Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7232

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
AWB 10/3982 WRO en 10/4006 WRO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV5062, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reguliere bouwvergunning eerste fase en vrijstelling ex art. 19.2 WRO voor oprichten 65 woningen te Moordrecht. Crisis- en herstelwet niet van toepassing, omdat bouwlan niet voldoet aan onder deel 3.1 van bijlage I en evenmin aan bijlage II, nu niet gebleken is dat het bouwplan onderdeel is van de integrale gebiedsontwikkeling in de Zuidplaspolder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 10/3982 WRO en 10/4006 WRO

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In de gedingen tussen

1. [A] en [B], wonende te [plaats], eisers,

2. [C], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde [D],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, verweerder.

Derde partij: [E] Projectontwikkeling B.V., gevestigd te Voorburg, vergunninghoudster, gemachtigde mr. A.G. van Keulen.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Moordrecht vergunninghoudster een reguliere bouwvergunning eerste fase en vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend ten behoeve van de bouw van 65 woningen aan de Koningin Julianastraat 99 te Moordrecht, kadastraal bekend, gemeente Moordrecht, sectie C, nummers 4769, 4910, 4911 en 4912.

Bij besluit van 20 april 2010, verzonden op 27 april 2010, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 4 maart 2010, het hiertegen door eisers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers sub 1 bij brief van 6 juni 2010, ingekomen bij de rechtbank op 7 juni 2010, beroep ingesteld (zaaknummer AWB 10/3982 WRO). De gronden zijn daarna aangevuld. Eiser sub 2 heeft tegen dit besluit bij brief van 7 juni 2010, ingekomen bij de rechtbank op 8 juni 2010, beroep ingesteld (zaaknummer AWB 10/4006 WRO).

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft bij brief van 5 oktober 2010 een nader stuk in geding gebracht.

De rechtbank heeft partijen schriftelijk een vraag gesteld. Partijen hebben hierop gereageerd.

Eisers en verweerder hebben nog enige stukken overgelegd.

De beroepen zijn op 7 april 2011 gevoegd ter zitting behandeld.

Eiseres [B] is in persoon verschenen, bijgestaan door [F] en [G].

Eiser sub 2 is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Waarma, R.S. Kolk en A. Polak. Namens vergunninghoudster is verschenen M. Pfaff, bijgestaan door mr. Van Keulen, voornoemd.

II OVERWEGINGEN

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de WRO ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd.

Aangezien het verzoek om vrijstelling dateert van 26 juni 2008 zijn nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat de aanvraag om bouwvergunning is ingediend na 1 juli 2008 en derhalve onder het regime van de na inwerkingtreding van de Wro gewijzigde Woningwet. Steun hiervoor kan worden gevonden in de geschiedenis van totstandkoming van de Invoeringswet Wro (Kamerstukken II 2006/07, 30 938, nr. 3, p. 66), waaruit blijkt dat de wetgever niet heeft aanvaard dat hangende het verzoek om vrijstelling het daarop toepasselijke recht wijzigt en de betekenis daaraan wordt ontnomen. Zie in die zin eveneens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in haar uitspraak van 17 maart 2010 (AB 2010,168, LJN: BM9384).

Het bouwplan voorziet in de bouw van 37 eengezinswoningen en 28 appartementen met bijbehorende voorzieningen nabij de Koningin Julianastraat 99 te Moordrecht, de zogenaamde Boslocatie.

Om te beginnen overweegt de rechtbank dat het bouwplan niet voldoet aan de omschrijving van onderdeel 3.1 van bijlage I bij artikel 1.1, eerste lid, van de Crisis- en Herstelwet (CHW), aangezien het bouwplan geen ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 of 3.3 van de Wro betreft. Evenmin valt het bouwplan te brengen onder de in bijlage II bij artikel 1.1, eerste lid, van de CHW genoemde projecten, waarin onder nummer A14 (Nota Ruimte) de Zuidplas-polder is genoemd, nu op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken is dat het bouwplan onderdeel is van de integrale gebiedsontwikkeling. De CHW is dan ook niet op het bestreden besluit van toepassing.

Eisers wonen aan de Koningin Julianastraat en het Westeinde te Moordrecht in de directe nabijheid van het bouwplan en hebben van uit hun woningen zicht op de bouwlocatie. Zij kunnen dan ook als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Landelijk Gebied" van de voormalige gemeente Moordrecht. Het betrokken perceel heeft de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de nadere aanduiding "bv". Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van beroeps en/of bedrijfsmatige activiteiten conform de subbestemming "Bedrijfsverzamelbouw (B(bv)) en zijn tevens toegelaten bij deze bestemming behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, erven, tuinen, groen- en parkeervoorzieningen, toegangspaden en water.

De totale grondoppervlakte van de gebouwen mag ingevolge artikel 5, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften niet meer bedragen dan per bouwvlak, met een bebouwings-percentage, op de kaart staat aangegeven. In dit geval 55. Onder d is bepaald dat de hoogte van de bedrijfsgebouwen maximaal 8 meter mag bedragen.

Voorts is ter plaatse van de aanduiding "*" een windturbine toegestaan.

Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met de doeleindenomschrijving van het geldende bestemmingsplan. Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist.

Voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO hebben gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening bij besluit van 9 oktober 2007 een lijst met categorieën van gevallen vastgesteld en op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze gepubliceerd in het provinciaal blad van Zuid-Holland nummer 96 van 24 oktober 2007. De lijst is opgesteld op basis van het provinciale ruimtelijk beleid, zoals neergelegd in de streekplannen en de Nota regels voor Ruimte.

Volgens die lijst kan het college van burgemeester en wethouders in een aantal limitatief opgesomde situaties vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen. Deze situaties betreffen

ontwikkelingen die voorkomen op de gebiedsgerichte lijst voor het gebied Zuidplas. Hierop is, voor zover van belang, vermeld het bouwen ten behoeve van de woonfunctie (woningen, woonzorgcentra, woonwagens, et cetera) - inclusief bij die functie behorende bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen (garages, carports, parkeerkelders, zwembaden et cetera) - en het omzetten van bestaande functies naar een woonfunctie in Stads- en dorpsgebied.

Eisers hebben gesteld dat het besluit van GS van 9 oktober 2007, betreffende ontwikkelingen voor het Zuidplasgebied, in strijd is met de afspraken uit 2004 die tussen verschillende bestuursorganen zijn gemaakt; volgens deze afspraken zou de provincie erop toe moeten zien dat in het veengebied ten zuiden van de A20 geen verdere verstedelijking of ontwikkeling van bedrijventerreinen meer zou plaats vinden. Deze grond kan geen doel treffen. Wat er ook zij van de reikwijdte van bedoelde afspraken, het besluit van GS van 9 oktober 2007 betreft blijkens de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2006 (AB 2006, 236, LJN: AX9458) een algemeen verbindend voorschrift, dat bepalend is voor de omvang en invulling van de bevoegdheid van burgemeester en wethouders om ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

Gelet op het vorenstaande kon verweerder voor dit geval zijn bevoegdheid ontlenen aan het besluit van 9 oktober 2007.

Het bepaalde in het eerste lid van artikel 19 van de WRO met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Krachtens het eerste lid van artikel 19 van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied. De aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen zijn minder zwaar, naarmate de inbreuk van het bouwplan ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend op de bestaande planologische situatie geringer is.

Het bouwplan maakt, gelet op de bebouwingsmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan ter plaatse reeds bood, naar het oordeel van de rechtbank een tamelijk grote inbreuk op het geldende planologische regime.

Blijkens de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan sluit de stedenbouwkundige opzet van het plan goed aan op de omgeving en de structuur van de woningen in de Ambonwijk. De drie blokken rijenwoningen van zeven liggen in dezelfde richting, de veertien twee onder een kap woningen staan langs de rand met het landelijk gebied en zorgen ervoor dat het groen de wijk in kan door de open structuur. De 28 appartementen in drie bouwlagen vormen een stedenbouwkundig accent aan de zuidzijde van het plangebied. De bebouwing wordt aangesloten op de Koningin Julianastraat door de weg te verlengen en door te trekken naar de vaart gelegen achter het Westeinde. Hierdoor krijgt de weg een meer open karakter ten opzichte van de bestaande situatie. De gekozen architectuur sluit wat de stijl betreft goed aan op de huidige bebouwing.

Door realisatie van het project bedraagt de toename van het verharde en bebouwde oppervlak 4788 m2. De compensatie voor deze toename dient 1150 m2 te zijn. Dit wordt bereikt door de sloot aan de zijde van de twee-onder-een-kap woningen substantieel te verbreden samen met de hoofdwatergang. Er zal hiermee 1200 m2 water worden toegevoegd aan het poldergebied, waarmee dan ook wordt voldaan aan de eis uit de Watertoets.

Er is blijkens het rapport van Van der Helm Milieubeheer van 23 juli 2008 verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. Voorts is door Groen Team een natuurtoets uitgevoerd (rapport van 9 september 2008) en door AV Consulting B.V een archeologisch onderzoek (rapport van 2 oktober 2008).

Anders dan eisers stellen kan uit het archeologisch onderzoek niet de conclusie worden getrokken dat het perceel slecht te gebruiken is voor woningbouw. Dit onderzoek is met name uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de specifieke archeologische verwachtings-waarde van het gebied en in hoeverre eventueel aanwezige archeologische waarden door toekomstige werkzaamheden worden bedreigd.

Omtrent de stelling van eisers dat het uitgevoerde verkennend milieukundig bodem-onderzoek gebrekkig is en gebaseerd op onvolledige dan wel onjuiste gegevens over het perceel overweegt de rechtbank dat het verkennend milieukundig bodemonderzoek ter beoordeling is voorgelegd aan de Milieudienst Midden Holland, die bij brief van 4 maart 2010 heeft meegedeeld dat op basis van het beoordeelde bodemonderzoek geen bodemhygiënische redenen aanwezig zijn die een beletsel of een beperking vormen ten aanzien van de beoogde bouwplannen.

Voorts hebben eisers aangevoerd dat het flora- en faunaonderzoek gebrekkig is uitgevoerd. Er had volgens hen vervolgonderzoek moeten plaatsvinden.

De rechtbank stelt vast dat eisers geen tegenadvies hebben overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Niet gebleken is dat genoemde onderzoeks-rapporten naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat verweerder deze niet - of niet zonder meer - aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag had mogen leggen.

Eisers hebben ten slotte gesteld dat de landschappelijke waarde wordt aangetast door het verdwijnen van beplanting. Blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende situatietekening zal het bouwplan met name aan de zijde waar eisers wonen landschappelijk worden ingepast door het aanplanten van drie verschillende soorten bomen en de aanplant van struiken.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat het bouwplan niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien.

Ten aanzien van de locatiekeuze overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 17 december 2003 (AB 2004, 130), het college dient te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat is aangevraagd. Indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven volgens de Afdeling slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Van een dergelijke situatie is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 31 augustus 2005, LJN: AU1794, heeft overwogen, alsmede gelet op het feit dat het project is gelegen binnen de bebouwings-contouren van de kern Moordrecht, kan geen aanspraak worden gemaakt op het behoud van vrij uitzicht. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat de aantasting van de privacy van de direct omwonenden door het aanbrengen van beplanting zal worden beperkt.

Gezien het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling.

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Wow, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend. De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet ingevolge het tweede lid van dit artikel worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d of e, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.

In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Aangezien geen van de andere in artikel 44, eerste lid, van de Wow genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder, gelet op dit artikellid in samenhang met artikel 56a, tweede lid, van de Wow, op goede gronden de gevraagde bouwvergunning eerste fase verleend.

De beroepen zijn ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.J. van den Bergh, mr. H.P.M. Meskers en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011.

IV RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.