Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7573

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
09/607976-10 en 09/647795-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met zijn scooter in een 30 km/u zone, tussen de 50 km/u en 60 km/u gereden. Hierdoor is hij niet in staat geweest zijn scooter tijdig tot stilstand te brengen op het moment dat hij een motoragent op de weg zag staan en is hij tegen hem aangereden. Hierdoor heeft het slachtoffer een gekneusde hand opgelopen. Verdachte heeft voorts een fiets in bezit gehad waarvan hij wist dat het een gestolen fiets betrof. Hiernaast heeft verdachte een proefrit op een scooter gemaakt en heeft hij die scooter niet meer teruggebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/607976-10 (dagvaarding I) en 09/647795-10 (dagvaarding II)

Datum uitspraak: 6 juni 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 15 december 2010, 7 maart 2011 en 23 mei 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.E. van Tuijn en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. L. Tricoli, advocaat te Alphen aan den Rijn, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I

hij op of omstreeks 22 september 2010 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om als bestuurder van een (brom)scooter opzettelijk een (op een stilstaande motor gezeten) persoon [A] van het leven te beroven, opzettelijk met een snelheid van 50 tot 70 km/h, althans een aanzienlijke snelheid, op deze [A] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 september 2010 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan een (op een stilstaande motor gezeten) persoon genaamd [A] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een (brom)scooter met een snelheid van 50 tot 70 km/h, althans een aanzienlijke snelheid, op deze [A] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 september 2010 te Alphen aan den Rijn als bestuurder van een voertuig ((brom)scooter), daarmee rijdende op de weg (Diamantstraat)

- met een snelheid van 50 tot 70 km/h, althans een aanzienlijke snelheid, heeft gereden en/of

- (daarbij) niet in staat is geweest zijn voortuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is

en/of

- (daarbij) tegen een (op een stilstaande motor gezeten) persoon ([A]) is gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Dagvaarding II

1.

hij op of omstreeks 11 mei 2010 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames)fiets (Gazelle Impala), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 mei 2010 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, een (dames)fiets (Gazelle Impala) voorhanden heeft, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 06 april 2010 te Alphen aan den Rijn [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een honkbalknuppel en/of een mes, althans een scherp en puntig voorwerp, getoond;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 15 december 2009 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (heren)fiets (Sparta Ion), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 december 2009 tot en met 01 februari 2010 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, een (heren)fiets (Sparta Ion) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 02 maart 2010 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames)fiets (Batavus Diva), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [E], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 maart 2010 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, een (dames)fiets (Batavus Diva) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

5.

Ter berechting wordt gevoegd de zaak onder parketnummer 647817-10:

hij op of omstreeks 04 juni 2010 te Leiden opzettelijk een bromfiets (groene Yamaha), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [F], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten om een proefrit te maken, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, als bestuurder van een scooter, op 22 september 2010 te Alphen aan den Rijn heeft geprobeerd [A] (hoofdagent van politie Hollands Midden), gezeten op een stilstaande politiemotor, van het leven te beroven door opzettelijk met een snelheid van 50 tot 70 kilometer per uur (hierna: km/u) op hem in te rijden (primaire feit op dagvaarding I), dan wel dat hij heeft geprobeerd [A] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiaire feit op dagvaarding I), dan wel dat hij gevaar en hinder op de weg heeft veroorzaakt (meer subsidiaire feit op dagvaarding I).

Voorts wordt verdachte verweten dat hij op 11 mei 2010 te Alphen aan den Rijn een damesfiets (Gazelle Impala) heeft gestolen (feit 1 primair op dagvaarding II), dan wel dat hij die fiets op 13 mei 2010 te Alphen aan den Rijn voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die gestolen was (feit 1 subsidiair op dagvaarding II), dat hij op 6 april 2010 te Alphen aan den Rijn [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling (feit 2 op dagvaarding II), dat hij op 15 december 2009 te Alphen aan den Rijn een herenfiets (Sparta Ion) heeft gestolen (feit 3 primair op dagvaarding II), dan wel dat hij die fiets in de periode van 15 december 2009 tot en met 1 februari 2010 te Alphen aan den Rijn voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die gestolen was (feit 3 subsidiair dagvaarding II), dat hij op 2 maart 2010 te Alphen aan den Rijn een damesfiets (Batavus Diva) heeft gestolen (feit 4 primair op dagvaarding II), dan wel dat hij die fiets op 2 maart 2010 te Alphen aan den Rijn voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die gestolen was (feit 4 subsidiair op dagvaarding II) en dat hij op 4 juni 2010 te Leiden een bromfiets (Yamaha) heeft verduisterd (feit 5 op dagvaarding II).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het hem bij dagvaarding II onder 3 primair ten laste gelegde feit en wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het hem bij dagvaarding I primair en de hem bij dagvaarding II onder 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Dagvaarding I

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit, omdat verdachte geen opzet had de heer [A] aan te rijden. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat verdachte de heer [A] niet op tijd heeft gezien, waardoor hij niet bij machte was een aanrijding te voorkomen.

Dagvaarding II

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte van alle op dagvaarding II ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 1 subsidiair heeft de raadsman hiertoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de desbetreffende fiets heeft gestolen en dat evenmin dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman hiertoe ten eerste aangevoerd dat niet uit het dossier blijkt dat verdachte de heer [C] heeft bedreigd of dat sprake was van een bedreigende situatie en ten tweede dat het vasthouden van een honkbalknuppel niet kan worden aangemerkt als een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de feiten 3 primair en 3 subsidiair heeft de raadsman hiertoe aangevoerd dat een burger het slot heeft doorgeknipt en de fiets in beslag heeft genomen, terwijl die man daartoe niet bevoegd was. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet uit het dossier blijkt dat verdachte in het bezit was van de fiets.

Ten aanzien van de feiten 4 primair en 4 subsidiair heeft de raadsman hiertoe aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de fiets die de heer [E] op marktplaats.nl heeft zien staan, de gestolen fiets van diens dochter was.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman hiertoe aangevoerd dat het uitvoeren van enkelvoudige spiegelconfrontatie in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde en dat de uitkomst van deze spiegelconfrontatie geen verdere steun vindt in overige bewijsmiddelen, zodat die uitkomst van het bewijs dient te worden uitgesloten.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Dagvaarding I1

De rechtbank gaat op grond van het verhandelde ter terechtzitting, met de officier van justitie en de verdediging, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op woensdag 22 september 2010 omstreeks 17.30 uur reed verbalisant [G] op een politiemotorfiets op de Poolsterstraat te Alphen aan den Rijn. Vanuit tegengestelde richting zag hij een scooter2 op hem af komen rijden. Hij heeft geprobeerd de bestuurder van die scooter ter controle van de bepalingen gesteld bij en krachtens de Wegenverkeerswet 1994 staande te houden, maar de scooterrijder reed door. Hierop heeft [G] de achtervolging ingezet.3 Op een gegeven moment reed de scooter komende vanaf de Saffierstraat de Diamantstraat in.4 Inmiddels waren meerdere collega's van [G] op de hoogte gesteld van de achtervolging.5 Op het moment dat de scooterrijder de Diamantstraat inreed, is verbalisant [A] vanuit de Aquamarijnstraat met zijn politiemotor de Diamantstraat opgereden, met als doel de bestuurder van de scooter staande te houden. Op de splitsing van de Aquamarijnstraat met de Diamantstraat heeft [A] zijn politiemotor op de linkerweghelft gepositioneerd en is hij op zijn motor blijven zitten. Vervolgens kwam de scooterrijder - zijnde verdachte -, met daar achter [G], op hem afrijden en probeerde hij van de motor af te springen. Vervolgens heeft er een aanrijding tussen [A] en de scooterrijder plaatsgevonden. [A] en verdachte zijn beiden gevallen.6 [A] heeft als gevolg van deze aanrijding een gekneusde hand opgelopen.7

Het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Centrale vraag met betrekking tot het primair en subsidiair ten laste gelegde is of verdachte bij de aanrijding het opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad [A] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank is van oordeel dat opzet daarop niet bewezen kan worden geacht. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

De Diamantstraat is een voor het verkeer openstaande weg, gelegen binnen de bebouwde kom van en in de gemeente Alphen aan den Rijn. Het betreft een 30 km/u zone. Op de Diamantstraat bevinden zich diverse verkeersdrempels.8

[A] heeft met betrekking tot het ongeval verklaard dat hij zijn politiemotor bewust niet midden op de kruising had gepositioneerd, aangezien hij er rekening mee hield dat de scooterrijder mogelijk diende uit te wijken indien hij niet in staat zou zijn om op tijd te stoppen of niet wilde stoppen. Vanaf zijn politiemotor zag hij de scooterrijder ter hoogte van de eerste portiek vanaf de Saffierstraat, met daarachter [G], in zijn richting komen rijden. Ter hoogte van die portiek is een verkeersdrempel. Hij zag de scooterrijder over die verkeersdrempel rijden. Hij zag dat de scooterrijder met een aanzienlijke snelheid reed. [A] heeft verklaard dat hij een stopteken heeft gegeven. Hij kreeg de indruk dat de scooterrijder op dat moment iets vaart minderde. Hij zag vervolgens dat de scooterrijder niet van richting veranderde maar recht op hem inreed.9

Ook [G] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte een ruime mogelijkheid had om [A] te passeren. Hij zag echter dat verdachte in een rechte streep doorreed, zonder dat hij een stuurbeweging naar links of rechts maakte. Hij schat de snelheid van de scooter op 60 á 70 km/u. Op het moment dat [G], [A] de weg op zag komen rijden en [A] tot stilstand zag komen, zag hij dat verdachte vaart minderde.10

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij getuige is geweest van de aanrijding tussen verdachte en [A]. Hij heeft vanaf zijn terras vrij zicht op de Diamantstraat. Op 22 september 2010 omstreeks 17.30 uur zat hij met zijn vrouw op het terras. Hij hoorde een sirene en zag dat er vanaf de kant van de Saffierstraat een scooter met een hoge snelheid de Diamantstraat opreed. Hij schat de snelheid van de scooter zeker 60 á 70 km/u. Hij zag dat een motorrijder met zwaailicht achter de scooter reed. Hij zag dat de bestuurder van de scooter voorover hing en telkens achterom keek. [getuige 1] heeft verklaard dat hij, op het moment dat de scooter ter hoogte van de parkeerplaats van de Arena reed, zag dat vanaf het fietspad een andere politiemotor de Diamantstraat opreed. Hij zag dat die politiemotor dwars op de Diamantstraat ging staan en dat de motorrijder erop bleef zitten. Hierop zag hij dat de scooter kwam aanrijden. Hij zag dat de bestuurder nog even achterom keek. Vervolgens zag hij dat de bestuurder weer voor zich keek en toen pas de politiemotor op de weg zag staan. Dit ging in een fractie. Direct hierop zag hij dat de scooter haaks tegen de politiemotor aanreed en dat beiden ten val kwamen.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de scooterrijder - naar zijn inschatting - door de hoge snelheid en het achterom kijken niet meer tijdig kon remmen om een aanrijding te voorkomen. De scooterrijder had naar zijn mening wel de ruimte om de politiemotor te kunnen ontwijken, maar hij zag die politiemotor te laat. Hij heeft verklaard dat hij de hele situatie zo heeft gezien dat de scooterrijder naar zijn mening niet bewust op de politiemotor is ingereden.11

Uit de door verbalisant [H] uitgevoerde verkeersongevalanalyse blijkt dat de scooter van verdachte in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud verkeerde en dat de scooter geen gebreken vertoonde die van invloed kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval. Voorts blijkt dat de constructiesnelheid van de scooter hoger was dan de toegestane maximum constructiesnelheid, te weten 61 km/u. Uit de analyse is verder naar voren gekomen dat verdachte met zijn scooter tegen de linkerzijde van de politiemotor is gebotst. Op de politiemotor werden verfsporen aangetroffen van de scooter. Op de achterband van de scooter is een rem/blokkeerspoor aangetroffen. Hieruit heeft [H] opgemaakt dat door verdachte vlak voor de aanrijding geblokkeerd is geremd met het achterwiel. Naar het oordeel van [H] heeft de aanrijding niet plaatsgevonden met een zeer hoge snelheid, gelet op de beschadigingen en de eindpositie van beide voertuigen. [H] concludeert dat verdachte niet in staat was zijn scooter tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover de weg vrij was en te overzien.12

Naar aanleiding van een verzoek daartoe door de rechtbank heeft [H] een aanvullend proces-verbaal opgesteld. Hieruit blijkt dat de afstand van de laatste verkeersdrempel die door verdachte werd gepasseerd, was gelegen op een afstand van ongeveer 65 meter voor de plaats van het ongeval. Bij een snelheid van 60 km/u wordt de afstand van het begin van de verkeersdrempel tot aan de ongevalplaats afgelegd in ongeveer 3.9 seconden.13

Ter terechtzitting heeft [H] verklaard dat hij de botssnelheid van de scooter van verdachte met de politiemotor heeft vastgesteld op 30 á 40 km/u. Hij heeft dit besproken met collega's en die kwamen op dezelfde botssnelheid uit. Voorts heeft hij verklaard dat het waarschijnlijk is dat verdachte binnen 100 meter voor de aanrijding geblokkeerd heeft geremd en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat hij na de aanrijding nog heeft geremd.14

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 22 september 2010 een proefrit aan het maken was op zijn scooter. Op een gegeven moment wilde een politieagent hem staande houden ter controle. Hij is toen voor die agent op de vlucht geslagen, aangezien hij geen rijbewijs heeft en de scooter onverzekerd was. De politieagent heeft vervolgens de achtervolging ingezet. Gedurende de achtervolging reed verdachte de maximumsnelheid met zijn scooter, te weten ongeveer 60 km/u. Op het moment dat hij de Diamantstraat inreed en bij een verkeersdrempel aankwam, heeft hij even geremd om over de verkeersdrempel te kunnen heen rijden. Zijn snelheid is toen gezakt naar ongeveer 45 km/u. Direct hierop heeft hij weer vol gas gegeven. Pas nadat hij de drempel over was, zag hij een politieagent die vóór hem met zijn motor de weg op reed. Hij heeft nog geremd, maar dit was te laat. Hij heeft naar zijn zeggen voluit met de achterrem geremd en een beetje met de voorrem. Hij kon niet meer op tijd tot stilstand komen en botste tegen de politieagent. Verdachte heeft verklaard dat hij de agent niet heeft kunnen ontwijken vanwege de korte afstand. Er zat ongeveer 5 seconden tussen het moment dat hij de agent zag en het moment dat hij tegen hem aanreed.15

De rechtbank overweegt op grond van het vorenstaande als volgt.

De rechtbank acht de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring aannemelijk. Deze verklaring wordt ondersteund door voormelde verklaringen van de verbalisanten [G] en [A] en de getuige [getuige 1], alsmede de verkeersanalyse van [H]. Weliswaar hebben [G] en [A] niet verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte vlak voor de aanrijding heeft geremd, maar omdat [G] direct achter verdachte reed op het moment van de aanrijding en [A] verdachte met een hoge snelheid op zich af zag komen en uiteraard erg schrok, acht de rechtbank het heel goed mogelijk dat zij dit niet hebben gezien. De rechtbank gaat er gelet op het vorenstaande van uit dat verdachte met een snelheid van ongeveer 60 km/u de Diamantstraat kwam inrijden, hij ter hoogte van de eerste verkeersdrempel heeft afgeremd tot een snelheid van ongeveer 45 km/u, hij vervolgens weer gas heeft gegeven waarbij hij op een snelheid van ongeveer 50 á 60 km/u is gekomen en pas daarna verbalisant [A] voor hem op de weg heeft zien staan. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte vervolgens heeft geremd maar niet meer op tijd tot stilstand kon komen en met een botssnelheid van 30 á 40 km/u op [A] is ingereden. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte op de vlucht was voor de politie en het derhalve zeer aannemelijk is dat hij [A] zou hebben ontweken indien dit nog mogelijk was geweest.

De rechtbank kan gegeven het voorgaande, mitsdien niet concluderen dat verdach[A] bewust heeft aangereden en evenmin dat verdachte willens en wetens het risico op die aanrijding heeft aanvaard en dus voor lief heeft genomen. Het voor een poging doodslag - het primair ten laste gelegde - of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel - het subsidiair ten laste gelegde - vereiste opzet bij verdachte is daarmee niet komen vast te staan.

Het primair en subsidiair ten laste gelegde kan dan ook niet bewezen worden en de rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Het meer subsidiair ten laste gelegde

Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, kan niet worden gezegd dat verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Verdachte heeft ongeveer 50 á 60 km/u gereden in een zone waar hij maar 30 km/u mocht rijden. Door ongeveer 50 á 60 km/u te hebben gereden was verdachte niet in staat zijn scooter tijdig tot stilstand te brengen en de botsing met [A] te voorkomen, terwijl hij, indien hij zich aan de wettelijke maximumsnelheid had gehouden, daartoe vermoedelijk wel in staat zou zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee in strijd met artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft gehandeld.

Dagvaarding II16

Feiten 1 primair en 1 subsidiair

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op 13 mei 2010 te Alphen aan de Rijn zag verbalisant [J] verdachte lopen. Aangezien verdachte nog boetes had openstaan, heeft [J] verdachte aangesproken. Verdachte reed op dat moment op een grijze damesfiets van het merk Gazelle Impala. De fiets had wel een slot, maar deze stond open en er zat geen sleutel in.17 De fiets bleek op 11 mei 2010 gestolen te zijn van [B].18

Verdachte heeft verklaard dat hij de fiets van een vriend had geleend, dat hij wist dat het slot openstond, dat de sleutel ontbrak en dat hij onder die omstandigheden had moeten weten dat er "iets niet pluis was", maar dat hij toch op de fiets is blijven fietsen.19

De rechtbank is van oordeel dat er geen wettig bewijs is dat verdachte deze fiets heeft gestolen. De rechtbank zal verdachte derhalve van feit 1 primair vrijspreken. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist dat die fiets van misdrijf afkomstig was en dat hij derhalve het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Feit 2

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het volgende.

Aangever [C] heeft verklaard dat hij op 6 april 2010 met zijn vader en twee andere jongens naar de woning van verdachte is gegaan, om met hem over een gestolen IPod te praten. Op het moment dat zijn vader de auto parkeerde bij de woning van verdachte, zag hij verdachte in de deuropening van een schuur staan. Hij zag dat verdachte in zijn linkerhand een honkbalknuppel vasthad en in zijn rechterhand een mes. Hij hoorde dat zijn vader tegen verdachte zei dat hij rustig moest doen en dat zij alleen kwamen om te praten. Aangever zag dat verdachte agressief overkwam. Aangever heeft verklaard dat hij op dat moment bang was dat verdachte het mes of de knuppel zou gaan gebruiken. Zijn vader bleef echter op verdachte inpraten om verdachte rustig te krijgen en aangever zag dat verdachte de knuppel naast zich neerlegde en dat hij het mes in zijn broekzak deed. Verdachte wilde echter niet met hen praten en is uiteindelijk weggelopen.20

Getuige [getuige 2], zijnde de vader van aangever, heeft over het moment dat hij op 6 april 2010 samen met onder andere aangever bij de woning van verdachte aankwam, verklaard dat hij verdachte bij de bergingen zag staan. Hij zag dat verdachte een honkbalknuppel in zijn hand had en in zijn andere hand een mes vasthield. Hij liep naar verdachte toe en zei tegen hem dat ze alleen kwamen om te praten en niet wilden vechten. Hij zei tegen verdachte dat hij de IPod aan aangever moest teruggeven. [getuige 2] heeft verklaard dat hij ondertussen onopvallend met zijn telefoon foto's van verdachte heeft gemaakt. [getuige 2] heeft geprobeerd verdachte rustig te krijgen. Verdachte legde uiteindelijk de honkbalknuppel en het mes weg. Na een tijdje bracht verdachte de knuppel en het mes naar de schuur. Verdachte wilde echter op een gegeven moment niet meer naar hem luisteren en liep weg.21

De twee foto's die door getuige [getuige 2] ten tijde van het incident zijn gemaakt, zijn aan het dossier toegevoegd. Op één van die foto's is verdachte te zien die voorovergebogen staat bij een honkbalknuppel die op de grond ligt en op de andere foto is alleen de honkbalknuppel te zien.22 De honkbalknuppel is op 14 mei 2010 in de kelderbox van verdachte aangetroffen.23

Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 april 2010, nadat een vriend hem had gebeld met de mededeling dat aangever met een groepje naar hem onderweg was, vanuit zijn woning naar beneden liep en dat hij aangever toen zag komen aanrijden in de auto samen met zijn vader. De vader van aangever beweerde ten onrechte dat hij, verdachte, een IPod van aangever zou hebben gestolen. Verdachte is hierop naar de kelderbox gelopen en heeft een knuppel gepakt. Verdachte heeft verklaard niet te hebben gedreigd met de knuppel en dat hij geen mes heeft vastgehad. De knuppel die hij gepakt heeft, betreft de knuppel die op de foto van de vader van aangever te zien is.24

De rechtbank overweegt op grond van het vorenstaande als volgt.

Aangever en de vader van aangever hebben beiden verklaard dat verdachte een mes heeft vastgehad. Nu verdachte dat ontkent en de verklaringen van aangever en de vader van aangever op dit punt niet door overige bewijsmiddelen worden ondersteund, acht de rechtbank het echter onvoldoende aannemelijk dat verdachte daadwerkelijk een mes in zijn hand heeft vastgehad. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel in de tenlastelegging vrijspreken. Wel acht de rechtbank op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een honkbalknuppel in zijn hand heeft vastgehad. De rechtbank gaat er op grond van bovenstaande verklaringen echter van uit dat verdachte met de honkbalknuppel geen zwaaiende of andere dreigende beweging heeft gemaakt. Tevens gaat de rechtbank er op grond van vorenstaande verklaringen van uit dat verdachte de honkbalknuppel vrij snel na de confrontatie met aangever en de vader van aangever op de grond heeft gelegd, op verzoek van de vader van aangever. Onder deze omstandigheden is het in de hand houden van een honkbalknuppel naar het oordeel van de rechtbank geen bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder 2 ten laste gelegde feit vrijspreken.

Feiten 3 primair en 3 subsidiair

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde het volgende.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij huismeester is in het flatcomplex aan de Briljantstraat te Alphen aan den Rijn. Voor de kerstdagen in 2009 zag hij voor de flat een dure elektrische fiets van het merk Sparta staan. De fiets stond vast aan een hek met een kettingslot. Eind januari 2010 kwam een buurtbewoner naar hem toe en die vertelde hem dat het vaste slot van de fiets geforceerd was en dat de fiets mogelijk van diefstal afkomstig was. [getuige 3] heeft vervolgens het hangslot doorgeknipt en de fiets veiliggesteld in zijn kantoor.25

Uit onderzoek van de politie bleek dat de fiets op 15 december 2009 te Alphen aan den Rijn is gestolen. De fiets is op 4 februari 2010 door de politie bij getuige [getuige 3] opgehaald.26

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat een week voordat de politie de fiets bij hem had opgehaald, hij werd aangesproken door verdachte over het feit dat hij de fiets had weggehaald. Verdachte vroeg aan hem of hij het slot waaraan de fiets had vastgestaan, mocht terughebben.27

Verdachte heeft ontkend dat hij de fiets heeft gestolen, dat de fiets aan zijn kettingslot heeft vastgezeten en dat hij de fiets in bezit heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat het slot dat de huismeester heeft doorgeknipt het slot is waar hij zijn scooter aan vastzet en dat hij om die reden naar de huismeester is gegaan om het slot terug te vragen.28

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de diefstal van de fiets heeft begaan en de rechtbank zal verdachte derhalve van feit 3 primair vrijspreken. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, hoewel kan worden aangenomen dat verdachte voormelde fiets op enig moment voorhanden heeft gehad, niet op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van die fiets wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die fiets van misdrijf afkomstig was, hetgeen voor een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde opzetheling dan wel schuldheling is vereist. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte eveneens van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit vrijspreken.

Feiten 4 primair en 4 subsidiair

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op 2 maart 2010 is de fiets, te weten een damesfiets van het merk Batavus Diva, van de dochter van de heer [E] gestolen.29 Op 3 maart 2010 zag de heer [E] op marktplaats.nl in een advertentie een fiets te koop aangeboden staan, welke fiets naar zijn zeggen de fiets van zijn dochter betrof. De verkoper van de fiets handelde onder de naam [naam] en maakte gebruik van het telefoonnummer [nummer]. Tussen de heer [E] en "[naam]" is zowel telefonisch- als emailcontact over de fiets geweest.30

Verdachte maakte destijds gebruik van het telefoonnummer [nummer], wordt [naam] genoemd en heeft eerder op marktplaats.nl gehandeld onder de naam [naam].31 De persoon die de advertentie van de fiets op marktplaats.nl heeft geplaatst, heeft gebruik gemaakt van hetzelfde IP-adres als het IP-adres van de computer van verdachte.32

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat, wat er ook zij van de betrokkenheid van verdachte bij voormelde advertentie op marktplaats.nl, de fiets die in die advertentie te koop werd aangeboden, ook daadwerkelijk de fiets van de dochter van de heer [E] betrof. Dit blijkt noch uit voormelde vaststaande feiten, noch uit de foto die van die fiets bij die advertentie was geplaatst. De rechtbank zal verdachte reeds hierom van de onder 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde feiten vrijspreken.

Feit 5

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde het volgende.

Aangever [F] heeft verklaard dat hij op 31 mei 2010 zijn scooter, te weten een groene Yamaha SA14, voorzien van kentekennummer [nummer], op marktplaats.nl te koop had aangeboden. Een jongen was geïnteresseerd in de scooter. Aangever had op 3 juni 2010 bij het Centraal Station te Leiden afgesproken met de broer van die jongen. Samen met die jongen heeft hij een rondje op de scooter gereden. De jongen vertelde hem dat hij de scooter de dag erna zou kopen. Aangever heeft verklaard dat hij op 4 juni 2010 om 17.30 uur wederom met die jongen bij het Centraal Station te Leiden had afgesproken. De jongen wilde een stukje alleen rijden met de scooter, hetgeen aangever goed vond. De jongen had geen legitimatiebewijs bij zich, maar hij gaf zijn mobiele telefoon als onderpand aan aangever. De jongen is echter niet teruggekomen. Hij heeft nog een emailbericht naar de jongen gestuurd, maar hij heeft niks meer van hem vernomen.

Aangever heeft het volgende signalement van de jongen opgegeven: leeftijd 18 á 19 jaren oud, lengte van 170 cm tot 180 cm, mannelijk, negroïde, postuur mager/tenger, kort zwart kroeshaar, gelaat lang/smal zonder gezichtshaar, opvallend dikke lippen en een goudkleurige tand, aan de linker- of de rechterbovenzijde.33

Op 22 juni 2010 heeft verbalisant [K] onderzoek ingesteld naar het door aangever opgegeven signalement. Het is haar ambtshalve bekend dat verdachte voldoet aan dat signalement en dat hij zich heeft beziggehouden met heling en diefstal van fietsen.34

Op 15 juni 2010 heeft een enkelvoudige spiegelconfrontatie plaatsgevonden tussen aangever en verdachte. Aangever heeft verdachte met zekerheid herkend als de jongen die op 4 juni 2010 een proefrit op zijn scooter heeft gemaakt en daarna de scooter niet meer heeft teruggebracht. Hij heeft verdachte onder meer herkend aan zijn manier van lachen en de goudkleurige tand in zijn mond.35

Op 9 juni 2010 werd de scooter van aangever in een berging van [adres] te Alphen aan den Rijn aangetroffen.36

Op 15 juni 2010 is onderzoek gedaan in de computer van verdachte. In de computer bleken foto's te staan van de scooter van aangever.37

De rechtbank is het met de verdediging eens dat in het algemeen een meervoudige spiegelconfrontatie de voorkeur verdient boven een enkelvoudige spiegelconfrontatie. Echter, nu in onderhavig geval de uitkomst van de spiegelconfrontatie tussen aangever en verdachte wordt ondersteund door de overige hiervoor vermelde verklaringen en bevindingen acht zij deze voldoende betrouwbaar. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die op 4 juni 2010 een proefrit op de scooter van aangever heeft gemaakt en deze zich vervolgens wederrechtelijk heeft toegeëigend. Hij heeft de scooter immers niet meer teruggebracht. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding I meer subsidiair ten laste gelegde feit en de hem bij dagvaarding II onder 1 subsidiair en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

ten aanzien van feit 1 meer subsidiair op dagvaarding I:

hij op 22 september 2010 te Alphen aan den Rijn als bestuurder van een voertuig (scooter), daarmee rijdende op de weg (Diamantstraat),

- met een snelheid van 50 tot 70 km/h heeft gereden en

- daarbij niet in staat is geweest zijn voortuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kan overzien en waarover deze vrij is

en

- daarbij tegen een op een stilstaande motor gezeten persoon ([A]) is gereden,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

ten aanzien van feit 1 subsidiair op dagvaarding II:

hij op 13 mei 2010 te Alphen aan den Rijn een damesfiets (Gazelle Impala) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 5 op dagvaarding II:

hij op 4 juni 2010 te Leiden opzettelijk een bromfiets (groene Yamaha) toebehorende aan [F], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten om een proefrit te maken, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over (de hoogte van) een eventueel op te leggen straf, aangezien hij vrijspraak van de ten laste gelegde feiten heeft bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met zijn scooter in een 30 km/u zone, tussen de 50 km/u en 60 km/u gereden. Hierdoor is hij niet in staat geweest zijn scooter tijdig tot stilstand te brengen op het moment dat hij een motoragent op de weg zag staan en is hij tegen hem aangereden. Hierdoor heeft het slachtoffer een gekneusde hand opgelopen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Blijkens de verklaring van het slachtoffer is hij erg aangedaan door dit ongeval en heeft hij ten gevolge daarvan nog steeds psychische problemen. Het had bovendien voor hem nog ernstiger kunnen aflopen.

Verdachte heeft voorts een fiets in bezit gehad waarvan hij wist dat het een gestolen fiets betrof. Hierdoor heeft hij meegewerkt aan de instandhouding van de voor de maatschappij zeer ergerlijke vermogenscriminaliteit. Hiernaast heeft verdachte een proefrit op een scooter gemaakt en heeft hij die scooter niet meer teruggebracht. Hierdoor heeft hij financiële schade aan de eigenaar van die scooter toegebracht en heeft hij het vertrouwen van die eigenaar beschaamd. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportage van 11 maart 2011, opgemaakt en ondertekend door Y.M. Kat, GZ-psycholoog. De psycholoog merkt op dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis en dat tijdens het gebeurde op 22 september 2010 sprake was van deze problematiek. Hij onthoudt zich echter van een uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde, aangezien verdachte het ten laste gelegde ontkent.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder in aanraking is geweest met justitie wegens verkeersfeiten en een vermogensdelict.

Op grond van de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf/hechtenis op zijn plaats. Echter, nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van de hem bij dagvaarding I primair en subsidiair en van de hem bij dagvaarding II, onder 1 primair, 2, 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde feiten, zal de rechtbank aan verdachte een aanzienlijk lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf/hechtenis opleggen dan door de officier van justitie geëist en zal zij geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

7. De vordering van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen Politie Hollands Midden, [A], [B] en [L], met (telkens) oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [C], tot een bedrag van € 307,71, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk verklaring voor het overige.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Politie Hollands Midden primair verzocht die vordering af te wijzen en subsidiair verzocht die vordering gedeeltelijk af te wijzen voor zover die ziet op het politielogo. Voorts heeft de raadsman van verdachte verzocht de vordering van de benadeelde partij [C] niet-ontvankelijk te verklaren.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Politie Hollands Midden heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.626,82.

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding I meer subsidiair bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.626,82.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I meer subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.626,82, ten behoeve van Politie Hollands Midden.

[A] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 741,-.

De rechtbank acht deze vordering als vergoeding ter zake van immateriële schade naar billijkheid toewijsbaar, nu namens verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding I meer subsidiair bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 741,-.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 22 september 2010 is ontstaan.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I meer subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 741,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 september 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [A].

[B] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 49,95.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft (dagvaarding II feit 1 primair), is vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

[C] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 479,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft (dagvaarding II feit 3), is vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

[L] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 121,86.

De vordering is namens verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding II onder 5 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 121,86.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 4 juni 2010 is ontstaan.

Dit brengt mee dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding II onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 121,86, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 juni 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [L].

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met parketnummer 09/647795-10 onder 1 genummerde voorwerp zal worden teruggegeven aan verdachte.

8.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het op de beslaglijst met parketnummer 09/647795-10 onder 1 genummerde voorwerp, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 57, 62, 321 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;

- 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem bij dagvaarding I primair en subsidiair en de hem bij dagvaarding II onder 1 primair, 2, 3 primair, 3 subsidiair, 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding I meer subsidiair en de hem bij dagvaarding II onder 1 subsidiair en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van het meer subsidiaire feit op dagvaarding I:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van feit 1 subsidiair op dagvaarding II:

opzetheling;

ten aanzien van feit 5 op dagvaarding II:

verduistering;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte ter zake van de feiten 1 subsidiair en 5 op dagvaarding II tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) WEKEN;

veroordeelt verdachte ter zake van het meer subsidiaire feit op dagvaarding I tot:

hechtenis voor de duur van 3 (drie) WEKEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf/hechtenis geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen Politie Hollands Midden, [A] en [L] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

1. Politie Hollands Midden, een bedrag van € 2.626,82;

2. [A], een bedrag van € 741,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 september 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

3. [L], een bedrag van € 121,86, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 juni 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen Politie Hollands Midden, [A] en [L] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot:

1. € 2.626,82 ten behoeve van Politie Hollands Midden;

2. € 741,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 september 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [A];

3. € 121,86, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 juni 2010 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [L];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 36, respectievelijk 14, respectievelijk 2 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doen vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doen vervallen;

verklaart de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [B] en [C] niet-ontvankelijk;

veroordeelt de benadeelde partijen [B] en [C] in de proceskosten door verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

gelast de teruggave aan de veroordeelde van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen, te weten een computer.

Dit vonnis is gewezen door

Mrs. R. Elkerbout, voorzitter,

B. Bastein en S.M. Krans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Keuter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2011.

Mr. Bastein is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna onder het kopje 'Dagvaarding I' wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van proces-verbaal PL1630 2010146364-1 van politie Hollands Midden, genummerd p. 1-185.

2 In het dossier wordt afwisselend gesproken over een scooter dan wel een bromfiets. De rechtbank zal in deze uitspraak het betreffende voertuig aanduiden als een scooter.

3 PV van bevindingen, p. 37.

4 PV van bevindingen, p. 38, PV van eerste verhoor verdachte p. 25.

5 PV van bevindingen, p. 38, PV van bevindingen, p. 43, PV van bevindingen p. 48.

6 PV van bevindingen, p. 38-39, PV van bevindingen, p. 43.

7 Letselbeschrijving [A], p. 180, PV van aangifte, p. 34.

8 PV Verkeersongevalsanalyse, p. 95.

9 PV van bevindingen, p. 43-44.

10 PV van bevindingen, p. 172.

11 PV van verhoor getuige, p. 183-185.

12 PV Verkeersongevalsanalyse, p. 92-99.

13 PV van bevindingen, nr. PL1600 2010146133-2, opgemaakt op ambtseed en ondertekend op 22 mei 2011 door [H].

14 Verklaring deskundige [H] ter terechtzitting van 23 mei 2011.

15 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 23 mei 2011.

16 Wanneer hierna onder het kopje 'Dagvaarding II' wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van proces-verbaal PL1630 2010096590-26 van politie Hollands Midden, genummerd p. 1-114.

17 PV van bevindingen, p. 57.

18 PV van aangifte, p. 54-55, PV van verhoor benadeelde p. 56.

19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 mei 2011.

20 PV van aangifte, p. 64-65.

21 PV van verhoor getuige, p. 68-69.

22 Foto's, p. 71-72, PV van verhoor verdachte, p. 32.

23 PV van verhoor verdachte, p. 32.

24 PV van verhoor verdachte, p. 32-36.

25 PV van verhoor getuige, p. 79.

26 PV van verhoor getuige, p. 79, PV van aangifte, p. 74-75, PV van bevindingen, p. 81.

27 PV van verhoor getuige, p. 80.

28 PV van verklaring verdachte ter terechtzitting van 23 mei 2011.

29 PV van aangifte, p. 86-87.

30 PV van verhoor getuige [E], met bijlagen, p. 88-96.

31 PV van verhoor verdachte, p. 43-44, PV van bevindingen, p. 97.

32 PV onderzoek advertentie Marktplaats.nl, p. 100.

33 PV van aangifte, p. 254-257, van de bundel met nr. PL1630 2010100090-42 van politie Hollands Midden, genummerd p. 1-438.

34 PV van bevindingen, p. 275, van de bundel met nr. PL1630 2010100090-42 van politie Hollands Midden, genummerd p. 1-438.

35 PV spiegelconfrontatie, p. 276-277, van de bundel met nr. PL1630 2010100090-42 van politie Hollands Midden, genummerd p. 1-438.

36 PV van relaas, p. 31, PV van bevindingen, p. 234, van de bundel met nr. PL1630 2010100090-42 van politie Hollands Midden, genummerd p. 1-438.

37 Pv van relaas, p. 30, PV onderzoek computer, met bijlagen, p. 373-378, PV van verhoor verdachte, p. 98-99, van de bundel met nr. PL1630 2010100090-42 van politie Hollands Midden, genummerd p. 1-438.