjarige hebben verkregen, maar nu er tussen Nederland en Ghana geen verdrag bestaat dat voorschrijft dat Ghanese adoptie-uitspraken van rechtswege worden erkend, is een erkenning van de adoptie door een Nederlandse rechter noodzakelijk om te bewerkstelligen dat ook in Nederland dit rechtsgevolg aan de Ghanese adoptie wordt verbonden.

Gelet op de omstandigheid dat het momenteel goed gaat met de minderjarige, de omstandigheid dat de adoptiefouders zich voorbereiden op de mogelijke momenten waarop het minder goed gaat en zij zich openstellen ten aanzien van de specifieke adoptiegerelateerde problematiek en in het bijzonder gezien het rapport van de GZ-psycholoog, welk rapport de rechtbank zwaarwegend voor haar oordeel acht en waarvan de conclusies door de raad en Bureau Jeugdzorg niet zijn weersproken, is de rechtbank van oordeel dat het in dit specifieke geval in het belang is van de minderjarige dat de adoptiefouders worden belast met de voogdij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-7586

Zaaknummer: 376129

Datum beschikking: 8 juni 2011

Gezag / voogdij

Beschikking op het op 20 september 2010 ingekomen verzoek van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Rijnmond,

de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[adoptievader] en [adoptiemoeder],

de adoptiefouders naar Ghanees recht,

hierna: de adoptiefouders,

wonende te [woonplaats A],

advocaat: mr. V. Kidjan te Amsterdam.

de stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

vestiging Den Haag Zuid/Rijswijk,

verder: Bureau Jeugdzorg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de adoptiefouders;

- het aanvullend verweerschrift van de zijde van de adoptiefouders;

- het verweerschrift van Bureau Jeugdzorg;

- de brief d.d. 23 september 2010, met bijlage, van de zijde van de raad;

- de brief d.d. 6 januari 2011, met bijlage, van de zijde van de adoptiefouders;

- de brief d.d. 6 januari 2011, met bijlage, van de zijde van de raad;

- de fax d.d. 10 januari 2011, met bijlagen, van de zijde van de adoptiefouders.

Op 11 januari 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: mr. V. Vermaas en mevrouw I. van Wijk, gedragsdeskundige, namens de raad, de adoptiefouders met hun advocaat en bijgestaan door mevrouw G.J.E. de Koning, tolk in de Duitse taal, alsmede mr. L. Goei en mevrouw A. Sewradj, gedragsdeskundige, namens Bureau Jeugdzorg.

Door alle partijen zijn pleitnotities overgelegd. De pleitnotitie van de adoptiefouders bevat tevens een zelfstandig verzoek.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 4 april 2011 van de zijde van de raad met als bijlage de beschikking van het Gerechtshof 's-Gravenhage d.d. 30 maart 2011.

Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld uiterlijk 26 april 2011 te reageren op genoemde beschikking van het Gerechtshof 's-Gravenhage. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt. Op 27 mei 2011 is ingekomen een brief d.d. 26 mei 2011, met bijlagen, van de zijde van de adoptiefouders. De rechtbank laat deze brief buiten beschouwing bij haar beoordeling nu deze na het verstrijken van de genoemde termijn is ontvangen.

Verzoek en verweer

De raad verzoekt:

- primair: een voogd te benoemd over na te noemen minderjarige. De raad stelt daarbij voor om Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Den Haag tot voogd te benoemen.

- subsidiair: de adoptiefouders te ontzetten uit de voogdij over na te noemen minderjarige. De raad stelt daarbij voor om Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland Den Haag tot voogd te benoemen.

De raad verzoekt voorts de voorlopige voogdij te beëindigen op de dag waarop het gezag (naar de rechtbank begrijpt: voogdij) ingaat.

De adoptiefouders voeren verweer tegen het verzoek, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Tevens hebben zij zelfstandige verzoeken geformuleerd. De verzoeken van de adoptiefouders - zoals deze thans na wijziging ter terechtzitting luiden - strekken ertoe:

- het Internationaal Juridisch Instituut te verzoeken onderzoek te verrichten naar de

totstandkoming van de Ghanese adoptie van de minderjarige met de conclusie of de

Ghanese adoptie wel of niet op juiste wijze tot stand is gekomen.

- voor recht te verklaren dat de adoptiefouders worden geacht te zijn bekleed met

een vorm van gezag over de minderjarige.

Indien de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een gezagsvacuüm, verzoeken de adoptiefouders:

- primair: hen gezamenlijk te benoemen tot voogd over de minderjarige ex artikel 1:295 en 1:299 van het Burgerlijk Wetboek (BW);

- subsidiair: de adoptiefmoeder de tijdelijke voogdij toe te wijzen ex artikel 1:296 BW.

Bureau Jeugdzorg heeft bij verweerschrift verzocht het primaire dan wel subsidiaire verzoek van de raad toe te wijzen en Bureau Jeugdzorg Haaglanden, locatie Den Haag Zuid/Rijswijk te benoemen tot voogd.

Feiten

- De adoptiefouders hebben op [datum van de adoptie] 2010 naar Ghanees recht geadopteerd de

minderjarige: [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2004 te [geboorteplaats minderjarige], Ghana.

- De adoptiefouders hebben de minderjarige op [datum overbrenging naar Nederland] 2010 vanuit Ghana naar

Nederland overgebracht en in hun gezin opgenomen.

- De adoptiefouders beschikken niet over beginseltoestemming van het Ministerie van

Justitie.

- De adoptiefouders beschikten niet over een visum voor de minderjarige om hem

vanuit Ghana over te brengen naar Nederland.

- Bij beschikking van 29 juni 2010 van deze rechtbank is Bureau Jeugdzorg belast

met de voorlopige voogdij over de minderjarige.

- De adoptiefouders hebben de Duitse nationaliteit. De minderjarige heeft de Ghanese

nationaliteit.

Beoordeling

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige.

Samengevatte standpunten van partijen

De raad stelt primair dat het gezag over de minderjarige in Nederland niet wordt uitgeoefend. Subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat de adoptiefouders met de voogdij over de minderjarige zijn belast, stelt de raad dat de adoptiefouders uit de voogdij ontzet dienen te worden aangezien zij zeer laakbaar en niet in het belang van de minderjarige hebben gehandeld door de minderjarige in hun gezin op te nemen zonder in het bezit te zijn van de benodigde beginseltoestemming. Op grond van artikel 1:327, eerste lid, onder 1, BW, kan, indien de beginseltoestemming ontbreekt, de voogd uit de voogdij ontzet worden, ook indien de betreffende voogd zijn gezag ontleent aan een in het buitenland uitgesproken adoptievonnis.

De adoptiefouders stellen dat geen sprake is van openstaand gezag doch dat zij, gelet op de Ghanese adoptie-uitspraak, kunnen worden geacht te zijn bekleed met een vorm van gezag die overeenkomt met gezag naar Nederlands recht.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de raad stellen de adoptiefouders zich op het standpunt dat het laakbaar handelen waarop de raad zijn verzoek stoelt, doelt op handelingen van de adoptiefouders uit het verleden en niet ziet op de huidige situatie van de minderjarige en zijn huidige belangen.

Voor het geval de rechtbank oordeelt dat wel sprake is van openstaand gezag verzoeken de adoptiefouders met de (tijdelijke) voogdij over de minderjarige te worden belast nu het in zijn belang is dat zij als zijn verzorgers beslissingen over de minderjarige kunnen nemen en inmenging van een derde in het gezin de minderjarige in verwarring zal brengen en derhalve niet in zijn belang is.

Bureau Jeugdzorg is van mening dat de adoptiefouders naar Ghanees recht het gezag over de minderjarige hebben doch dat in Nederland het gezag over de minderjarige niet wordt uitgeoefend. Bureau Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat de wijze van adoptie, de noodzakelijkheid van het inzetten van hulpverlening voor de familie, het toezicht hierop alsmede de noodzakelijkheid van het houden van zicht op de ontwikkeling van de minderjarige, maken dat het gezag over de minderjarige bij een neutrale derde dient te liggen. Bureau Jeugdzorg stemt derhalve in met toewijzing van het primaire dan wel subsidiaire verzoek van de raad.

Inhoudelijke beoordeling

Is er sprake van openstaand gezag?

De rechtbank stelt voorop dat niet voorligt de vraag of de Ghanese adoptie in Nederland kan worden erkend. Ook ligt niet voor de vraag of de minderjarige in aanmerking zou komen voor adoptie naar Nederlands recht. De rechtbank richt zich bij de beoordeling van het verzoek van de raad uitsluitend op de vraag of er sprake is van openstaand gezag.

De adoptiefouders zijn van mening dat zij als gevolg van de adoptie naar Ghanees recht zijn bekleed met het gezamenlijk gezag over de minderjarige. Zij verzoeken om een aldus luidende verklaring voor recht.

De rechtbank overweegt dat de vorm van gezag die adoptiefouders ingevolge een in het buitenland uitgesproken adoptiebeschikking hebben in het land van adoptie weliswaar overeenkomt met het gezag over minderjarigen volgens Nederlands recht, maar dat een dergelijke buitenlandse uitspraak er niet toe leidt dat de adoptiefouders ook in Nederland naar Nederlands recht zijn bekleed met het gezag met alle rechtsgevolgen van dien.

De adoptie van de minderjarige in Ghana heeft weliswaar het rechtsgevolg dat de adoptiefouders naar Ghanees recht het gezag over de minderjarige hebben verkregen, maar nu er tussen Nederland en Ghana geen verdrag bestaat dat voorschrijft dat Ghanese adoptie-uitspraken van rechtswege worden erkend, is een erkenning van de adoptie door een Nederlandse rechter noodzakelijk om te bewerkstelligen dat ook in Nederland dit rechtsgevolg aan de Ghanese adoptie wordt verbonden. De rechtbank verwerpt derhalve het door de adoptiefouders naar voren gebrachte standpunt van mr. A. Mens, zoals verwoord in haar rapport d.d. 30 september 2010, door de adoptiefouders overgelegd als productie 7 bij het aanvullend verweerschrift.

In het licht van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat de adoptiefouders tengevolge van de Ghanese adoptie niet het gezag over de minderjarige hebben verkregen. De rechtbank zal het verzoek van de adoptiefouders ter zake van de verklaring voor recht dan ook afwijzen.

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de adoptiefouders niet zijn belast met het gezag (en zij evenmin zijn belast met de voogdij over de minderjarige), heeft de raad geen belang meer bij haar subsidiaire verzoek zodat dit verzoek niet besproken hoeft te worden.

Wie dient met de voogdij over de minderjarige te worden belast?

Nu de minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, rijst de vraag wie met de voogdij over de minderjarige moet worden belast. De rechtbank overweegt als volgt.

Voorop staat dat de adoptiefouders geen beginseltoestemming hebben voor opneming van een buitenlands kind ter adoptie en dat zij hiervoor ook niet in aanmerking zouden komen gelet op de vereisten die aan aspirant adoptiefouders worden gesteld. De adoptiefouders hebben vóór overbrenging van de minderjarige naar Nederland contact gehad met de Stichting Adoptievoorzieningen en het Ministerie van Justitie en waren derhalve op de hoogte van de in Nederland geldende procedures. De adoptiefouders hebben zich bewust niet aan de in Nederland geldende regels voor adoptie gehouden. De rechtbank is dan ook met de raad van oordeel dat de adoptiefouders zeer laakbaar hebben gehandeld.

De vraag is of het ontbreken van de beginseltoestemming eraan in de weg staat dat de adoptiefouders met de voogdij over de minderjarige worden belast. In lijn met hetgeen de Hoge Raad te dien aanzien overwoog in zijn arrest van 1 december 2000 (LJN: AA8715), is de rechtbank van oordeel dat bij beantwoording van deze vraag het belang van het kind voorop dient te worden gesteld. Dit geldt ook ingeval de adoptiefouders - zoals in dit geval - willens en wetens hebben gehandeld in strijd met de Wobka. Omdat bij de beantwoording van de vraag wie wordt belast met de voogdij over de minderjarige het belang van de minderjarige voorop staat, is niet bij voorbaat uitgesloten dat de adoptiefouders worden belast met de voogdij, ook wanneer zij niet beschikken over beginseltoestemming en (daarom) hebben gehandeld in strijd met de Wobka. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het vorenstaande het strafrechtelijk kader onverlet laat. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is aangifte van illegale adoptie tegen de adoptiefouders gedaan. Of wordt overgegaan tot vervolging is ter beoordeling van het openbaar ministerie en staat op zichzelf los van de vraag wie met de voogdij dient te worden belast.

De rechtbank stelt voorop dat ter terechtzitting is gebleken dat de raad en Bureau Jeugdzorg - anders dan voorheen - thans niet langer het standpunt innemen dat de minderjarige dient te worden overgeplaatst naar een ander gezin. Zij hebben beiden in dit verband verklaard dat door het tijdsverloop sprake is van family-life en een vorm van hechting tussen de minderjarige en de adoptiefouders, en dat het op dit moment goed gaat met de minderjarige. Voorts hebben zij aangegeven dat de adoptiefouders zich aan het inlezen zijn over adoptiespecifieke opvoeding. Onder deze omstandigheden achten zij een overplaatsing van de minderjarige, op dit moment, niet aan de orde. Gelet hierop dient naar het oordeel van de rechtbank de thans bestaande situatie, waarin de minderjarige woont in het gezin van de adoptiefouders, als uitgangspunt te worden gehanteerd. De vraag die beantwoord moet worden is of het in het belang van de minderjarige is dat de opvoeding en de voogdij worden gesplitst, zoals de raad en Bureau Jeugdzorg bepleiten. Zij baseren dit thans met name op hun zorg over mogelijke toekomstige problemen in de ontwikkeling van de minderjarige, in het bijzonder omdat er geen zicht is op de adoptiespecifieke vaardigheden van de adoptiefouders.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten die de conclusie rechtvaardigen dat de adoptiefouders niet beschikken over de opvoedingsvaardigheden en mogelijkheden die nodig zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat de adoptiefouders ter zitting hebben verklaard dat zij zich bewust zijn van de specifieke problematiek waarmee adoptiefkinderen soms kampen en dat zij zich in deze problematiek hebben ingelezen. De adoptiefouders hebben bovendien ter zitting verklaard dat zij bereid zijn een cursus te volgen en hulp te accepteren om nog beter voorbereid te zijn op hun taken als adoptiefouders. De rechtbank gaat ervan uit dat de adoptiefouders deze toezegging gestand zullen doen.

De rechtbank overweegt bovendien dat de raad en Bureau Jeugdzorg erkennen dat het thans goed gaat met de minderjarige in het gezin van de adoptiefouders. Hun zorgen ten aanzien van de geschiktheid van de adoptiefouders hebben vooral betrekking op de mogelijke problemen die de minderjarige in de toekomst zou kunnen ondervinden.

Voorts wijst de rechtbank op de bevindingen van dr. J.G. Vinke, GZ psycholoog, die de ontwikkeling van de minderjarige tot nog toe heeft onderzocht, alsmede of er sprake is van opvoedingskapitaal, en zo ja, welke risico en protectieve factoren er zijn aan te wijzen in het gezin [het gezin], in relatie tot de opvoeding van de minderjarige. In haar eindrapport d.d. 23 november 2010 concludeert zij dat uit de vragenlijsten geen aanwijzingen naar voren

komen die duiden op persoonlijke problematiek, gezinsproblematiek of psychopathologie. Objectieve factoren zijn, aldus dr. Vinke, wel degelijk aanwezig zowel vanuit het kind (leeftijd, voorgeschiedenis, geslacht), als in het gezin (groot gezin, leeftijd ouders), maar naar haar inschatting is er, onder meer gezien de al opgebouwde relaties in het gezin, voldoende buffer voor deze risico's. Volgens dr. Vinke is het van groot belang dat de minderjarige in een stabiele situatie opgroeit en lijkt deze stabiele situatie in het gezin van de adoptiefouders aanwezig te zijn, hetgeen ook wordt bevestigd door de vragenlijsten. Dr. Vinke acht het doorbreken van het hechtingsproces van de minderjarige binnen het gezin [het gezin] zeer risicovol en beschadigend voor de minderjarige.

Gelet op de omstandigheid dat het momenteel goed gaat met de minderjarige, de omstandigheid dat de adoptiefouders zich voorbereiden op de mogelijke momenten waarop het minder goed gaat en zij zich openstellen ten aanzien van de specifieke adoptiegerelateerde problematiek en in het bijzonder gezien het rapport van dr. Vinke, welk rapport de rechtbank zwaarwegend voor haar oordeel acht en waarvan de conclusies door de raad en Bureau Jeugdzorg niet zijn weersproken, is de rechtbank van oordeel dat het in dit specifieke geval in het belang is van de minderjarige dat de adoptiefouders worden belast met de voogdij. In dit verband overweegt de rechtbank tevens dat het alternatief - uitoefening van de voogdij door Bureau Jeugdzorg - in het adoptiefgezin zal leiden tot de nodige stress en spanning, nu de adoptiefouders in dat geval telkens toestemming van Bureau Jeugdzorg nodig hebben in verband met beslissingen aangaande de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Gelet op de ontwikkeling die de minderjarige thans doormaakt en het feit dat het momenteel goed met hem gaat, in combinatie met de omstandigheid dat de opvoedingsvaardigheden van de adoptiefouders op zichzelf toereikend dienen te worden geacht, acht de rechtbank een dergelijke situatie niet in diens belang.

Anders dan de raad heeft betoogd, vormen de omstandigheden dat beginseltoestemming ontbreekt en dat dit ook mogelijk in de toekomst tot problemen kan leiden en alsdan een schadelijk effect op de minderjarige zou kunnen hebben, in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om Bureau Jeugdzorg met de voogdij te belasten. Dit, in samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen en gezien de onderbouwde reactie d.d. 7 januari 2011 van dr. Vinke op het verweerschrift van de raad. Dr. Vinke heeft nader uiteengezet dat de positieve ontwikkeling van de minderjarige wat haar betreft zich alleen kan voortzetten wanneer de minderjarige zekerheid heeft over zijn opvoedingsplek en wanneer duidelijkheid bestaat over zijn toekomst. Zijn plaats binnen het gezin van de adoptiefouders moet volgens dr. Vinke op onvoorwaardelijke wijze worden bevestigd en daarom acht zij splitsing van gezag en opvoeding een grote belasting voor de minderjarige en tevens risicovol. Een dergelijke splitsing brengt naar haar oordeel het risico met zich dat extra druk op de adoptiefouders wordt gelegd, waardoor zij minder ruimte ervaren om hun rol in te vullen. De bestaanszekerheid van de minderjarige is gekoppeld aan de zekerheid van het kader waarbinnen de opvoeders mogen functioneren, aldus dr. Vinke. De rechtbank is van oordeel dat het door de raad gestelde belang om een ander dan de adoptiefouders te belasten met de voogdij ter voorkoming van eventuele problemen in de toekomst in de gegeven omstandigheden niet opweegt tegen het belang van de minderjarige bij duidelijkheid in die zin dat de personen die hem feitelijk verzorgen en opvoeden dezelfde personen zijn die juridisch bevoegd zijn beslissingen over hem te nemen. De rechtbank overweegt in dit verband tevens dat het de raad vrij staat haar te verzoeken een beschermingsmaatregel te treffen, wanneer daartoe volgens de raad aanleiding bestaat.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat in deze specifieke zaak het belang van de minderjarige het meest gediend wordt indien de adoptiefouders met de voogdij worden belast. De rechtbank beslist aldus.

De rechtbank laat hierbij in het midden of de Ghanese adoptieprocedure correct is verlopen. Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat dit niet het geval is geweest, doet dit niet af aan hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot het belang van de minderjarige dat de adoptiefouders met de voogdij worden belast.

Gelet op het vorenstaande hebben de adoptiefouders geen belang bij hun verzoek om een onderzoek door het Internationaal Juridisch Instituut. Evenmin hebben zij belang bij een beslissing over de gestelde schending van artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Immers, zolang de Ghanese adoptie-uitspraak niet in Duitsland is erkend kan er geen sprake zijn van strijd met genoemd verdrag. Gelet op de te nemen beslissing hebben de adoptiefouders evenmin belang bij een beslissing over de door hen gestelde strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Beslissing

De rechtbank:

belast de adoptiefouders, [adoptiemoeder], en, [adoptievader], met de gezamenlijke voogdij over de minderjarige:

- [de minderjarige], geboren op [geboortedatum minderjarige] 2004 te [geboorteplaats minderjarige], Ghana;

wijst af het meer of anders verzochte;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, B. Meijer en

J. Brandt, bijgestaan door P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2011.