Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8475

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
AWB 09/29907
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV7852, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een met artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag overeenkomstige bepaling is inmiddels neergelegd in artikel 12 van de Definitierichtlijn. De Definitierichtlijn is in werking getreden op 9 november 2004. De implementatietermijn is verstreken op 10 oktober 2006. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit in deze zaak, gedateerd 22 juli 2009, is genomen na het verstrijken van de implementatietermijn. Dat betekent dat de Definitierichtlijn rechtstreeks van toepassing is. Het Hof heeft op 9 november 2010 een arrest gewezen over de uitleg van artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn. Gezien het feit dat de uitsluitingsgronden die zijn opgenomen in artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn overeenkomen met artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag, ziet de rechtbank aanleiding om de uitleg die het Hof geeft aan artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn, bij de beoordeling van de onderhavige beroepsgrond te betrekken.

In het licht van deze overwegingen van het Hof heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht inzake de Hezb-i-Wahdat van 23 juni 2000, daarbij de mogelijkheid biedend aan eiser om tegenbewijs te leveren.

Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 09/29907

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1968, van Afghaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. B.D. Lit, advocaat te Amsterdam

en:

de minister van Justitie, rechtsopvolger van de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: drs. P. Heijdanus Meershoek, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Op 14 oktober 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Ingevolge artikel 117, eerste lid, onder c van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 wordt deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 22 juli 2009 afgewezen, waartegen eiser op 18 augustus 2009 beroep heeft ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij tussenuitspraak van 12 november 2010 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken het bestreden besluit aan te vullen dan wel een nieuw besluit te nemen.

Op 6 december 2010 heeft verweerder zijn reactie aan de rechtbank doen toekomen. Eiser heeft hierop bij brief van 20 december 2010 gereageerd.

Op 8 maart 2011 heeft de rechtbank partijen verzocht te reageren op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 februari 2011 (LJN: BP6271). Eiser heeft bij brief van 10 maart 2011 gereageerd. Verweerder heeft op 5 april 2011 telefonisch gereageerd en zijn eerder ingenomen standpunten gehandhaafd.

Nadien heeft de rechtbank het onderzoek, met toestemming van partijen, gesloten zonder het houden van een nadere zitting.

Feiten

1.1. Bij besluit van 13 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser eerder afgewezen. Eiser heeft hiertegen op 9 juli 2002 beroep ingesteld. Dit beroep is bij uitspraak van 15 maart 2005 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo gegrond verklaard (AWB 02/52480).

Kader

2.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder eiser artikel 1F van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna: het Vluchtelingenverdrag), heeft kunnen tegenwerpen.

2.2. Op grond van artikel 1A, onder 2, van het Vluchtelingenverdrag geldt voor de toepassing van dit verdrag als “vluchteling” elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.3. Op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, voor zover hier van belang, zijn de bepalingen van het verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.4. Artikel 12, “Uitsluiting”, lid 2, dat deel uitmaakt van hoofdstuk III, “Voorwaarden voor het verkrijgen van de vluchtelingenstatus”, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) bepaalt het volgende:

“Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:

a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten die zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b) hij buiten het land van toevlucht een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten, dat wil zeggen vóór de afgifte van een verblijfsvergunning op grond van de toekenning van de vluchtelingenstatus; bijzo nder wrede handelingen kunnen, zelfs indien zij met een beweerd politiek oogmerk zijn uitgevoerd, als ernstige, niet-politieke misdrijven aangemerkt worden;

c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties.”

2.5. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, juncto artikel 1, aanhef en onder l, van de Vw 2000, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.

2.6. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.7. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

2.8. Op grond van artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt, indien artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.

2.9. Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag valt. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1F-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is kan aan betrokkene artikel 1F worden tegengeworpen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de ‘personal and knowing participation test’ (artikel 25 en 27 tot en met 33 Statuut van Rome).

2.10. Er is sprake van ‘knowing participation’ wanneer:

a. de vreemdeling werkzaam is geweest voor een orgaan of organisatie, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1F heeft gepleegd in de periode dat hij daar werkzaam is geweest, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van significante uitzondering;

b. de vreemdeling werkzaam is geweest voor een organisatie waarvan de Minister heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot bepaalde categorieën van deze organisatie bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering;

c. een vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen waarvan hij wist of had behoren te weten dat het hier om misdrijven als bedoeld in artikel 1F ging, zonder dat hij deel uitmaakte van een orgaan of organisatie als hierboven bedoeld.

2.11. Er is sprake van ‘personal participation’ wanneer:

a. blijkt dat de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1F persoonlijk heeft gepleegd;

b. een misdrijf als bedoeld in artikel 1F in opdracht, of onder verantwoordelijkheid van de vreemdeling is gepleegd;

c. de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1F heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf;

d. een vreemdeling heeft behoord tot een categorie van personen binnen een organisatie waarvan de Minister heeft geconcludeerd dat aan personen die behoren tot deze categorie bij een aanvraag om een verblijfsvergunning in Nederland in de regel artikel 1F zal worden tegengeworpen, tenzij de vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.

Onder wezenlijk bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen.

Standpunt verweerder

3.1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser betrokken is geweest bij het plegen van oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid, het plegen van niet-politieke ernstige misdrijven en/of het schenden van mensenrechten. Verweerder is van mening dat het handelen van eiser valt onder artikel 1F, aanhef en onder a en b van het Vluchtelingenverdrag en dat eiser verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn handelen. Daartoe heeft verweerder gesteld dat eiser in de periode 1992 - 1999 activiteiten heeft verricht voor de politiek-militaire beweging Hezb-i-Wahdat.

3.2. Eiser is naar zijn eigen verklaringen vanaf 1993 (logistiek) commandant geweest van de militaire afdeling van de Hezb-i-Wahdat. Hij was verantwoordelijk voor de uitgifte van munitie en kleding. Hij had de leiding over ongeveer twintig personen. Na de inval van de Taliban in maart 1995 is eiser gevlucht naar Kajab, waar hij zijn werkzaamheden voor de Hezb-i-Wahdat heeft voortgezet tot januari/februari 1999. Nadien heeft eiser Afghanistan verlaten vanwege de machtsovername door de Taliban.

3.3. Verweerder merkt de Hezb-i-Wahdat aan als organisatie waarvan aan bepaalde categorieën leidinggevenden in de regel artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen. Verweerder verwijst hierbij naar het deelambtsbericht “Afghanistan -

Hezb-i-Wahdat - mensenrechtenschendingen 1992-1999” van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 23 juni 2000 (kenmerk: DPC/AM-681499). Uit dit ambtsbericht komt - kort samengevat - het volgende naar voren.

3.4. Van 1993 tot 1995 controleerde de Hezb-i-Wahdat de westelijke wijken van Kabul. Strijders van de Hezb-i-Wahdat arresteerden regelmatig, zonder aanleiding, ongewapende burgers. Deze burgers wachtten meestal een gruwelijk lot. In de loop der jaren ontwikkelden de strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat nieuwe martelvormen. De Hezb-i-Wahdat kan als één van de meest gewelddadige politiek-militaire bewegingen worden beschouwd. Haar bestuurs- en militaire functionarissen, hoge officieren en soldaten hebben zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen en schendingen van internationaal humanitair recht. De Hezb-i-Wahdat heeft zowel in het noorden van Afghanistan als in Kabul, alwaar de Hezb-i-Wahdat gedurende de periode van 1992 tot 1995 de macht in handen had, een waar terreurklimaat onder de Afghaanse bevolking teweeggebracht. Een promotie tot commandant binnen de Hezb-i-Wahdat was slechts weggelegd voor personen die zich op actieve wijze hadden onderscheiden, dan wel voor personen die, op gewelddadige wijze, eigenhandig besloten hadden leiding te nemen over een militie van de Hezb-i-Wahdat. Onder meer alle commandanten van een ferqá (een brigade van duizend man) en hoge officieren (commandant, generaal, kolonel, majoor) van de strijdkrachten van de Hezb-i-Wahdat zijn verantwoordelijk voor mensenrechtenschendingen in Afghanistan in de periode 1992-1999. Bestuurs- en militaire functionarissen, hoge officieren en soldaten van de Hezb-i-Wahdat hebben zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan grove mensenrechtenschendingen en schendingen van internationaal humanitair recht zoals intimidaties, bedreigingen, afpersingen, martelingen, willekeurige arrestaties en buitengerechtelijke executies.

3.5. Deze gedragingen zijn aan te merken als oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Kenmerken van deze categorie van misdrijven zijn de ongekende wreedheid ervan, de hiermee samenhangende verregaande leedtoevoeging aan de (talrijke) slachtoffers en het wijdverbreide en systematische karakter ervan. Het voorgaande brengt met zich mee dat een dergelijk misdrijf nimmer kan worden aangemerkt als een politiek misdrijf.

Dit gedrag is te beschouwen als het begaan van een oorlogsmisdrijf in de zin van artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag begaan tijdens een intern gewapend conflict. Tevens moeten de gedragingen worden aangemerkt als één of meerdere misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag begaan tijdens een intern gewapend conflict. De gedragingen zijn eveneens te zien als absolute niet-politieke misdrijven en moeten worden aangemerkt als ernstige misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag en als handelingen in de zin van het bepaalde in artikel 1F, aanhef en onder c, van het Vluchtelingenverdrag.

3.6. Het naar aanleiding van deze omstandigheden ingestelde onderzoek door verweerder heeft opgeleverd dat eiser in verband moet worden gebracht met intimidaties, bedreigingen, afpersingen, willekeurige arrestaties, het folteren van gevangenen, het plegen van buitengerechtelijke executies, verkrachtingen, het doden van burgers en het buitengerechtelijk detineren van personen. Eiser behoorde immers tot de Hezb-i-Wahdat. Deze conclusie is gebaseerd op de eigen verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor van 30 november 1999 en het aanvullend gehoor van 29 november 2002, de verklaringen tijdens het nader gehoor van zijn echtgenote alsmede op het overgelegde lidmaatschapspasje, afgegeven door de Hezb-i-Wahdat partij in Teheran op 22 september 1999.

3.7. Nu eiser werkzaam is geweest voor een organisatie of onderdeel daarvan, waarvan het hoofdbestanddeel van de activiteiten bestond uit het begaan van misdrijven in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, is de conclusie gerechtvaardigd dat eiser wist of weet moet hebben gehad van de misdrijven die door de organisatie waartoe hij behoorde zijn gepleegd. Daarnaast wist of had eiser moeten weten dat deze misdrijven onderdeel waren van een wijdverbreide of stelselmatige aanval, gericht tegen de burgerbevolking. Uit het ambtsbericht van 23 juni 2000 komt immers ondubbelzinnig naar voren dat het wrede karakter van de Hezb-i-Wahdat algemeen bekend moet zijn geweest bij commandanten. Onder meer commandanten verkeerden binnen de Hezb-i-Wahdat in een gezaghebbende positie en werden op concrete wijze betrokken bij militaire besluitvorming en veiligheidskwesties. Zij hadden derhalve op concrete wijze weet van de begane schendingen van de mensenrechten dan wel oorlogsmisdaden. Zij hadden hiertoe veelal opdracht gegeven dan wel stonden dergelijke misdaden oogluikend toe en hebben binnen de Hezb-i-Wahdat bewust een meedogenloos gewelddadig klimaat jegens opponenten geschapen. Gegeven het feit dat er over de begane misdrijven is gepubliceerd mag het als vaststaand worden beschouwd dat deze misdrijven in bredere kring bekend zijn geraakt. Daarom en gelet op de inhoud van de werkzaamheden van eiser en de contacten die hij uit hoofde hiervan heeft onderhouden, wordt geconcludeerd dat eiser geweten heeft of had moeten weten van de door Hezb-i-Wahdat begane misdrijven. De “knowing participation” van eiser staat hiermee vast.

3.8. Eiser heeft niet aangetoond dat hij niets heeft geweten van het misdadige karakter van de Hezb-i-Wahdat. Er is daarom geen sprake van een significante uitzondering.

3.9. Eiser is vanaf 1993 tot 1998 of 1999 als logistiek commandant van de militaire afdeling van Hezb-i-Wahdat werkzaam geweest, in West-Kabul tot maart 1995 en nadien in Kajab, provincie Wardak. Hij kreeg zijn opdrachten rechtstreeks van Mazari en na diens dood in maart 1995 van Khalili en Mohaqeq.

3.10. Eiser heeft niet aangetoond dat hij, in weerwil van zijn positie binnen de Hezb-i-Wahdat, niet zelf de genoemde misdrijven heeft gepleegd of heeft doen plegen, dan wel dat door zijn handelen en/of nalaten het plegen van deze misdrijven niet mogelijk is gemaakt.

Aan de stelling van eiser dat de Hezb-i-Wahdat niet verantwoordelijk dient te worden gehouden voor de mensenrechtenschendingen zoals in het ambtsbericht van 23 juni 2000 is vermeld, hecht verweerder geen geloof. Aan de totstandkoming van het ambtsbericht ligt een uitgebreid en gedegen onderzoek ten grondslag. Eiser is er niet in geslaagd de inhoud van het ambtsbericht op dit punt met objectief verifieerbare bronnen te weerleggen. Daarom wordt geconcludeerd dat eiser door een wezenlijke bijdrage te leveren aan de gepleegde misdrijven hier mede verantwoordelijk voor moet worden gehouden en dus als mededader moet worden beschouwd. De “personal participation” van eiser staat hiermee vast. Eiser wordt individueel voor deze misdrijven verantwoordelijk gehouden.

3.11. Gezien het vorenstaande acht verweerder het bepaalde in artikel 1F, aanhef en onder a en b van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing.

3.12. De stelling van eiser dat op basis van te algemene informatie wordt geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, volgt verweerder niet. Immers, juist de eigen verklaringen van eiser hebben aanleiding gegeven voor het opstarten van een 1F onderzoek en hebben uiteindelijk geresulteerd in het tegenwerpen van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Getuigenverklaringen zijn geen vereiste voor de toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder verwijst voorts naar het Tussentijds Bericht Vreemdelingen (TBV) 2002/37 van 1 januari 2002, waarin nader wordt ingegaan op de wijze waarop artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag dient te worden uitgelegd. In dat TBV wordt opgemerkt dat de veronderstelling dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, niet bewezen hoeft te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf. Verweerder benadrukt dat er “ernstige redenen om te veronderstellen” moeten zijn dat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en/of handelingen als beschreven in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Uit de brief van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 19 december 2000 blijkt dat de Hezb-i-Wahdat behoort tot een organisatie waarvan de Staatssecretaris heeft geconcludeerd dat personen die behoren tot een bepaalde categorie leden van de Hezb-i-Wahdat in de regel artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zullen worden tegengeworpen.

Verweerder verwijst in het bestreden besluit naar de beleidsnotitie over de toepassing van artikel 1F van 6 juni 2008 en in het bijzonder naar bijlage 1 (reactie op de brief van de UNHCR van 14 november 2007) bij die brief. Zoals in de brief uiteengezet gaat het niet om de enkele associatie, maar om personen die op een bepaalde positie werkzaam waren bij een specifieke organisatie waardoor - mede vanwege de structuur en de doelstelling van die organisatie - ‘knowing and personal participation’ in de regel mag worden aangenomen. Telkens wordt per individueel geval beoordeeld of sprake is van redenen om een uitzondering op de regel aannemelijk te achten. Eiser is daartoe uitgebreid in de gelegenheid gesteld om verweren in te brengen, teneinde in de besluitvorming de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten. Gelet op hetgeen in het voornemen is overwogen over de “knowing en personal participation” is het onjuist te stellen dat niet is onderzocht of eiser in de door hem beklede functies verantwoordelijk is te houden voor mensenrechtenschendingen en dat hij daarvan kennis droeg.

Standpunt eiser

4.1. Eiser heeft - voor zover relevant - gesteld dat hij geen commandant was maar verantwoordelijke van de afdeling logistiek. Voorts voert eiser aan dat het standpunt van verweerder over de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag primair steunt op de berichtgevingen zoals neergelegd in de algemene ambtsberichten, met name het ambtsbericht van 23 juni 2000 inzake de Hezb-i-Wahdat. Onder verwijzing naar het rapport van de UNHCR van 14 november 2007 stelt eiser dat deze handelwijze van verweerder onzorgvuldig en in strijd met het Vluchtelingenverdrag is. In dit rapport bestrijdt de UNHCR het uitgangspunt van verweerder dat een groep als zodanig met artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag in verband kan worden gebracht. Voorts benadrukt de UNHCR dat de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag slechts kan gebeuren na onderzoek naar de individuele verantwoordelijkheid bij mensenrechtenschendingen. In casu is verweerder bij de vaststelling van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van eiser slechts afgegaan op informatie verkregen uit het ambtsbericht van 23 juni 2000 die niet ziet op eiser persoonlijk. Op geen enkele wijze heeft verweerder onderzocht of vastgesteld dat eiser vanuit de door hem beklede functies zelf, individueel betrokken is geweest bij mensenrechtenschendingen dan wel daartoe een ‘knowing participation’ had. Verweerder heeft zijn standpunt bepaald op de verklaringen van eiser over de door hem beklede functies en hetgeen hem bekend was uit ambtsberichten die niet zagen op de persoon van eiser zelf.

Oordeel rechtbank

5.1. De rechtbank stelt vast dat een met artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag overeenkomstige bepaling inmiddels ook is neergelegd in artikel 12 van de Definitierichtlijn. De Definitierichtlijn is in werking getreden op 9 november 2004. De implementatietermijn is verstreken op 10 oktober 2006. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit in deze zaak, van 22 juli 2009, is genomen na het verstrijken van de implementatietermijn. Dat betekent dat de Definitierichtlijn rechtstreeks van toepassing is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft op 9 november 2010 een arrest gewezen over de uitleg van artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn (C-57/09 en C-101/09, LJN: BO5518). Gezien het feit dat de uitsluitingsgronden die zijn opgenomen in artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn overeenkomen met artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag, ziet de rechtbank aanleiding om de uitleg die het Hof geeft aan artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn, bij de beoordeling van de onderhavige beroepsgrond te betrekken.

5.2. In de overwegingen onder 94 tot en met 98 van bedoeld arrest overweegt het Hof het volgende:

“Uit een en ander volgt dat een persoon die heeft behoord tot een organisatie die terroristische methoden toepast, slechts van de vluchtelingenstatus kan worden uitgesloten na een individueel onderzoek van specifieke feiten waaruit kan worden opgemaakt of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon in het kader van zijn activiteiten binnen die organisatie een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan of zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties, tot een dergelijk misdrijf of dergelijke handelingen heeft aangezet of anderszins aan dergelijke misdrijven of daden heeft deelgenomen in de zin van artikel 12, lid 3, van de richtlijn.

Om het bestaan van een van de in artikel 12, lid 2, sub b en c, van de richtlijn genoemde uitsluitingsgronden te kunnen aannemen moet, gelet op het in lid 2 van dat artikel geëiste bewijsniveau, de betrokken persoon ten dele verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de daden die de betrokken organisatie heeft gesteld in de periode waarin hij er lid van was.

Deze individuele verantwoordelijkheid moet zowel aan de hand van objectieve criteria als aan de hand van subjectieve criteria worden vastgesteld.

Daartoe moet de bevoegde autoriteit met name nagaan, welke rol de betrokken persoon daadwerkelijk heeft gespeeld bij het stellen van de betrokken daden, welke positie hij had binnen de organisatie, welke kennis hij had of had moeten hebben van de activiteiten van de organisatie en of pressie op hem is uitgeoefend dan wel of andere factoren zijn gedrag hebben kunnen beïnvloeden.

Een autoriteit die bij dat onderzoek vaststelt dat de betrokken persoon, zoals D, een vooraanstaande positie heeft bekleed in een organisatie die terroristische methoden toepast, mag ervan uitgaan dat deze persoon individueel verantwoordelijk is voor daden die deze organisatie tijdens de relevante periode heeft gesteld, maar moet niettemin alle relevante omstandigheden onderzoeken alvorens een beschikking te kunnen geven waarbij deze persoon op grond van artikel 12, lid 2, sub b of c, van de richtlijn van de vluchtelingenstatus wordt uitgesloten”.

5.3. In het licht van deze overwegingen van het Hof heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht van 23 juni 2000, daarbij de mogelijkheid biedend aan eiser om tegenbewijs te leveren. Verweerder had een individueel onderzoek dienen te verrichten naar de specifieke feiten van eisers geval en de individuele verantwoordelijkheid dienen vast te stellen aan de hand van objectieve en subjectieve criteria, zoals genoemd in dit arrest. Verweerder gaat er weliswaar ook van uit dat individuele omstandigheden een rol kunnen spelen in het kader van de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, maar meent dat de bewijslast bij eiser ligt en het aan hem is om tegenbewijs te leveren. In het licht van de voorgaande overwegingen van het Hof is dat standpunt niet langer houdbaar.

5.4. De conclusie is dan ook dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, onder meer ten aanzien van de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, kan gelet op de gegrondverklaring van het beroep verder buiten beschouwing blijven.

5.5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 644 ,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 322,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644 ,-- (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Jonkers, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: AG

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.