Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7274

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
09/753097-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich tijdens zijn werkzaamheden als stagiair bij de ABN AMRO bank schuldig gemaakt aan diefstal van enerzijds een grote som geld, te weten € 80.725,-, door op een viertal momenten een greep te doen uit een sealbag met geld, en anderzijds twee creditcards door deze achter te houden bij het teruggeven van een bij die bank aangetroffen mapje met pasjes. Gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Bijzondere voorwaarde: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, zolang die instelling zulks nodig acht alsmede dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aanbiedt; geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast een werkstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/753097-10

Datum uitspraak: 6 juni 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1990,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting1

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 14 juni 2010, 23 mei 2011 en, na heropening, ter terechtzitting van 6 juni 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 9 december 2009 tot en met 6 januari 2010 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 80.725 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de ABN-AMRO bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 9 december 2009 tot en met 6 januari 2010 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 80.725,= euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de ABN-AMRO bank, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als stagiair/medewerker bij de ABN-AMRO bank, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 9 december 2009 tot en met 3 maart 2010 te Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die geldbedrag(en) was of wie dat/die geldbedrag(en) voorhanden had en/of

- (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) (geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 3 maart 2010 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mapje met creditcard(s) en/of businesscard(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] en/of [A] Holding, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 3 maart 2010 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een creditcard en/of een businesscard heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die creditcard en/of businesscard wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 3 maart 2010 te Alphen aan den Rijn opzettelijk een creditcard en/of een businesscard, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] en/of [A] Holding, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 31 december 2008 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee, inhoudende o.a. een bromfietsrijbewijs en/of een identiteitsbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 3 maart 2010 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, een bromfietsrijbewijs en/of een identiteitsbewijs heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat bromfietsrijbewijs en/of identiteitsbewijs wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2008 tot en met 3 maart 2010 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, opzettelijk een bromfietsrijbewijs en/of een identiteitsbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in vereniging met een ander of anderen in de periode van 9 december 2009 tot en met 6 januari 2010 te Alphen aan den Rijn in totaal € 80.725,- heeft gestolen van de ABN AMRO bank dan wel dat hij dit geld als stagiair/medewerker van die bank heeft verduisterd dan wel dat hij in de periode van 9 december 2009 tot en met 3 maart 2010 geldbedragen heeft witgewassen.2* Daarnaast wordt verdachte ervan verdacht dat hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 3 maart 2010 te Alphen aan den Rijn met een ander of anderen een mapje met creditcard(s)/businesscard(s) van [A] (Holding) heeft gestolen dan wel een creditcard en een businesscard heeft geheeld dan wel die cards als vinder heeft verduisterd.3* Tot slot komt de verdenking erop neer dat verdachte in de periode van 1 december 2008 tot en met 31 december 2008 te Alphen aan den Rijn een portemonnee met inhoud heeft gestolen van [B] dan wel dat hij in de periode van 1 december 2008 tot en met 3 maart 2010 te Alphen aan den Rijn een bromfietscertificaat en een identiteitsbewijs heeft geheeld dan wel dat hij die documenten van [B] heeft verduisterd als vinder.4*

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten 1 subsidiair en 2 primair heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard en voorts dat verdachte ten aanzien van feit 3 dient te worden vrijgesproken.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

De ABN AMRO bank te Alphen aan den Rijn heeft op 17 februari 2010, na eerst een intern onderzoek te hebben uitgevoerd, aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking door verdachte die daar als stagiair werkzaam was, naar aanleiding van het feit dat er in de periode van 9 december 2009 tot en met 6 januari 2010 meermalen verschillen waren geconstateerd bij het legen en weer opnieuw vullen (het zogeheten 'servicen') van de zogenoemde Multi Functionele Geldautomaat (verder MFG).5*

Verdachte heeft ter terechtzitting van 23 mei 2011 verklaard op vier dagen in de periode van 9 december 2009 tot en met 6 januari 2010 te Alphen aan den Rijn als stagiair bij de ABN AMRO bank geld van de ABN AMRO bank te hebben weggenomen.6* Verdachte heeft tevens verklaard dat de in het procesdossier genoemde bedragen kloppen. Blijkens deze stukken werd door verdachte in totaal een bedrag van € 80.725,- weggenomen, te weten op 9 december 2009 € 2.165,-, op 16 december 2009 € 33.215,-, op 30 december 2009 € 24.520,- en op 6 januari 2010 € 20.825,-. Dit gebeurde steeds gedurende het zogeheten 'servicen', van de MFG.7* Verdachte deed dit door telkens een willekeurige stapel bankbiljetten uit de sealbag met geld te pakken, op het moment dat zijn collega de geldcassette terugplaatste in de automaat.8*

Gelet op deze bekennende verklaring, gevoegd bij de verdachte belastende feiten en omstandigheden als in de aangifte genoemd, zal de rechtbank wettig en overtuigend bewezen verklaren dat verdachte voornoemde geldbedragen heeft gestolen van de ABN AMRO bank, zoals primair ten laste is gelegd

Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting verklaard twee creditcards, te weten een creditcard op naam van [A] en een creditcard op naam van [A] Holding, te hebben weggenomen. [A] had deze creditcards niet teruggekregen, nadat hij op 8 december 2009 een mapje met, kort gezegd, pasjes was vergeten bij een storting bij de ABN AMRO bank en hij het mapje een paar dagen later had teruggekregen van een medewerker van de ABN AMRO bank te Alphen aan den Rijn.9* Deze creditcards werden bij een doorzoeking op 3 maart 2011 op de kamer van verdachte aangetroffen.10* Verdachte heeft ter terechtzitting van 23 mei 2011 verklaard dat hij, toen hij het mapje aan [A] teruggaf, twee creditcards heeft achtergehouden met als doel deze door te verkopen.11*

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen verklaren dat verdachte voornoemde creditcards van [A] en [A] Holding heeft gestolen.

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 3 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

3.4 De bewezenverklaring

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging dat:

1.

hij in de periode van 9 december 2009 tot en met 6 januari 2010 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen (in totaal 80.725 euro) toebehorende aan de ABN AMRO bank;

2.

hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 3 maart 2010 te Alphen aan den Rijn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen creditcards toebehorende aan [A] en [A] Holding.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder reclasseringstoezicht zal stellen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte gelet op alle omstandigheden geen gevangenisstraf krijgt opgelegd langer dan de thans in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. De raadsman verzoekt derhalve matiging van de door de officier van justitie gevorderde straf. De raadsman vindt een deels voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht passend, al dan niet te combineren met een werkstraf. De raadsman wijst daarbij ook op de ontnemingsvordering welke ook grote financiële gevolgen voor verdachte zal hebben.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij overweegt de rechtbank meer in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich tijdens zijn werkzaamheden als stagiair bij de ABN AMRO bank schuldig gemaakt aan diefstal van enerzijds een grote som geld, te weten € 80.725,-, door op een viertal momenten een greep te doen uit een sealbag met geld, en anderzijds twee creditcards door deze achter te houden bij het teruggeven van een bij die bank aangetroffen mapje met pasjes.

Door het wegnemen van het geld heeft verdachte naast de financiële schade bij de ABN AMRO bank tevens ernstig het vertrouwen dat een werkgever in een stagiair moet kunnen hebben beschaamd. Ook zijn directe collegae, die ook kortstondig als verdachte van dit misdrijf werden aangemerkt, hebben hier veel hinder en onzekerheid door ondervonden.

Voorts heeft verdachte door het wegnemen van de creditcards het vertrouwen van het slachtoffer in de bank ondermijnd. Het slachtoffer heeft bovendien veel hinder en overlast ondervonden door het wegnemen van deze creditcards. Dat verdachte uiteindelijk de creditcards (nog) niet had doorverkocht, maakt dit niet anders.

Verder zal zijn school en de opleiding, uit hoofde waarvan hij stage liep, hinder hebben ondervonden van de door verdachte gepleegde feiten, daar toekomstige stagiaires met argusogen zullen worden bekeken door de ABN AMRO bank en wellicht minder bevoegdheden en mogelijkheden zullen krijgen.

Daarnaast weegt de rechtbank mee dat het geen incident is geweest, maar dat verdachte in een periode van een maand meermalen tot dit delictgedrag is overgegaan. Dit alles rekent de rechtbank verdachte ernstig aan.

Verdachte heeft telkens louter oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 20 april 2011 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten werd veroordeeld. Wel is de rechtbank gebleken uit een mutatieoverzicht van de politie alsmede uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat verdachte in 2008 telefoonkaarten heeft weggenomen bij een winkel waar verdachte op dat moment werkte. Dit is opgelost doordat verdachte de waarde van de ontvreemde goederen aan zijn werkgever heeft vergoed, waardoor een en ander niet tot strafrechtelijke vervolging heeft geleid. De rechtbank leidt hier echter uit af dat verdachte ondanks dit eerdere politiecontact zich niet van het plegen van soortgelijke strafbare gedragingen heeft laten weerhouden.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het feit dat verdachte inmiddels een opleiding volgt en daarnaast parttime werkt. Ook bij zijn nieuwe bijbaan komt verdachte dagelijks in aanraking met geld.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande alsmede gelet op verdachtes delictgedrag en met name zijn handelen na dit delictgedrag, bestaande uit veelvuldig casinobezoek en het doen van ondoordachte uitgaven, waarbij verdachte er in zeer korte tijd een enorme som geld heeft verbrast, een deels voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht geboden.

De rechtbank is van oordeel dat voor deze feiten een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank acht echter, gelet op het tijdsverloop sinds de opheffing van zijn voorlopige hechtenis op 14 juni 2010 en het feit dat verdachte zijn leven thans weer op de rails lijkt te hebben, alsmede gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat verdachte oprecht schuldbesef lijkt te hebben, thans niet passend dat verdachte een langere gevangenisstraf dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis zal worden opgelegd. Wel zal aan verdachte de maximale werkstraf worden opgelegd.

7. De vordering van de benadeelde partij

ABN AMRO bank heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 114.502,50,-.

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 110.187,50 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen, nu deze pas op 1 juni 2011, zijnde na het onderzoek ter terechtzitting d.d. 23 mei 2011, is opgesteld en ondertekend. De rechtbank dient van dit nagekomen stuk geen kennis meer te nemen. De oorspronkelijke vordering wordt hierdoor wel herroepen.

Daarnaast heeft de raadsman opgemerkt dat de op de vordering genoemde gemachtigde gelet op de bij de vordering bijgevoegde machtiging niet gemachtigd is. Uit de machtiging blijkt immers dat deze gemachtigde niet bevoegd is alleen te ondertekenen, wat hier wel is gebeurd. De vordering dient derhalve te worden afgewezen, dan wel niet ontvankelijk te worden verklaard.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de op de vordering onder 5, 6 en 7 genummerde posten af te wijzen, dan wel niet ontvankelijk te verklaren, nu deze posten buitenproportioneel zijn en niet goed onderbouwd. Bovendien vormen deze posten een onevenredige belasting van het strafproces.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat door heropening van het onderzoek ter terechtzitting op 6 juni 2011 de aanvullende vordering van de benadeelde partij tijdig is ingediend. De heropening vond immers plaats omdat de vordering van de benadeelde partij niet ter terechtzitting was besproken en tevens was gebleken dat de benadeelde partij niet voor de zitting was opgeroepen. De rechtbank verwerpt dit verweer als gevoerd door de raadsman.

De rechtbank zal de benadeelde partij echter niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien niet is gebleken van een rechtsgeldige ondertekening door de gemachtigde [C]. Immers, blijkens de bij de vordering gevoegde machtiging dient naast de gemachtigde ook altijd een ander daartoe bevoegde persoon mede te ondertekenen. Nu dit niet is gebeurd, is de vordering van de benadeelde partij niet rechtsgeldig ondertekend en dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 3 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

diefstal, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 (HONDERDTACHTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover deze niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 77 (ZEVENENZEVENTIG) DAGEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, zolang die instelling zulks nodig acht alsmede dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht aanbiedt;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;

bepaalt dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. H. Steenhuis,voorzitter,

O.M. Harms en E.E. Schotte, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Janssens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2011.

Mr. Harms is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1* Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Daar waar verwezen wordt naar paginanummers wordt verwezen naar de paginanummers van de doorgenummerde bundel processen-verbaal, met bijlagen, van politie Hollands Midden met nummer PL1630 2010018261-1 (blz. 1 t/m 526).

2* Feit 1 primair tot en met meer subsidiair.

3* Feit 2 primair tot en met meer subsidiair.

4* Feit 3 primair tot en met meer subsidiair.

5* Een geschrift, te weten een aangifte van […] namens ABN AMRO bank, d.d. 17 februari 2010 opgemaakt, blz. 56 t/m 65.

6* Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 23 mei 2010.

7* Een geschrift, te weten een aangifte van […] namens ABN AMRO bank, d.d. 17 februari 2010 opgemaakt, blz. 56 t/m 65 alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 23 mei 2011.

8* Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 23 mei 2010.

9* Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 23 mei 2010; proces-verbaal van aangifte door [A], met bijlage gestolen goederen, d.d. 11 maart 2010, blz. 167 t/m 170.

10* Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2010, blz. 171-172.

11* Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 23 mei 2010.