Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8292

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
Awb 11/17971
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring. Eiser is in strijd met artikel 50, tweede lid, Vw 2000 langer dan zes uur voor verhoor opgehouden. In het onderhavige geval maakt de onrechtmatigheid van de ophouding evenwel niet dat de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig is, nu naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden gezegd dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Aan de omstandigheid dat eisers echtgenote en kinderen hier te lande woonachtig zijn, komt in dit verband geen overwegende betekenis toe. De grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, kan de maatregel reeds dragen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 11/17971

Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

[de man]

geboren te Bagdad (Irak), van Iraakse nationaliteit,

alias

[de man]

geboren te Amman (Jordanië), van Jordaanse nationaliteit,

onder beide namen: geboren op [geboortedatum],

V-nummer: 200.745.8152,

eiser,

gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua, advocaat te Arnhem.

Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn juiste persoonsgegevens zijn: [de man], geboren op [geboortedatum] te Amman, van Jordaanse nationaliteit.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. De Minister voor Immigratie en Asiel, hierna verweerder, heeft op 25 mei 2011 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Eiser heeft hiertegen op 26 mei 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw 2000 strekt het beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.2. Verweerder heeft, bij faxbericht van 31 mei 2011, de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en aan de gemachtigde van eiser toegezonden. Bij faxbericht van 6 juni 2011 heeft verweerder aan de rechtbank nadere informatie verstrekt en voorts nadere stukken ingezonden. Op pagina 1 van laatstgenoemd faxbericht is vermeld dat verweerder die informatie en nadere stukken c.c. heeft verzonden aan mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen. Gebleken is evenwel dat, op dat moment, mr. Flantua de zaak reeds had overgenomen van mr. Hansma. Ter zitting van 7 juni 2011 heeft mr. Flantua desgevraagd verklaard dat hij bedoelde informatie en nadere stukken van verweerder bijtijds heeft ontvangen van mr. Hansma.

1.3. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 7 juni 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Bij de aanvang van de behandeling van het beroep ter zitting heeft de gerechtsbode aan de rechtbank meegedeeld dat de door de rechtbank opgeroepen tolk tijdig op de rechtbank is verschenen, maar onverrichter zake weer is vertrokken omdat hij weigerde om, alvorens de publieke ruimte van de rechtbank te betreden, een veiligheidsfouillering te ondergaan. De parketpolitie had besloten daartoe over te gaan nadat het beveiligingspoortje dat leidt naar de publieke ruimte, was gaan piepen bij doorkomst van de tolk, aldus de mededeling van de gerechtsbode.

Vervolgens heeft de rechtbank, na een aanvang met het horen van eiser te hebben gemaakt waarbij de rechtbank heeft vastgesteld dat eiser de Nederlandse taal enigszins machtig is, aan eiser meegedeeld dat zij, indien eiser dat wenst, het onderzoek ter zitting zal schorsen om het op een later tijdstip voort te zetten, opdat eiser in zijn eigen taal (Arabisch) kan worden gehoord. Eiser heeft daarop, na overleg met zijn gemachtigde, aangegeven dat hij ervoor kiest om heden ter zitting te worden gehoord.

Voor verweerder is als gemachtigde verschenen mr. R.R. de Groot. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. In deze procedure dient op grond van de beroepsgronden te worden beoordeeld of de maatregel van bewaring niet in strijd is met de wet en of de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.2. In de maatregel heeft verweerder het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting gebaseerd op de omstandigheden dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), zich niet gehouden heeft aan zijn vertrektermijn, veroordeeld is voor het plegen van een misdrijf en verdacht wordt van het plegen van een misdrijf.

2.3. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting allereerst meegedeeld dat eiser gisteren, maandagmiddag 6 juni 2011 om 16:30 uur, zou worden uitgezet naar Amman in Jordanië. Op het laatste nippertje heeft hij (gemachtigde) de uitzetting weten te voorkomen. Hij (gemachtigde) is verweerder er erkentelijk voor dat verweerder bereid is geweest en zich ervoor heeft ingespannen om de uitzetting op tijd geannuleerd te krijgen. Eiser heeft gisteren een herhaalde aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM ingediend, in verband met het feit dat de echtgenote en vier kinderen van eiser legaal hier te lande verblijven, aldus de gemachtigde van eiser ter zitting.

2.4. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser de gronden van het beroep aangevoerd. Deze zijn – samengevat weergegeven – de volgende:

Eisers primaire standpunt luidt als volgt. Uit de stukken blijkt niet eenduidig op grond waarvan eiser, op woensdag 25 mei 2011 omstreeks 00:15/00:30 uur, is staandegehouden of aangehouden. Volgens het gestelde [onder 2a] in het Model M111-A “Proces-verbaal van overbrenging en ophouding (art. 50 tweede of derde lid van de Vreemdelingenwet 2000)” van 25 mei 2011 is eiser aangehouden ter zake van een strafbaar feit. Daarbij is in dat proces-verbaal [eveneens onder 2a] verwezen naar een bijgevoegd proces-verbaal van aanhouding, maar dat proces-verbaal van aanhouding bevindt zich niet bij de stukken. In een stuk met opschrift “Aanmelding vreemdeling voor voortzetting ibs in een justitiële inrichting” is vermeld dat de reden van aanhouding/staandehouding zou zijn: “artikel 420 Strafrecht”, maar waar dat gegeven vandaan komt, is een raadsel. Verder bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2011, model HV11, waarin de verbalisanten beginnen met te verklaren: “Abusievelijk is door de verbalisanten die de staandehouding verricht hebben verzuimd de toedracht tot de staandehouding te vermelden.” In dat proces-verbaal verklaren die verbalisanten dat zij de bestuurder van het voertuig (eiser) op woensdag 25 mei 2011, omstreeks 00:20 uur, een stopteken hebben gegeven “ter controle van de regels gesteld in de Wegenverkeerswet 1994”. Volstrekt onduidelijk is wat voor soort controle dit was, en wat de aanleiding tot de controle was. Al met al kan op grond van de zich in het dossier bevindende gegevens niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van een strafrechtelijke aanhouding. Hieruit volgt, aldus eiser, dat de termijn van de ophouding ingevolge artikel 50, tweede lid, Vw 2000 is begonnen te lopen op 25 mei 2011 om 09:00 uur. Die termijn bedraagt ten hoogste zes uur. Niet is gebleken dat die termijn ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel is verlengd. Eiser is die dag om 16:20 uur in bewaring gesteld. Dit is dus te laat, omdat de termijn van de ophouding afliep om 15:00 uur. Vanwege deze onrechtmatige ophouding is de daaropvolgende bewaring eveneens onrechtmatig, aldus eiser.

Subsidiair stelt eiser zich op het volgende standpunt. Ingevolge de uitspraak van 21 maart 2011 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) met kenmerk 201100555/1/V3 volgt uit het Kadzoev-arrest dat de omstandigheden dat eiser is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf en wordt verdacht van het plegen van een misdrijf, niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Ten aanzien van de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, te weten dat door eiser niet wordt beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 Vb 2000 en dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, geldt dat verweerder niet concreet heeft gemotiveerd waarom die gronden zouden meebrengen dat eiser de terugkeer of verwijdering ontwijkt of belemmert.

Meer subsidiair is eiser van mening dat een lichter middel dan bewaring kan worden toegepast. In dit verband heeft eiser erop gewezen dat hij in [woonplaats] woont, bij zijn echtgenote en kinderen, en dat hij zich ook vóór zijn inbewaringstelling niet aan toezicht heeft onttrokken. Eiser heeft er bovendien geen enkel belang bij, zich aan toezicht te onttrekken: immers, hij wil bij zijn hier te lande woonachtige gezin verblijven. De herhaalde aanvraag om een verblijfsvergunning die eiser heeft ingediend, ziet ook op toelating voor verblijf op grond van artikel 8 EVRM, aldus eiser.

2.5. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting – samengevat weergegeven – als volgt gereageerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen twijfel mogelijk is dat sprake is van een strafrechtelijk voortraject. Uit de stukken blijkt dat eiser strafrechtelijk is aangehouden voor overtreding van artikel 420 van het Wetboek van Strafrecht, nadat de auto waarin eiser als bestuurder reed, bij een verkeerscontrole in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 was gecontroleerd. Eiser is na aanhouding en onderzoek ter zake van het strafbare feit heengezonden en direct daarna op grond van artikel 50, tweede lid, Vw 2000 overgebracht naar een plaats van verhoor. Volgens verweerder is er geen sprake van overschrijding van enige termijn.

Ten aanzien van hetgeen eiser subsidiair naar voren heeft gebracht, heeft de gemachtigde van verweerder allereerst aangegeven dat verweerder zich refereert aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de vraag of de gronden ‘het gepleegd hebben van een misdrijf’ en ‘het verdacht worden van het plegen van een misdrijf’ aan de maatregel ten grondslag mochten worden gelegd. In de visie van verweerder kan de grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, de maatregel reeds dragen.

Ten aanzien van hetgeen eiser meer subsidiair naar voren heeft gebracht, heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat verweerder zich op het standpunt stelt dat voor een lichter middel geen plaats is, reeds gelet op de omstandigheid dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn. Daarbij komt dat evident is dat eiser niet naar Jordanië wil terugkeren, maar in Nederland wil blijven omdat zijn echtgenote en kinderen hier wonen. Om die reden heeft eiser immers ook een herhaalde aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning in het kader van artikel 8 EVRM ingediend. In dit verband heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting nog verwezen naar het, bij faxbericht van 6 juni 2011 door verweerder ingezonden, besluit van 3 februari 2010 waarbij een eerder door eiser ingediende aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning voor dat doel is afgewezen, en voorts naar de uitspraak van 10 augustus 2010 (Awb 10/4575) van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, waarbij een door eiser aanhangig gemaakt verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen en het tegen het besluit van 3 februari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard.

2.6. Eiser heeft ter zitting, in zijn laatste woord, benadrukt dat hij bij zijn in Nederland woonachtige echtgenote en kinderen wil blijven. Het gaat goed op school. Eiser begrijpt niet waarom hij, als enige van het gezin, niet in Nederland mag blijven.

2.7. De rechtbank overweegt als volgt.

In het bij faxbericht van 31 mei 2011 toegezonden dossier ten name van eiser (zie het vermelde in 1.2.) bevindt zich (als pagina’s 33/34 en 34/34 van dat faxbericht) een proces-verbaal van 25 mei 2011 (nummer PLO1PF 2011051538-2), met opschrift “Proces-verbaal staandehouding, overbrenging en ophouding (artikel 50, eerste, tweede of derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000)”, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door de hoofdagenten [de man] Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“Op woensdag 25 mei 2011 te 00:30 uur, hebben wij, verbalisanten, op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie staande gehouden een persoon, die opgaf te zijn:

Achternaam: [de man]

Voornamen: [de man]

Geboren: [geboortedatum]

Geboorteplaats/land: Amman in Jordanië

Geslacht: man

Nationaliteit: Jordaanse

Adres: [adres]

Postcode plaats: [woonplaats] [woonplaats]

Het hiervoor genoemde redelijke vermoeden van illegaal verblijf (..) was (naar objectieve maatstaven gemeten) gebaseerd op het feit dat de vreemdeling geen identiteitsdocument kon overleggen. Vreemdeling gaf aan al enkele jaren in Nederland te wonen maar te beschikken over een Jordaans paspoort zonder een geldig visum. Vreemdeling gaf aan zich nooit bij de Nederlandse instanties gemeld te hebben. In het Vreemdelingen Basis Systeem en de Gemeentelijke Basis Administratie kwam de vreemdeling niet voor.

Omdat van de staande gehouden persoon de identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld, hebben wij de vreemdeling op grond van artikel 50, tweede of derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor, (..), alwaar wij op woensdag 25 mei 2011 te 01:10 uur met hem aankwamen en waar deze persoon vervolgens op grond van artikel 50, tweede of derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 werd opgehouden.”

2.8. In een [pagina’s 30/34, 31/34 en 32/34 van het in 1.2. vermelde faxbericht van

31 mei 2011] proces-verbaal van 25 mei 2011 (model M111-A), met opschrift “Proces-verbaal van overbrenging en ophouding (art. 50 tweede of derde lid van de Vreemdelingenwet 2000)”, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt en ondertekend door de brigadiers [de man], is onder meer het volgende vermeld:

“Wij, ondergetekenden,

(..) [namen van de beide brigadiers],

belast met het toezicht op vreemdelingen,

verklaren het volgende:

Op woensdag 25/05/2011 te 15:00 uur werd de vreemdeling:

Achternaam: [de man]

Voorna(a)m(en): [de man]

Geboortedatum: 05/02/1968

Geboorteplaats: Bagdad

Geboorteland: Irak

Nationaliteit(en): Iraakse, Onbekend

Geslacht: mannelijk

na aanhouding en onderzoek ter zake overtreding van een strafbaar feit door een (hulp)officier van Justitie heengezonden (zie bijgevoegd proces-verbaal van aanhouding) en direct aansluitend, op grond van artikel 50, tweede of derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, overgebracht naar een plaats van verhoor (..).

De vreemdeling was daar op 25/05/2011 om 15:00 uur en werd daar opgehouden.”

De rechtbank merkt ten aanzien van deze laatste zin nog op dat in het voorgedrukte (standaard) proces-verbaal de volgende zin is opgenomen: “De vreemdeling kwam daar op [..] aan en werd daar opgehouden.” In het proces-verbaal van 25 mei 2011 van verbalisanten Heikes en Dijkstra zijn de woorden ‘kwam’ en ‘aan’ doorgehaald (overigens zonder deze doorhaling te voorzien van een paraaf), en vervangen door ‘was’.

2.9. In een [pagina’s 22/34 en 23/34 van het in 1.2. vermelde faxbericht van 31 mei 2011] proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2011, op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door de brigadiers [de man]

is onder meer het volgende vermeld:

“Wij, ondergetekenden,

(..) [namen van de beide brigadiers],

belast met het toezicht op vreemdelingen,

verklaren het volgende:

Abusievelijk is door de verbalisanten die de staandehouding verricht hebben verzuimd de toedracht tot de staandehouding te vermelden.

De aanleiding is door ons hieronder vermeld.

Wij, verbalisanten, [de hoofdagenten [de man]] verklaren het volgende:

Op woensdag 25 mei 2011, omstreeks 00:15 uur, reden wij, verbalisanten [de man] in een opvallend dienstvoertuig van de Regio politie Groningen. (..) Ter hoogte van Stadskanaal (..) zagen wij een personenauto (..). Ter controle op de naleving van de regels gesteld in de Wegenverkeerswet 1994 hebben wij de bestuurder van voornoemd voertuig, op woensdag 25 mei 2011, omstreeks 00:20 uur, een stopteken gegeven (..). Wij zagen dat de bestuurder van voornoemd voertuig hieraan voldeed (..).

Wij zagen dat er een persoon in het voornoemde voertuig zat. Ik, verbalisant [de man] sprak de bestuurder aan en vertelde hem dat wij een verkeerscontrole hielden. Hierbij vroeg ik de bestuurder, in de Nederlandse taal, om zijn rijbewijs en de kentekenpapieren behorende bij de personenauto. Ik, verbalisant [de man] zag dat de bestuurder mij een internationaal rijbewijs overhandigde. Ik, verbalisant [de man] vroeg aan de bestuurder of hij ook in het bezit was van een ander rijbewijs. Ik, verbalisant [de man] zag dat de bestuurder mij vervolgens een verlopen Jordaans rijbewijs overhandigde. Ik, verbalisant [de man] vroeg aan de bestuurder of hij mij een ander geldig identiteitsdocument kon overhandigen. Wij, verbalisanten, hoorden de bestuurder, in de Nederlandse taal, zeggen dat hij verder geen documenten bij zich had.”

2.10. Voorts heeft verweerder bij faxbericht van 6 juni 2011 een proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2011, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door brigadier

[de man], ingezonden. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“Na staandehouding van betrokkene [uit de context leidt de rechtbank af dat met ‘betrokkene’ eiser is bedoeld] is de auto waarin hij zich verplaatste (..) onderzocht (..). Hierbij werd aangetroffen:

In de kofferbak: 690 pakjes sigaretten zonder banderol;

In de zekeringkast van de auto in totaal € 10785,-;

In de asbak een ID-kaart van Litouwen op naam van betrokkene [de man].

Deze goederen zijn inbeslaggenomen.

Tevens zijn een auto, merk (..), kenteken (..), rijbewijs uit Litouwen, een rijbewijs uit Jordanië en een internationaal rijbewijs op naam van betrokkene [de man], in beslag genomen.

(..)

Naar de herkomst van alle inbeslaggenomen goederen is een onderzoek gaande.

2.11. Voorts heeft verweerder bij faxbericht van 6 juni 2011 een uittreksel Justitiële Documentatie (JD), gedateerd 1 juni 2011 ingezonden. Dit uittreksel staat op naam van [de man] Al Obidy, [adres], [woonplaats] [woonplaats], geboren op

[geboortedatum] te Bagdad, Irak. Dit is – uitgaande van de gegevens in het aan de rechtbank ter beschikking gestelde dossier – het door eiser hier te lande gebruikte alias. Blijkens dit uittreksel JD is eiser hier te lande veroordeeld ter zake van misdrijf.

2.12. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de processen-verbaal, als hiervoor weergeven, bezien in onderlinge samenhang, dat de vreemdeling op woensdag 25 mei 2011 te 00:30 uur vreemdelingrechtelijk is staandegehouden. Voor het oordeel dat na de staandehouding van eiser op enig moment de aanwending van niet bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden is gevolgd – waardoor sprake zou zijn van een feitelijke onderbreking tussen de aanwending van de vreemdelingrechtelijke bevoegdheden tot staandehouding en inbewaringstelling –, bestaat onvoldoende aanleiding. Uit het aan de rechtbank ter beschikking gestelde dossier blijkt niet waar de vermelding op is gebaseerd, in het hiervoor in 2.8. vermelde “Proces-verbaal van overbrenging en ophouding (art. 50 tweede of derde lid van de Vreemdelingenwet 2000” van 25 mei 2011, dat eiser – onder zijn alias – ‘na aanhouding en onderzoek ter zake overtreding van een strafbaar door een (hulp)officier van Justitie is heengezonden (..)’. In dat proces-verbaal van 25 mei 2011 is achter de aangehaalde zinsnede weliswaar vermeld: ‘(zie bijgevoegd proces-verbaal van aanhouding)’, maar een dergelijk proces-verbaal van aanhouding bevindt zich in elk geval niet in het aan de rechtbank ter beschikking gestelde dossier.

Uit het voorgaande volgt dat moet worden geoordeeld dat eiser in strijd met artikel 50, tweede lid, Vw 2000 langer dan zes uur voor verhoor is opgehouden, nu de termijn van zes uur is gaan lopen op woensdag 25 mei 2011 te 09:00 uur en derhalve eindigde op woensdag 25 mei 2011 om 15:00 uur, terwijl eiser die dag eerst om 16:20 uur in bewaring is gesteld. Hieruit volgt evenwel niet zonder meer dat de bewaring onrechtmatig is. Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS (onder meer haar uitspraak van 28 december 2005, JV 2006/62) maakt de onrechtmatigheid van de ophouding de daaropvolgende inbewaringstelling slechts onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Aan de inbewaringstelling is onder meer ten grondslag gelegd dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn. Eiser heeft niet bestreden dat hij zich niet aan zijn vertrektermijn heeft gehouden. Dat eisers echtgenote en kinderen hier te lande woonachtig zijn, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een omstandigheid op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het hiervoor vermelde gebrek en de daardoor geschonden belangen.

2.13. De door eiser niet betwiste omstandigheid dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, geeft in beginsel grond om aan te nemen dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Dat de echtgenote en kinderen van eiser hier te lande woonachtig te zijn, is niet aan te merken als een omstandigheid die aanleiding geeft van het tegendeel uit te gaan, reeds omdat hij heeft verklaard dat hij niet naar Jordanië wil terugkeren omdat hij bij zijn hier te lande woonachtige echtgenote en kinderen wil verblijven. Overigens heeft eiser kennelijk – gelet op hetgeen dienaangaande ter zitting door partijen naar voren is gebracht – op 6 juni 2011 opnieuw een daartoe strekkende aanvraag om verlening van een reguliere verblijfsvergunning ingediend (stukken met betrekking tot deze aanvraag zijn niet aan de rechtbank overgelegd).

Nu de grond dat eiser zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn, de maatregel reeds kan dragen, kan hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd omtrent de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, hier verder buiten bespreking blijven.

Nu eiser ook overigens geen bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die de maatregel onevenredig maken, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser geen andere afdoende maar mindere dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Derhalve faalt het beroep van eiser op de toepassing van een lichter middel.

2.14. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond en bestaat geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Depping, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2011.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 Vw 2000.

Afschrift verzonden: