Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8273

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
AWB 10/4946 KINDER
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU7022, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doorhalen registratie gastouderbureau bij gemeente en verhuizing gastouderbureau naar andere gemeente betekent niet dat nieuw contract overgelegd moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-1470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 10/4946 KINDER

Uitspraakdatum: 20 april 2011

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

Belastingdienst/Toeslagen, [te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1. Verweerder heeft bij beschikking van 20 juni 2009 (beschikkingsnummer [nummer]) het voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2008 (hierna: kinderopvangtoeslag 2008) herzien tot een bedrag van nihil.

1.2. Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2010 gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van eiser en heeft bij beschikking van 30 juni 2010 (beschikkingsnummer [nummer]) het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 herzien tot een bedrag van € 37.233.

1.3. Eiser heeft daartegen bij fax van 13 juli 2010, ontvangen bij de rechtbank op 15 juli 2010, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Eiser is daar in persoon verschenen samen met zijn gemachtigde [A]. Namens verweerder is verschenen mr. [B].

1.7. Op de zitting van 8 maart 2011 zijn ook de zaken met procedurenummers 10/7070, 10/7071, 10/6181, 10/4951, 10/6881, 10/6877, 10/7368 en 10/7370 behandeld waarbij dezelfde problematiek speelt als in onderhavige zaak. Hierbij zijn als procespartijen telkens dezelfde gemachtigde en dezelfde verweerder opgetreden. Alle in die procedures door partijen ingenomen standpunten en overgelegde stukken ten aanzien van de registratie van de betrokken gastouderbureaus worden geacht ook te zijn ingenomen en ingebracht in onderhavige procedure

II OVERWEGINGEN

Feiten

2.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.2. Eiser heeft vijf kinderen en heeft de opvang voor zijn kinderen geregeld via gastouderopvang. Hierbij maakt eiser gebruik van de diensten van het gastouderbureau [C] (hierna het gastouderbureau).

2.3. Verweerder heeft aan eiser bij beschikking van 4 december 2007 een voorschot kinderopvangtoeslag 2008 toegekend van € 46.323,60. Zoals vermeld onder 1.1. heeft verweerder dit voorschot herzien tot een bedrag van nihil. De reden hiervoor is, blijkens de brief van verweerder van 12 juni 2009, dat uit de door eiser overgelegde gegevens niet blijkt dat eiser betalingen heeft gedaan aan de gastouder en dat de registratie van het gastouderbureau op 20 oktober 2008 is geëindigd. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de betalingsbewijzen van eiser alsnog akkoord bevonden en is aan eiser over de periode 1 januari 2008 tot 20 oktober 2008 een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend. Verweerder heeft hangende de beroepsprocedure een herziene uitspraak op bezwaar gedaan op 28 oktober 2010 waarbij het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 overeenkomstig de eerdere uitspraak op bezwaar is vastgesteld op € 37.233.

2.4. Eiser heeft een 'overeenkomst gastouderopvang' met het gastouderbureau overgelegd (hierna: het contract). Als adres van het gastouderbureau wordt daarin [adres] te Gorinchem vermeld en als vertegenwoordiger van het gastouderbureau [D] (hierna: [D]). Als ingangsdatum van het contract wordt 1 januari 2008 vermeld en als einddatum is 1 januari 2009 opgenomen.

2.5. Het gastouderbureau stond tot 20 oktober 2008 geregistreerd in het register gastouderbureaus van de gemeente Gorinchem. Op deze datum is de registratie van het gastouderbureau bij de gemeente Gorinchem doorgehaald op grond van artikel 9, tweede lid, van de Regeling kinderopvang. Met ingang van 1 augustus 2008 staat het gastouderbureau geregistreerd in het register gastouderbureaus van de gemeente Hoogeveen.

Blijkens een tot de gedingstukken behorend uittreksel van de Kamer van Koophandel is het gastouderbureau een besloten vennootschap waarvan de statutaire vestiging zich in Gorinchem bevindt en de onderneming is gevestigd te Hoogeveen.

2.6. Tot de stukken van het geding behoort een inspectierapport van de GGD Hoogeveen opgemaakt op 7 september 2009. Hierin is ondermeer het volgende vermeld:

"Overzicht bevindingen toezichthouder per inspectie-domein

(...)

Er zijn risico-inventarisaties aanwezig echter van een groot aantal gastouders ontbreekt deze ri. De betreffende dossiers liggen volgens de houder nog bij de Belastingdienst.

(...)

Gegevens mbt de huisbezoeken konden niet worden overlegd. Deels door het ontbreken van de dossiers, deels doordat dit nieuwe koppelingen zijn.

(...)

Beschouwing toezichthouder

Het gastouderbureau (...) is een landelijk werkend bureau met als houder [E](...). De hoofdvestiging zit in Hoogeveen.

(...)

Gob (...) is in augustus 2008 gestart met de activiteiten als gastouderbureau in Hoogeveen. Voorheen was dit gastouderbureau gevestigd in Gorinchem. Door problemen met de Belastingdienst is de administratie vorig jaar oktober (2008) voor onderzoek in beslag genomen door de Belastingdienst. Volgens de houder zijn de dossiers tot op heden nog niet terug ontvangen.

Dit heeft tot gevolg dat een groot aantal gegevens tijdens de GGD inspectie niet overlegd kon worden.

Een nieuw gastouderbureau (dat in dit geval (...) in Hoogeveen is) moet nieuwe contracten hebben met de daarbij behorende (nieuwe) bescheiden zoals VOG, Risico-inventarisaties etc. Deze bescheiden konden over het algemeen niet worden overlegd.

Van de nieuwe contracten (na november 2008) zijn de VOG, de risico-inventarisaties etc wel aanwezig.

Het betreft hier voor een groot deel overnames van cliënten van andere gastouderbureaus.

(...)"

2.7. Bij brief van 4 februari 2011 kondigt verweerder aan het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 te zullen herzien tot € 0 omdat eiser op die datum nog geen overeenkomst met betrekking tot het jaar 2008 heeft overgelegd. Deze nieuwe voorschotbeschikking is op 18 februari 2011 door verweerder afgegeven.

Geschil

2.8. In geschil is of verweerder aan eiser terecht over de periode 20 oktober 2008 tot en met 31 december 2008 geen voorschot kinderopvangtoeslag heeft toegekend.

2.9. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar van 11 juni 2010 en de herziene uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2010 en, naar de rechtbank begrijpt, toekenning van een voorschot kinderopvangtoeslag voor de periode 20 oktober 2008 tot en met 31 december 2008.

2.10. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

2.12. Op 28 oktober 2010 heeft verweerder onder toepassing van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb het besluit van 11 juni 2010 herzien. Aangezien het nieuwe besluit niet geheel tegemoet komt aan het bezwaar van eiser, wordt ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het beroep mede geacht te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 28 oktober 2010.

2.13. Artikel 5, eerste lid, van de Wet Kinderopvang (hierna: Wko) luidt: "Een ouder heeft aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau".

2.14. Nu eiser aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag ligt het op zijn weg aannemelijk te maken dat er sprake is kinderopvang die plaatsvindt door een geregistreerd gastouderbureau in de zin van artikel 5, eerste lid, Wko. Niet in geschil is dat het gastouderbureau tot 20 oktober 2008 geregistreerd stond in de gemeente Gorinchem en dat in ieder geval tot die datum sprake is van gastouderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau in de zin van artikel 5 van de Wko.

2.15. Eiser stelt zich op het standpunt dat het gastouderbureau te Hoogeveen de voortzetting is van het gastouderbureau in Gorinchem. Voorts wijs hij erop dat het gastouderbureau in Hoogeveen is geregistreerd met ingang van 1 augustus 2008. Volgens eiser is er daarom ook na 20 oktober 2008 nog steeds sprake van kinderopvang in de zin van artikel 5 van de Wko.

2.16. Verweerder beschouwt het gastouderbureau te Hoogeveen als een nieuw gastouderbureau en beroept zich daartoe op het rapport van de GGD te Hoogeveen. Van een voortzetting van de activiteiten van het gastouderbureau te Gorinchem door het gastouderbureau Hoogeveen kan volgens verweerder geen sprake zijn zolang er niet een nieuw contract is gesloten tussen eiser en het gastouderbureau te Hoogeveen. Met de doorhaling van de registratie van het gastouderbureau door de gemeente Gorinchem is volgens verweerder het contract met het gastouderbureau beëindigd. Nu eiser geen contract met het gastouderbureau in Hoogeveen heeft overgelegd is met ingang van 20 oktober 2008 geen sprake van gastouderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

2.17. Vaststaat dat de relatie tussen eiser en het gastouderbureau na 20 oktober 2008 niet is gewijzigd. Eiser bleef gebruik maken van de diensten van het gastouderbureau, de opvang van zijn kinderen bij de gastouder vond ongewijzigd en ononderbroken doorgang en ook in de betalingen deden zich geen veranderingen voor. Evenmin heeft naar het oordeel van de rechtbank een wijziging plaatsgevonden in de contractsluitende partij nu uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat sprake is van één en dezelfde rechtspersoon. Ook uit de rapportages van de GGD volgt dat de houder van de vestiging in Hoogeveen dezelfde is als de houder van de vestiging in Gorinchem, te weten de heer [D]. Van een beëindiging van de contractuele relatie tussen eiser en het gastouderbureau is dan ook niet gebleken. Nu het contract ook na de doorhaling van de registratie te Gorinchem is blijven bestaan, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding te eisen dat er een nieuw contract wordt afgesloten. De vraag of de vestiging te Hoogeveen moet worden beschouwd als een nieuwe vestiging dan wel als een verhuizing van het gastouderbureau behoeft in dit kader derhalve geen beantwoording. Nu het gastouderbureau in Hoogeveen sedert 1 augustus 2008 een geregistreerd bureau is, kan niet worden gesteld dat er op enig moment in de hier in geding zijnde periode sprake is van bemiddeling door een niet-geregistreerd bureau.

2.18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn beslissing om met ingang van 20 oktober 2008 het voorschot te herzien op onjuiste gronden heeft gebaseerd. Het beroep dient dan ook in zoverre gegrond te worden verklaard.

2.19. De vraag of sprake is van een verhuizing van het gastouderbureau of van een nieuwe vestiging waarmee een nieuw contract moet worden afgesloten, is nog wel van belang voor de vraag of eiser, indien sprake is van een nieuwe vestiging, kan worden tegengeworpen dat hij de wijziging van het gastouderbureau niet heeft gemeld aan verweerder. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Uitvoeringsregeling AWIR) moet een belanghebbende binnen vier weken mededeling doen van een wijziging van omstandigheden waarmee met het verlenen van het voorschot geen rekening is gehouden en die leidt tot beëindiging dan wel verlaging van de tegemoetkoming. Artikel 5, vijfde lid, letter c, van de Uitvoeringsregeling AWIR wijst een wijziging van het geregistreerde gastouderbureau als dergelijke te melden wijziging aan.

2.20. Voor eiser is er slechts sprake van een verhuizing van het bestaande gastouderbureau waarmee hij zijn contract heeft gesloten. Een verhuizing is, zoals ook verweerder ter zitting heeft verklaard, geen wijziging die leidt tot beëindiging dan wel verlaging van de tegemoetkoming welke binnen vier weken moet worden gemeld. Het enkele feit dat de vestiging in Hoogeveen zich ingevolge het bepaalde in artikel 45 van de Wko ter registratie dient aan te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet tegelijkertijd sprake kan zijn van de verhuizing van het gastouderbureau waarmee in een eerder stadium op een ander adres een contract is afgesloten. Om die reden rustte op eiser geen verplichting tot het melden van een wijziging als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, letter c, van de Uitvoeringsregeling AWIR. Overigens heeft eiser onweersproken gesteld dat hij die wijziging eerst in de loop van 2009 te weten is gekomen zodat het ook feitelijk onmogelijk was binnen vier weken na die wijziging hiervan mededeling te doen aan verweerder.

2.21. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het door eiser overgelegde contract niet per 20 oktober 2008 beëindigd is en dat eiser ook vanaf die datum tot en met 31 december 2008 aanspraak kan maken op een voorschot kinderopvangtoeslag. De overige beroepsgronden van eiser behoeven derhalve geen verdere behandeling meer.

2.22. Ten aanzien van de onder 2.7. vermelde nieuwe voorschotbeschikking, gedateerd 18 februari 2011, is de rechtbank van oordeel dat deze beschikking, in tegenstelling tot wat verweerder meent, geen onderdeel uitmaakt van deze procedure. De brief van verweerder van 4 februari 2011 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een herziene uitspraak op bezwaar. Nu evenmin is gebleken dat partijen de wens hebben hiertegen direct beroep in te stellen, dient bovengenoemde voorschotbeschikking te worden aangemerkt als een nieuw besluit.

2.23. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

2.24. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 11 juni 2010;

- vernietigt de herziene uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2010;

- vernietigt de beschikking met nummer [nummer];

- draagt verweerder op een nieuwe voorschotbeschikking kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2008 af te geven over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder de proceskosten tot een bedrag van € 874 aan eiser te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. Ebbeling, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. A.J.M. Arends in tegenwoordigheid van de griffier mr. B. van Eeuwijk.

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.