Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8446

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
393183 - KG ZA 11-483
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geen belang bij tussenkomst omdat interveniënt al over een titel beschikt. De vordering in kort geding strekt bovendien verder dan de reeds verkregen titel. Daar leent kort geding zich niet voor. Overigens onderliggende stellingen onvoldoende onderbouwd. Wel belang bij voeging. Privaatrechtelijk optreden gemeente jegens twee afzonderlijke inwoners. Afspraak tussen rechtsvoorganger van eiser en gemeente is vatbaar voor overgang. Voorts is voldaan aan artikel 6:251 lid 1 BW. Daarmee is het recht van de rechtsvoorganger van eiser van rechtswege overgegaan op eiser, zodat deze zich daarop jegens de gemeente kan beroepen. Dat recht staat lijnrecht tegenover (privaatrechtelijk) recht van andere inwoner uit hoofde van afspraak met gemeente. Vervolgens vindt afweging plaats tussen de belangen van die inwoner en die van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 393183 / KG ZA 11-483

Vonnis in kort geding van 7 juni 2011

in de zaak van

1. [eiser],

2. [eiseres],

beiden wonende te [...],

eisers,

advocaat mr. E.H. van Staden ten Brink te 's-Gravenhage,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE [...],

gevestigd te [...],

gedaagde,

in persoon verschenen bij mr. M.J. de Jongh, als gemachtigde,

en tegen:

[interveniënt],

wonende te [...],

interveniënt,

advocaat mr. N. Reggani te Leiden.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als "[eisers]", "de Gemeente" en "[interveniënt]".

1. De feiten

In de hoofdzaak en in het incident:

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 mei 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. In 1962 heeft [interveniënt] om niet een perceel grond, dat grenst aan het perceel waarop hij destijds zijn woning wilde bouwen en is gelegen in de gemeente [...], geleverd aan de Gemeente. In de akte van levering van 1 juni 1962 is - onder andere - opgenomen:

"De Gemeente [...], die het bij deze overgedragen goed zal bestemmen voor openbare weg en plantsoen, kan dit onroerend goed terstond in gebruik en genot aanvaarden, vrij van huur of andere gebruiksrechten.

Zij zal de grond nimmer bestemmen als achteruitgang van de panden aan de […laan-01]"

1.2. Het door [interveniënt] verkochte en geleverde perceel is vervolgens door de Gemeente ingericht als openbare weg met een groenstrook, genaamd […laan-02]. Deze weg grenst aan de ene zijde - onder meer - aan het perceel waarop [interveniënt] inmiddels zijn woning heeft gerealiseerd. Aan de andere zijde grenst de groenstrook aan de achtertuinen van de woningen aan de […laan-01] te [...] (oneven nummers 35 tot en met 43).

1.3. Vanaf 2007 heeft de Gemeente, op haar initiatief, delen van het door [interveniënt] geleverde perceel - in het bijzonder gedeelten van de groenstrook - verkocht aan verschillende bewoners van de […laan-01], waaronder, op 28 maart 2007, aan [...] (hierna "[verkoper aan eisers]"), die destijds woonachtig was op nummer 35. De akte van 23 mei 2007, waarbij de grond aan [verkoper aan eisers] werd geleverd, vermeldt - voor zover hier van belang - het volgende:

"STAAT VAN HET VERKOCHTE

1. a. Het verkochte wordt overgedragen in de staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden, zichtbare en onzichtbare gebreken en kwalitatieve rechten.

Verkoper zijn geen erfdienstbaarheden en/of kwalitatieve verplichtingen ten laste van het verkochte bekend en hem zijn geen verplichtingen bekend welke hij aan koper moet opleggen op grond van voorgaande eigendomstitels."

1.4. Daaraan voorafgaand had mevrouw A. Hesemans - destijds beleidsmedewerker grondzaken van de Gemeente - bij e-mailbericht van 13 maart 2007 het volgende medegedeeld aan [verkoper aan eisers]:

"Vanochtend belde u mij met een vraag over het mogen realiseren van een achteruitgang achter uw achtertuin.

Het realiseren van een dergelijke uitgang is officieel niet toegestaan, omdat het niet onderdeel is van het plan van de inrichting van het openbaar groen/de openbare ruimte achter uw tuin/langs de […laan-02].

Echter, in de praktijk worden dergelijke achteruitgangen door de gemeente over het algemeen gedoogd. Dit betekent dat dergelijke achteruitgangen officieel niet zijn toegestaan zijn, maar dat de gemeente over het algemeen geen actie onderneemt om achteruitgangen die al gerealiseerd zijn, ongedaan te maken.

De gemeente gedoogt, omdat dergelijke achteruitgangen over het algemeen een praktische oplossing van een situatie ter plaatse zijn en omdat er geen officieel vergunningentraject is voor het aanvragen van een achteruitgang. Ook de gemeente kiest dus voor een praktische benadering. Hierbij houden wij wel in het oog of het openbare groen niet te veel wordt aangetast en of er bezwaren van omwonenden kunnen zijn tegen een achteruitgang (bijvoorbeeld omdat ze in hun privacy worden aangetast). In uw geval zal een achteruitgang wat betreft het openbaar groen zeker niet bezwaarlijk zijn. Als u uw achteruitgang in een rechte lijn van uw tuin naar de openbare weg aanlegt, zie ik ook niet hoe omwonenden daar bezwaar tegen kunnen hebben.

Heeft u eenmaal een achteruitgang gerealiseerd, dan is de gemeente over het algemeen bereid om door het openbaar groen bijvoorbeeld een pad ter breedte van 3 stoeptegels aan te leggen vanaf uw tuin naar de openbare weg. U kunt hier echter geen rechten aan ontlenen. Als de strook openbaar groen in een later stadium nodig is voor de aanleg van parkeerplaatsen, dan is de gemeente niet verplicht rekening te houden met uw achteruitgang."

1.5. [verkoper aan eisers] heeft de door hem van de Gemeente gekochte grond bij zijn achtertuin getrokken. Aan de achterzijde van zijn perceel heeft hij vervolgens een schutting geplaatst voorzien van een deur. Tussen de schutting van [verkoper aan eisers]'s achtertuin en de verharding van de […laan-02] resteert nog een groenstrook van 2,5 meter breed. Daarop is een pad - van drie tegels breed - aangelegd, die in rechte lijn van de schuttingdeur naar de verharding van de […laan-02] loopt.

1.6. [verkoper aan eisers] heeft zijn woning, inclusief de in 2007 van de Gemeente gekochte grond, verkocht aan [eisers]. De levering vond plaats op 1 maart 2010.

1.7. In april 2010 heeft [interveniënt] een civielrechtelijke (bodem)procedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank tegen de Gemeente, waarin hij - onder meer - vorderde dat de Gemeente de leveringsakte uit 1962 nakomt en dat zij alles doet wat in haar macht ligt om ervoor te zorgen dat het perceel niet wordt gebruikt als achteruitgang door de bewoners van de […laan-01]. Tevens vorderde hij schadevergoeding.

1.8. In die procedure heeft deze rechtbank bij - voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard - vonnis van 2 februari 2011 (zaak- / rolnummer 365600 / HA ZA 10-1687), onder meer:

(i) voor recht verklaard dat de Gemeente is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichting uit hoofde van de leveringsakte van 1 juni 1962;

(ii) de Gemeente veroordeeld om binnen twee weken na dat vonnis datgene te doen dat in haar macht ligt om ervoor zorg te dragen dat het perceel niet wordt gebruikt als achteruitgang van de […laan-01];

(iii) de Gemeente veroordeeld tot vergoeding van de door [interveniënt] geleden schade bestaande uit de waardevermindering van zijn woning door de wanprestatie van de Gemeente, nader op te maken bij staat.

1.9. In dat vonnis heeft de rechtbank - onder meer - overwogen:

"4.8. (…..) De gemeente heeft het als eigenaar daarvan in beginsel in haar macht feitelijk te voorkomen dat ook de reeds verkochte delen van het perceel als achteruitgang worden gebruikt. Voor zover de vordering daartoe strekt kan deze worden toegewezen, waarbij het aan de gemeente is om te bepalen hoe zij aan deze verplichting inhoud wenst te geven en, in haar relatie tot de bewoners van de […laan-01], kan geven. (…..) De gemeente zal aldus ertoe worden veroordeeld al datgene te doen dat in haar macht ligt om ervoor zorg te dagen dat het perceel niet wordt gebruikt als achteruitgang van de […laan-01]. (…..) Indien zou blijken, bijvoorbeeld door een rechterlijke uitspraak in een procedure tussen de gemeente en de eigenaren van de woningen aan de […laan-01], dat het de gemeente niet vrijstaat het gebruik van het perceel als achteruitgang te belemmeren, zal de daarin gelegen wanprestatie van de gemeente jegens [interveniënt] langs de weg van een schadevergoeding moeten worden afgewikkeld. (…..)"

1.10. De Gemeente is van dat vonnis in hoger beroep gegaan. De appelprocedure loopt nog.

1.11. Bij brief van 3 maart 2011 heeft de Gemeente - onder verwijzing naar het vonnis van 2 februari 2011 - onder meer - het volgende medegedeeld aan [eisers]:

"Dit betekent dat als u een achteruitgang heeft gerealiseerd, u deze helaas binnenkort niet meer kunt gebruiken. De gemeente is op grond van de uitspraak namelijk verplicht een afscheiding achter uw tuin te plaatsen."

1.12. Na protest van de zijde van [eisers] heeft de Gemeente op 14 april 2011 aan hen bericht dat zij hun bezwaren niet deelt en dat uitvoering zal worden gegeven aan het vonnis, door binnen afzienbare tijd - waarbij wordt gedacht aan een termijn van zes weken - een afscheiding te plaatsen achter het perceel van [eisers].

2. Het geschil

In de hoofdzaak en in het incident:

2.1. [eisers] vorderen, zakelijk weergegeven:

primair:

- de Gemeente te verbieden enig(e), hek, afscheiding, beplanting of ander fysiek obstakel op te richten of te handhaven dat [eisers] het gebruik van het uit- en toegangspad van en naar hun achtertuin verhindert c.q. belemmert;

subsidiair:

- de primaire vordering toe te wijzen totdat in een bodemprocedure, waarin [eisers] betrokken zijn, daaromtrent bij gewijsde is beslist;

een en ander met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

2.2. Naast de hiervoor vermelde feiten voeren [eisers] daartoe - samengevat - het volgende aan.

De Gemeente is voornemens om binnenkort een hek te plaatsen pal tegen de schutting van de achtertuin van [eisers], zodat zij zich vanuit hun tuin niet meer kunnen begeven naar de […laan-02] en andersom. Daarbij beroept de Gemeente zich op het op 2 februari 2011 uitgesproken vonnis tussen haar en [interveniënt]. [eisers] behoeven dat vonnis echter niet tegen zich te laten werken, nu het is gewezen in een procedure waarin zij niet betrokken zijn geweest. Hetzelfde geldt voor de verkooptransactie uit 1962 tussen [interveniënt] en de Gemeente, aangezien deze derdenwerking mist. [verkoper aan eisers] was in 2007 gerechtigd om het tegelpad tussen zijn achtertuin en de verharding van de […laan-02] aan te (laten) leggen. De gemeente mist deugdelijke argumenten jegens [eisers] om te verhinderen c.q. belemmeren dat van dat pad gebruik wordt gemaakt. Uitvoering van het door de Gemeente geuite voornemen om een hek te plaatsen is dan ook onrechtmatig.

2.3. Primair verzoekt [interveniënt] te worden toegelaten als tussenkomende partij, teneinde te vorderen dat de Gemeente - onder verbeurte van een dwangsom - wordt geboden het vonnis van 2 februari 2011 na te komen en te voorkomen dat het perceel als achteruitgang wordt gebruikt. Subsidiair wil [interveniënt] zich voegen aan de zijde van de Gemeente.

2.4. Verkort weergegeven stelt [interveniënt] daartoe het volgende.

[interveniënt] staat erop dat de Gemeente thans uitvoering geeft aan het vonnis van 2 februari 2011. Hij heeft de Gemeente daarom ook verzocht, maar deze laat dat na, ondanks toezeggingen van haar kant. Op grond hiervan heeft [interveniënt] belang bij zijn vordering als tussenkomende partij. Voor zover het vereiste belang bij tussenkomst niet aanwezig is, wil [interveniënt] zich voegen aan de zijde van de Gemeente, teneinde - samen met haar - te voorkomen dat de vordering van [eisers] wordt toegewezen.

2.5. De Gemeente en [interveniënt] (subsidiair) hebben de vorderingen van [eisers] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal hun verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

In het incident:

3.1. Zoals hiervoor aangegeven heeft [interveniënt] primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair om zich te mogen voegen aan de zijde van de Gemeente. Ter zitting van 25 mei 2011 hebben [eisers] en de Gemeente verklaard geen bezwaar te hebben tegen de incidentele vordering. Dit laatste ontslaat de voorzieningenrechter niet van haar plicht om zelfstandig te beoordelen of het vereiste belang bij tussenkomst c.q. voeging aanwezig is.

3.2. Geconcludeerd moet worden dat [interveniënt] geen belang heeft bij tussenkomst in dit kort geding. Door middel daarvan beoogt hij te bewerkstelligen (i) dat de Gemeente uitvoering geeft aan datgene waartoe zij bij het vonnis van 2 februari 2011 is veroordeeld en (ii) dat de Gemeente hoe dan ook voorkomt dat gebruik wordt gemaakt van de achteruitgang in de tuinen van de bewoners aan de […laan-01], waaronder [eisers]. In beginsel beschikt [interveniënt] daartoe al over een titel, te weten het vonnis van 2 februari 2011. Bovendien is de vordering van [interveniënt] te onbepaald geformuleerd en voorziet het vonnis van 2 februari 2011 - anders dan de thans beoogde vordering van [interveniënt] - in de mogelijkheid dat de Gemeente het niet in haar macht heeft te bewerkstelligen dat de achteruitgangen niet meer kan worden gebruikt. In die zin strekt de vordering van [interveniënt] als tussenkomende partij in kort geding verder dan het vonnis in de bodemzaak. Daarvoor leent een kort gedingprocedure zich - in beginsel - niet. Overigens heeft [interveniënt] onvoldoende onderbouwd dat de Gemeente weigert uitvoering te geven aan het vonnis. Op grond van de stukken moet voorshands worden geconcludeerd dat de Gemeente het vonnis - ondanks dat zij daartegen heeft geappelleerd - serieus neemt, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op haar voornemen om het hek te plaatsen. Daar komt bij dat de bodemrechter de door [interveniënt] gevorderde dwangsom heeft afgewezen. Door als tussenkomende partij andermaal een dwangsom te vordere, gebruikt [interveniënt] de onderhavige procedure dus als een "verkapt (incidenteel) appel" tegen het vonnis van 2 februari 2011; daarmee zou [interveniënt] misbruik van procesrecht maken.

3.3. Het belang bij voeging heeft [interveniënt] wel aannemelijk gemaakt. Gelet hierop en nu niet gebleken is dat de voeging aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen in de weg staat, zal [interveniënt] worden toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de Gemeente.

In de hoofdzaak

3.4. [interveniënt] heeft gesteld dat [eisers] geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering. De voorzieningenrechter kan hen daarin niet volgen. Reeds uit de stellingen van [eisers] volgt dat het vereiste spoedeisende belang aanwezig is, in het bijzonder waar zij stellen - en overigens ook, als onbetwist, vastsstaat - dat de Gemeente voornemens is (zeer) binnenkort een hek te plaatsen pal tegen hun schutting(deur), waardoor zij hun perceel niet meer via de achterkant kunnen verlaten, hetgeen zij door middel van hun vordering beogen te voorkomen.

3.5. [interveniënt] heeft verder aangevoerd dat [eisers] - indien zij zich niet kunnen verenigen met het vonnis van 2 februari 2011 - verzet hadden moeten instellen tegen dat vonnis en dat zij dat vonnis niet kunnen bestrijden door middel van het onderhavige kort geding. Op de zitting heeft [interveniënt] - na verweer van [eisers] - aangegeven dat hij daarbij het oog heeft op derdenverzet (ex artikel 376 Rv en volgende). Ook dat verweer faalt. De eventuele mogelijkheid om gebruik te maken van het bijzondere rechtsmiddel derdenverzet, laat namelijk onverlet de bevoegdheid van [eisers] om in kort geding de onderhavige vorderingen in te stellen tegen de Gemeente. Te minder nu derdenverzet de executie van de bestreden uitspraak niet schorst en [eisers] - zoals hiervoor overwogen - een spoedeisend belang hebben bij de door hen gewenste voorzieningen.

3.6. Vervolgens kan worden overgegaan tot de beoordeling van de kernvraag of [eisers] de overeenkomst tussen [interveniënt] en de Gemeente uit 1962 - en daarmee ook het vonnis van 2 februari 2011, voor zover de Gemeente daarbij is veroordeeld om ervoor zorg te dragen dat [eisers] hun achteruitgang niet meer kunnen gebruiken - tegen zich moeten laten gelden.

3.7. Vooropgesteld wordt dat de Gemeente ter zake van alle hier aan de orde zijnde acties - zoals (i) de overeenkomst met [interveniënt] uit 1962, (ii) de mailwisseling en de grondtransactie met [verkoper aan eisers] in 2007 en (iii) de plaatsing van het hek tegen de schutting van [eisers] - gebruik heeft gemaakt/maakt/zal maken van haar privaatrechtelijke bevoegdheden c.q. taken als (toekomstig) eigenaar van de litigieuze grond. Dit staat ook niet ter discussie tussen partijen. Het voorgaande brengt mee dat alle (mogelijke) publiekrechtelijke aspecten - zoals de aan de orde gestelde vergunningsplicht - buiten beschouwing kunnen blijven.

3.8. [eisers] hebben zich voor wat betreft de grondslag van hun vorderingen grotendeels beroepen op artikel 14 van de Wegenwet en (in het verlengde daarvan) de Algemene Plaatselijke Verordening, een en ander tegen de achtergrond van de - zich in hun visie voordoende - omstandigheid dat de groenstrook tussen hun achtertuin en de verharding van de […laan-02] moet worden aangemerkt als een berm. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het antwoord op de daarmee opgeworpen vra(a)g(en) in het midden blijven op grond van het navolgende.

3.9. De voorzieningenrechter begrijpt dat [eisers] zich, naast de onder 3.8 weergegeven stelling, op het standpunt stellen dat de Gemeente gehouden is om zich (ook) ten opzichte van hen te houden aan de met [verkoper aan eisers] gemaakt afspraak betreffende de achteruitgang, zoals vastgelegd in het e-mailbericht van 13 maart 2007 (zie o.a. hun pleitnotities onder 3.1). De Gemeente en [interveniënt] hebben dat ook begrepen, althans moeten kunnen begrijpen (zie productie 9 van [eisers] en de pleitnotities van [interveniënt] onder 17 en 18). Het e-mailbericht is bovendien uitdrukkelijk onderwerp van debat geweest tijdens de mondelinge behandeling.

3.10. Voorshands moet op grond van de inhoud van het e-mailbericht worden geoordeeld dat op 13 maart 2007 een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [verkoper aan eisers] en de Gemeente in die zin dat de Gemeente - als eigenaar van de groenstrook en naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van [verkoper aan eisers] - toestemming heeft gegeven aan [verkoper aan eisers] om over die strook een tegelpad aan te leggen, zodat hij vanuit zijn achtertuin de (verharding van de) […laan-02] kan bereiken. De Gemeente heeft daarbij zelfs aangeboden - op haar kosten - het tegelpad te realiseren. Weliswaar spreekt de Gemeente in het bericht over een gedoogsituatie en geeft zij aan dat aan de toestemming geen rechten kunnen worden ontleend, maar het enige voorbehoud dat wordt gemaakt heeft betrekking op de uitoefening door de Gemeente van haar publiekrechtelijke bevoegdheden/taken (de aanleg van parkeerplaatsen), die hier niet aan de orde zijn. In andere situaties kon - zo moet voorlopig worden geoordeeld - [verkoper aan eisers] de Gemeente houden aan de in het e-mailbericht verwoorde toezegging. Dat het bericht niet afkomstig is van een "orgaan" van de Gemeente, maar van een bij haar in dienst zijnde medewerkster doet daaraan niet af.

3.11. Aangenomen moet worden dat het uit voormelde overeenkomst voortvloeiende recht van [verkoper aan eisers] betreffende de achteruitgang vatbaar is voor overgang. Feiten en/of omstandigheden die op het tegendeel zouden kunnen wijzen, zijn in ieder geval gesteld noch gebleken. Voorts is van belang dat bedoeld recht in een zodanig verband staat met de woning aan de […laan-01] 35, dat [verkoper aan eisers] bij dat recht slechts belang had zolang hij eigenaar/bewoner was van die woning. Op grond van het bepaalde in artikel 6:251 lid 1 BW brengt het voorgaande mee dat voormeld recht van rechtswege is overgegaan op [eisers] bij de verkoop en levering van de woning door [verkoper aan eisers] aan hen. Een en ander betekent dat [eisers] zich jegens de Gemeente kunnen beroepen op de destijds met [verkoper aan eisers] gemaakte afspraken over de vrije doorgang van hun achtertuin naar de […laan-02].

3.12. Het komt er dus op neer dat de Gemeente aan de ene kant jegens [interveniënt] is gehouden om datgene te doen dat in haar macht ligt om die vrije doorgang te belemmeren, maar aan de andere kant ten opzichte van [eisers] verplicht is die doorgang open te houden. Dat betekent - mede waar het hier (in beginsel) slechts gaat om een ordemaatregel - dat in het bestek van dit kort geding de belangen van [interveniënt] (bij afsluiting) en [eisers] (bij vrije doorgang) tegen elkaar moeten worden afgewogen. In dat verband is het volgende van belang.

3.13. Van de zijde van [interveniënt] is - daarnaar gevraagd - op de zitting aangegeven dat zijn belang bij afsluiting van de achteruitgang(en) is gelegen in de "rust" waarvan hij wil genieten. Het belang van [eisers] bestaat er - naar zij stellen - uit dat de achteruitgang wordt gebruikt (i) voor de aanvoer van tuinbenodigdheden, (ii) voor de afvoer van tuinafval, (iii) als in- en uitgang bij fietsgebruik of wanneer hun auto is geparkeerd in de […laan-02] en (iv) bij het wegzetten en ophalen van "kliko's".

3.14. Alles afwegende is de voorzieningenrechter (voorshands) van oordeel dat het belang van [eisers] zwaarder moet wegen dan dat van [interveniënt]. Dat klemt temeer nu de achteruitgang klaarblijkelijk al enige jaren is gedoogd door [interveniënt] en hij er in het verleden (uitdrukkelijk) mee heeft ingestemd dat de buren van [eisers] (woonachtig aan de […laan-01] 33) wel gebruik maken van een achteruitgang. Kennelijk is [interveniënt] totdat hij de bodemprocedure aanhangig maakte niet ernstig gestoord in zijn rust als gevolg van de achteruitgangen. Daar komt bij dat reële overlast door het gebruik door [eisers] van hun achteruitgang is gesteld noch gebleken. Die overlast is te minder aannemelijk nu [eisers] - onweersproken - hebben verklaard het pad niet te gebruiken voor gemotoriseerd verkeer. Tot slot is van belang dat de bodemrechter kennelijk heeft voorzien dat tenuitvoerlegging van het vonnis van 2 februari 2011 mogelijkerwijs zou kunnen stuiten op problemen omdat het de Gemeente niet vrijstaat het gebruik van de achteruitgangen te belemmeren, in welk geval het geschil tussen [interveniënt] en de Gemeente - volgens hem - zal moeten worden afgewikkeld langs de weg van een schadevergoeding. Naar voorlopig oordeel laat het zich aanzien dat die route - in ieder geval wat betreft de achteruitgang van [eisers] - moet worden gevolgd.

3.15. De slotsom is dat de primaire vordering van [eisers] zal worden toegewezen op de hieronder in het dictum vermelde wijze.

3.16. De gemeente en [interveniënt] zullen - als de in het ongelijk gestelde partij - worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van het incident.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verbiedt de Gemeente enig(e) hek, afscheiding, beplanting of ander fysiek obstakel op te richten of te handhaven dat/die [eisers] het gebruik van het uit- en toegangspad van en naar het hen in eigendom toebehorende perceel […laan-01] 35 te [...] en van en naar de […laan-02] te [...] verhindert dan wel in het gebruik ervan belemmert;

- veroordeelt de Gemeente en [interveniënt] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van [eisers] begroot op € 1.164,81, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 258,-- aan griffierecht en € 90,81 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2011.

jvl