Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8456

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
AWB 11/11023
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo mvv-verlening.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker voldoet aan alle eisen voor verlening van een mvv; verweerder heeft dit ter zitting bevestigd. Verzoeker is slechts tegengeworpen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verzoeker heeft een beroep gedaan op artikel 8 EVRM.

Verzoeker is veroordeeld voor rijden onder invloed. Gelet op de straf die hiervoor is opgelegd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gedraging niet als zeer ernstig is gekwalificeerd. Bovendien heeft het delict zich in 2005 afgespeeld. Zowel daarvoor als daarna is verzoeker niet in aanraking gekomen met de politie. Door een ongelukkige gang van zaken heeft verzoeker pas in 2010 de boete betaald. Indien hij dit gelijk had gedaan, dan was hem nu het openbare orde criterium niet tegengeworpen. De belangenafweging dient in het voordeel van verzoeker uit te vallen.

Op dit moment is referente zwanger en staat zij op het punt om te bevallen. Verzoeker heeft geen andere mogelijkheid dan het aanvragen van een mvv om bij de bevalling aanwezig te zijn. Mede gelet hierop valt de belangenafweging die de voorzieningenrechter dient te maken in het voordeel van verzoeker uit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in die zin dat verweerder verzoeker dient te behandelen als ware hij in het bezit van een mvv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/11023

V-nr: [V-nr]

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken van 6 april 2011 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1970, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde mr. A.C.M. Nederveen, advocaat te Amsterdam

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

gemachtigde mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Zitting hebben:

mr. J.P. Smit, voorzieningenrechter,

mr. J.C.E. Krikke, griffier.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Partijen zijn vertegenwoordig door hun gemachtigden. Tevens was [referente], referente, ter zitting aanwezig.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter heeft hierbij aan partijen meegedeeld dat tegen de uitspraak geen rechtsmiddel open staat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- bepaalt dat verweerder verzoeker dient te behandelen als ware hij in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 874,-- te betalen aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 152,-- aan verzoeker moet vergoeden.

Motivering

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker voldoet aan alle eisen voor verlening van een mvv; verweerder heeft dit ter zitting bevestigd. Verzoeker is slechts tegengeworpen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde.

Deze tegenwerping van het openbare orde-criterium is conform het beleid van verweerder zoals neergelegd in paragraaf B1/4.4.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Uit ditzelfde beleid blijkt dat verweerder voor de berekening van de termijn tot wanneer het openbare orde-criterium kan worden tegengeworpen, uitgaat van het moment dat de boete onherroepelijk is geworden. Verweerder hanteert hiervoor als peildatum de dag waarop de boete is betaald. In het beleid heeft verweerder voorzien dat een boete later betaald kan worden dan dat hij is opgelegd. Hierdoor kan het beroep van verzoeker op artikel 4:84 van de Awb niet slagen.

Verzoeker heeft voorts een beroep gedaan op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit kader dient verweerder een afweging te maken tussen het belang van verweerder bij het bewaken van immigratie en het beschermen van de openbare orde en het belang dat verzoeker heeft bij het uitoefenen van zijn gezinsleven met zijn echtgenote en zijn (toekomstige) kind. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat verweerder bij deze belangenafweging de zogenaamde ‘Boultiff-criteria’ dient toe te passen. In het besluit van

24 maart 2011 heeft verweerder dit nagelaten.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen een aantal van deze criteria tegen elkaar weg worden gestreept. De doorslaggevende criteria die overblijven zijn de aard en ernst van het misdrijf en het tijdsverloop sinds het misdrijf en de gedragingen sindsdien.

Verzoeker is veroordeeld voor rijden onder invloed. Dit is aangemerkt als een misdrijf en wordt daarom als een ernstige inbreuk op de openbare orde ervaren. Gelet op de straf welke verzoeker is opgelegd, namelijk een boete van € 460,--, terwijl er geen bijkomende straffen of maatregelen zoals een voorwaardelijke gevangenisstraf of een rijontzegging zijn opgelegd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze inbreuk weliswaar als ernstig, maar niet als zeer ernstig moet worden aangemerkt.

Bovendien heeft dit delict plaatsgevonden in 2005. Zowel daarvoor als daarna is verzoeker niet in aanraking gekomen met de politie.

Voorts weegt de voorzieningenrechter mee dat door een ongelukkige gang van zaken verzoeker pas laat, namelijk in eerst in 2010, in de gelegenheid is gesteld de boete te betalen. Indien verzoeker kort na het plegen van het delict de boete had kunnen betalen, dan zou verweerder het openbare orde-criterium niet langer hebben tegengeworpen wegens het tijdsverloop. Dat relativeert de ernst van het delict. Voor de toepassing van artikel 8 van het EVRM is dit een relevante omstandigheid. Bij de beoordeling van het tijdsverloop sinds het delict dient de datum waarop het delict is gepleegd zwaarder te wegen dan de datum waarop de boete is betaald.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van een individuele belangenafweging en dat een juiste belangenafweging hoogst waarschijnlijk zal leiden tot het aannemen van een uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende positieve verplichting om verzoeker in Nederland toe te laten, om alhier zijn gezinsleven uit te oefenen.

Op dit moment bevindt de procedure van verzoeker zich nog in de bezwaarfase. Verweerder dient nog een besluit op bezwaar te nemen. Verzoeker heeft verzocht hem te behandelen als ware hij in het bezit van een mvv. Zijn echtgenote, referente, is zwanger en is uitgerekend op

23 april 2011. Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter een gerechtvaardigd belang om daarbij aanwezig te zijn.

Ter zitting is verder duidelijk geworden dat verzoeker geen andere mogelijkheid heeft dan de onderhavige mvv-aanvraag om bij de bevalling aanwezig te zijn. Verweerder heeft immers toegelicht dat een aanvraag voor visum kort verblijf zal worden afgewezen wegens vestigingsgevaar. Mede gelet hierop valt de belangenafweging die de voorzieningenrechter dient te maken in het voordeel van verzoeker uit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, met veroordeling van verweerder in de kosten.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

griffier voorzieningenrechter

afschrift verzonden op:

Conc.: JK

Coll.: MB

D: C

VK

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.