Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7749

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
Awb 11/16547
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit zowel het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 12 mei 2011 als het eveneens op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor van 12 mei 2011 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij behoefte had aan bijstand van zijn gemachtigde bij respectievelijk het gehoor tijdens de ophouding en het gehoor voor de inbewaringstelling. Voorts blijkt uit beide processen-verbaal dat eisers gemachtigde eerst telefonisch en vervolgens per fax is ingelicht. Beide gehoren hebben echter zonder aanwezigheid van eisers gemachtigde plaatsgevonden. Namens eiser is aangevoerd dat zijn recht op bijstand tijdens de gehoren is geschonden, nu verweerder heeft nagelaten op verzoek van zijn gemachtigde een piketadvocaat te bellen.

De rechtbank overweegt dat noch uit het Vb2000, noch uit het beleid volgt dat de politie gehouden was nadat de voorkeursadvocaat was gebeld en deze niet aanwezig kon zijn, de piketadvocaat te bellen en aldus rechtsbijstand voor eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de voorkeursadvocaat gelegen om, indien zij van mening was geweest dat het verhoor niet zonder rechtsbijstand had kunnen plaatsvinden, voor vervanging te zorgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 11 / 16547

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser], volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] en van [nationaliteit], verblijvende in het Uitzetcentrum [plaats],

hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. Y.E. Verkouter,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 12 mei 2011 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

1.2. Bij beroepschrift van 13 mei 2011 is namens eiser beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt dit beroep tevens een verzoek tot toekenning van schadevergoeding in.

1.3. Eiser heeft op 18 mei 2011 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, waarna hij op 19 mei 2011 in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

1.4. Bij faxbericht van 23 mei 2011 heeft verweerder nadere stukken ingezonden.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M. Verger als waarnemer van gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.F. Verhaegh.

Ter zitting is gebruik gemaakt van een telefonische tolk.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met deze wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2.2. Namens eiser is allereerst aangevoerd dat zijn recht op rechtsbijstand tijdens de gehoren is geschonden. Daartoe is gesteld dat toen de politie eisers voorkeursadvocaat belde met de mededeling dat eiser in bewaring zou worden gesteld en dat haar bijstand werd gevraagd, zij via haar secretaresse heeft laten weten dat zij niet aanwezig kon zijn bij het verhoor en dat zij de politie verzocht de piketadvocaat te bellen. Dit heeft de politie nagelaten en ten onrechte staat in het proces-verbaal van verhoor voorafgaande aan de inbewaringstelling alleen vermeld dat de voorkeursadvocaat verhinderd was en dat deze eiser op een later tijdstip zou bezoeken.

2.3. Uit zowel het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 12 mei 2011 als het eveneens op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor van 12 mei 2011 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij behoefte had aan de bijstand van zijn gemachtigde bij respectievelijk het gehoor tijdens de ophouding en het gehoor voor de inbewaringstelling. Voorts blijkt uit beide processen-verbaal dat eisers gemachtigde eerst telefonisch en vervolgens per fax is ingelicht. Beide gehoren hebben echter zonder aanwezigheid van eisers gemachtigde plaatsgevonden.

Namens eiser is aangevoerd dat zijn recht op bijstand tijdens de gehoren is geschonden,

nu verweerder heeft nagelaten op verzoek van zijn gemachtigde een piketadvocaat te bellen.

2.4. De rechtbank overweegt dat uit het hiervoor overwogene blijkt dat verweerder overeenkomstig artikel 5.2, vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb2000) en zijn beleid zoals neergelegd in paragraaf A6/5.3.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft gehandeld. In deze regelgeving dat als beleid de invulling vormt van artikel 5.2, vijfde lid van het Vb2000 is ten aanzien een situatie zoals van eiser het volgende geregeld:

(…)

- De vreemdeling wenst zijn (met naam genoemde) advocaat bij het gehoor. Zo spoedig als mogelijk dient deze advocaat (ook `s nachts) eerst telefonisch en vervolgens per fax ingelicht te worden. Indien deze advocaat niet bij het gehoor aanwezig wil zijn of niet binnen twee uur na het verzonden bericht aanwezig is, kan met het gehoor begonnen worden. (…).

Noch uit het Vb2000, noch uit het beleid volgt dat de politie gehouden was nadat de voorkeursadvocaat was gebeld en deze niet aanwezig kon zijn, de piketadvocaat te bellen en aldus rechtsbijstand voor eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de voorkeursadvocaat gelegen om, indien zij van mening was geweest dat het verhoor niet zonder rechtsbijstand had kunnen plaatsvinden, voor vervanging te zorgen.

2.5. De rechtbank overweegt voorts dat in het kader van artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn dient te worden bezien of er een risico op onderduiken van eiser bestaat of dat eiser de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingprocedure zal ontwijken of belemmeren. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden dat eiser niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000, zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn en niet heeft meegewerkt aan een zelfstandig vertrek en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan te scharen zijn onder voormeld criterium van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn. Deze gronden kunnen de maatregel ook dragen omdat daaruit reeds een vermoeden van het ontwijken van de uitzetting kan worden afgeleid. De rechtbank ziet, wat ook zij van de stelling van eisers gemachtigde dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden op alle asielzoekers van toepassing zijn, dan ook geen aanleiding te oordelen dat de toepassing van de maatregelen onrechtmatig is.

2.6. De rechtbank overweegt verder als volgt.

2.7. Uit de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting is gebleken dat er

reeds op 6 november 2009 een luchtvaartclaim voor eiser naar Hong Kong is gelegd.

Voorts hebben op 11 augustus 2011 en op 27 april 2011 vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Op 16 mei 2011 is aan de Koninklijke Marechausse verzocht om de luchtvaartclaim te effectueren. Eiser heeft echter diezelfde dag kenbaar gemaakt asiel te willen aanvragen en is daartoe op 18 mei 2011 in de gelegenheid gesteld. Vervolgens is

de voor eiser geplande vlucht op 20 mei 2011 geannuleerd.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet gezegd kan worden dat een reëel vooruitzicht op verwijdering ontbreekt. De omstandigheid dat eiser thans vanwege de lopende asielprocedure niet kan worden uitgezet, maakt het voorgaande niet anders,

nu dit mogelijk slechts een tijdelijke belemmering behelst.

2.9. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 april 2011 (zaaknummer: 201100194/1/V3) is de rechtbank voorts van oordeel dat ook na het verstrijken van de implementatietermijn van de

Terugkeerrichtlijn bij een beroep op het toepassen van een lichter middel door de rechtbank een terughoudende toetsing dient plaats te vinden. De rechtbank beoordeelt de door eiser opgeworpen vraag of verweerder had dienen te volstaan met de oplegging van een lichter middel dan ook terughoudend.

2.10. Gezien het onder 2.4 overwogene en gezien de omstandigheid dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, heeft verweerder in beginsel het risico niet hoeven aanvaarden dat eiser zich op het moment dat zijn verwijdering aanstaande is aan die verwijdering zal onttrekken. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het vorenstaande, een lichter middel dan bewaring derhalve niet is aangewezen nu eiser zijn verwijdering ontwijkt of belemmert.

2.11. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

2.12. Het vorenstaande maakt dat de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 in rechte stand kan houden en het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.13. Vorenstaand oordeel brengt met zich dat een grondslag voor toekenning van schadevergoeding ontbreekt.

2.14. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

2.15. Mitsdien wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf in tegenwoordigheid van

mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2011.

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier w.g. mr. E.H.M. Druijf,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden: 31 mei 2011.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.