Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7105

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
06-06-2011
Zaaknummer
AWB 11-11538, 11-11520, 11-11518, 11-11530, 11-11522, 11-11511, 11-11516, 11-11525 en 11-11535
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Grensdetentie / gezin met minderjarige kinderen / artikel 5 sub f EVRM / verblijfsomstandigheden / schadevergoeding.

In navolging van de eerdere uitspraak van 13 oktober 2010 (LJN: BO1314) is de rechtbank van oordeel dat het tenuitvoerleggen van de grensdetentie in het AC Schiphol ten aanzien van minderjarige asielzoekers op grond van het grensbewakingbelang zich niet verhoudt tot het vereiste van goede trouw. Dat het hier gaat om begeleide minderjarigen, maakt dit niet anders. Voorts blijkt uit het overlegformulier dat bij het indienen van de asielaanvragen was besloten om het gezin na de nadere gehoren in de verlengde asielprocedure op te nemen. De maatregel stond daarom ook onvoldoende in verband met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen. Nu de verblijfomstandigheden sinds de uitspraak van 13 oktober 2010 niet zijn gewijzigd overweegt de rechtbank opnieuw dat het AC Schiphol qua gebouw noch anderszins is aangepast aan het verblijf van minderjarige asielzoekers. De bewaring van de drie minderjarige asielzoekers was op grond van het voorgaande dan ook willekeurig. Beroepen gegrond in verband met strijd met art. 5 lid 1 sub f EVRM en toekenning van schadevergoeding.

De ouders en overige meerderjarige familieleden hebben niet onderbouwd waarom hun detentie in strijd was met art. 5 lid 1 sub f EVRM. Van een onrechtmatige detentie als gevolg van een scheiding van hun kinderen is voorts geen sprake nu deze scheiding zich feitelijk niet heeft voorgedaan. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 11/11538 (beroep eiser sub 1)

AWB 11/11520 (beroep eiseres sub 2)

AWB 11/11518 (beroep eiseres sub 3)

AWB 11/11530 (beroep eiseres sub 4)

AWB 11/11522 (beroep eiseres sub 5)

AWB 11/11511 (beroep eiser sub 6)

AWB 11/11516 (beroep eiseres sub 7)

AWB 11/11525 (beroep eiser sub 8)

AWB 11/11535 (beroep eiseres sub 9)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

1. [eiser 1], geboren op [geboortedatum] 1944, V-nr. [V-nr],

2. [eiseres 2], geboren op [geboortedatum] 1966, V-nr. [V-nr],

3. [eiseres 3], geboren op [geboortedatum] 1993, V-nr. [V-nr],

4. [eiseres 4], geboren op [geboortedatum] 1995, V-nr. [V-nr],

5. [eiseres 5], geboren op [geboortedatum] 1998, V-nr. [V-nr],

6. [eiser 6], geboren op [geboortedatum] 1988, V-nr. [V-nr],

7. [eiseres 7], geboren op [geboortedatum] 1992, V-nr. [V-nr],

8. [eiser 8], geboren op [geboortedatum] 1989, V-nr. [V-nr],

9. [eiseres 9], geboren op [geboortedatum] 1946, V-nr. [V-nr],

allen van (gestelde) Afghaanse nationaliteit, hierna ook te noemen eisers,

gemachtigde: mr. M. Spapens, advocaat te Amsterdam

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. T. Nauta, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Op 1 april is eisers op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eisers is op dezelfde datum de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 toegepast en op 2 april 2011 is eisers de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 opgelegd in het aanmeldcentrum (AC) Schiphol.

Bij beroepschrift van 4 april 2011 hebben eisers beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is tevens verzocht om toekenning van schadevergoeding.

Op 5 april 2011 hebben eisers aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Op 8 april 2011 zijn de ten aanzien van eisers opgelegde vrijheidsontnemende maatregelen opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 14 april 2011. Eisers zijn vertegenwoordigd door mr. M. Woudwijk, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eisers hebben zich – onder verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 28 maart 2011 (LJN: BQ0215) en deze rechtbank en zittingsplaats van 13 oktober 2010 (LJN: BO1314) – op het standpunt gesteld dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is en daartoe het volgende

– zakelijk weergegeven – aangevoerd.

De toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel is in strijd met artikel 5, aanhef en onder f, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat het AC Schiphol wat het gebouw betreft noch anderszins passend is voor minderjarigen. Naar de criteria van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) moet de oplegging daarom als willekeurig worden beschouwd. Voorts heeft verweerder in strijd met het vereiste van de goede trouw gehandeld door niet te bekijken of er alternatieven voorhanden zijn die minder belastend zijn voor de minderjarigen. Verweerder is ook op grond van de artikelen 22 en 37 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) gehouden om de nodige humanitaire bijstand te verlenen.

De toepassing van de maatregel ten aanzien van de meerderjarige gezinsleden moet bij afweging van de betrokken belangen ook onrechtmatig worden geacht, omdat zij een familie-eenheid vormen. Zij zijn tegelijkertijd ingereisd en hebben hetzelfde vluchtmotief.

2. Verweerder heeft het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd.

De oplegging en voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is rechtmatig. Het AC Schiphol voldoet als verblijfplaats voor minderjarigen. De voorzieningen aldaar zijn sinds de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 oktober 2010 weliswaar niet gewijzigd, maar voor zover in die uitspraak is geoordeeld dat de verblijfsomstandigheden voor alle minderjarigen ongeschikt zijn, deelt verweerder dat standpunt niet. Daarbij komt dat in dit geval sprake is van een gezin. Ouders en kinderen verblijven zowel overdag als ’s nachts zoveel mogelijk samen. Voor de kinderen is er ook voldoende ruimte om te spelen. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 28 maart 2011. Tenuitvoerlegging in een vrijheidsbeperkende locatie is geen optie, omdat in Ter Apel geen aanvragen worden afgehandeld van vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eventuele onrechtmatigheid van de maatregel ten aanzien van het jongste, dan wel de drie minderjarige kinderen, de oplegging van de maatregel ten aanzien van de meerderjarige vreemdelingen niet eveneens onrechtmatig maakt. In dat geval zou aansluiting worden gezocht bij het beleid bij toepassing van de maatregel van artikel 59 van de Vw 2000 en zouden de kinderen, onder begeleiding van één ouder op een andere locatie worden ondergebracht.

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder de maatregel na de indiening van het beroep heeft opgeheven. De rechtbank moet op dit moment beoordelen of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen.

4.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

f. in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

4.2 Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het IVRK nemen de Staten die partij zijn passende maatregelen om te waarborgen dat een kind dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit Verdrag.

Ingevolge artikel 37, aanhef en onder b, van het IVRK waarborgen de Staten die partij zijn dat geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur.

4.3. Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

4.4. Verweerder voert in paragraaf C12/2.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 het algemene beleid dat tot de maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 wordt besloten indien de asielaanvraag in de algemene asielprocedure in het AC Schiphol wordt afgedaan.

4.5. Vanaf 1 juli 2010 is het beleid inzake grensdetentie van gezinnen met minderjarige kinderen neergelegd in paragraaf C12/2.7 van de Vc 2000. Daarin is – voor zover thans van belang – vermeld:

“Indien een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is opgelegd aan een gezin met minderjarige kinderen geldt een maximale duur van twee weken. Indien de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is opgelegd en een asielaanvraag is ingediend, terwijl deze aanvraag binnen de algemene asielprocedure wordt afgedaan zal de vrijheidsontnemende maatregel kunnen worden toegepast gedurende de asielprocedure (…). De maatregel kan dan voortduren tot uiterlijk twee weken gerekend vanaf het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Ingeval er om een voorlopige voorziening is verzocht, waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het verzoek.”

Ten aanzien van de beroepen, genummerd AWB 11/11518, 11/11530 en 11/11522

5.1. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden, gelet op de conclusie op de laatste pagina, aldus dat de stelling dat de detentie in het AC Schiphol in strijd is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM ziet op alle drie minderjarigen, te weten eiseressen sub 3, 4 en 5 (hierna: eiseressen).

5.2. Volgens jurisprudentie van het EHRM, onder meer in het arrest van 29 januari 2008 inzake Saadi (LJN: BC6246) is detentie voorafgaande aan het verkrijgen van toestemming van een staat tot binnenkomst toegestaan, indien en voor zover dit in overeenstemming is met het algemene doel van artikel 5 van het EVRM. Volgens rechtsoverweging 67 van het Saadi-arrest is de enkele omstandigheid dat de detentie in overeenstemming is met nationale wet- en regelgeving onvoldoende om te oordelen dat deze in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f van het EVRM. Detentie mag daarnaast niet willekeurig geschieden. In rechtsoverweging 74 van het arrest noemt het EHRM vier criteria om te beoordelen of detentie van asielzoekers aan wie de toegang tot het grondgebied is geweigerd willekeurig is:

a. de detentie dient ‘te goeder trouw’ (‘in good faith’) te worden toegepast;

b. de detentie moet in nauw verband staan met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen;

c. de plaats en de verblijfsomstandigheden moeten passend zijn, in acht genomen dat de maatregel niet wordt toegepast op personen die strafbare feiten hebben begaan, maar op vreemdelingen die, vaak in vrees voor hun leven, vanuit hun land van herkomst zijn gevlucht; en

d. de duur van de detentie moet in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel.

6.1. Ten aanzien van de onder a en b genoemde vereisten van goede trouw en het verband tussen de maatregel en het doel overweegt de rechtbank het volgende.

6.2. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft overwogen, is zij van oordeel dat het ten uitvoer leggen van de maatregel in het AC Schiphol ten aanzien van minderjarige kinderen louter ter bescherming van het grensbewakingsbelang zich niet verhoudt tot het vereiste van goede trouw als hiervoor bedoeld.

Niet in geschil is voorts dat verweerder beschikt over alternatieven ten aanzien van het bewaken van het grensbelang. Zo kan verweerder besluiten om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, al dan niet in de vorm van beschermde opvang, waarbij de toegangsweigering gehandhaafd kan blijven. De stelling dat het praktisch onmogelijk is om de aanvragen in het AC Ter Apel af te doen, omdat de beslismedewerkers aldaar niet bevoegd zijn om aanvragen af te doen van vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, maakt dit niet anders. Overigens merkt de rechtbank op dat verweerder dit standpunt ook niet nader heeft onderbouwd en uit artikel 8:42 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 volgt enkel dat de aanvraag in het AC Schiphol moet worden ingediend, niet tevens dat de aanvraag alleen daar kan worden behandeld. Voorts is niet gesteld of gebleken dat verweerder voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000 specifiek heeft beoordeeld of in hun geval met een alternatief kon worden volstaan. Verweerder was daar naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 22 en 37 van het IVRK, wel toe gehouden. Voor zover verweerder heeft beoogd te stellen dat dit voor eiseressen anders is, nu zij worden begeleid door hun ouders, overweegt de rechtbank dat dit niet leidt tot een ander oordeel nu in de voornoemde artikelen van het IVRK geen onderscheid tussen begeleide en niet-begeleide kinderen wordt gemaakt.

6.3. Nu verweerder heeft volstaan met een verwijzing naar het grensbewakingsbelang en niet een specifiek op de situatie van eiseressen toegespitste belangenafweging heeft gemaakt –, heeft verweerder de grensdetentiemaatregel niet ‘te goeder trouw’ opgelegd. Dit klemt naar het oordeel van de rechtbank temeer nu de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van de Vw 2000, alsook de toegangsweigering, na de nadere gehoren van de ouders van eiseressen is opgeheven en daartoe blijkens het overlegformulier al was besloten op 4 april 2011 tijdens het overleg met de gemachtigde van eisers bij het indienen van de aanvraag. Dat deze toezegging onder voorbehoud zou zijn gedaan en afhankelijk zou zijn van hetgeen in de nadere gehoren van de ouders naar voren zou worden gebracht, is de rechtbank niet gebleken. De maatregel staat daarom naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende in verband met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen.

7.1. Ten aanzien van het onder c genoemde vereiste van passende plaats en verblijfsomstandigheden overweegt de rechtbank het volgende.

7.2. In de uitspraak van 13 oktober 2010 heeft deze rechtbank en zittingsplaats overwogen dat het AC Schiphol wat het gebouw betreft noch anderszins is aangepast aan het verblijf van minderjarige vreemdelingen. Nu de verblijfsomstandigheden nadien niet zijn gewijzigd, ziet de rechtbank geen aanleiding ten aanzien van eiseressen thans tot een ander oordeel te komen. Dat voornoemde uitspraak – anders dan het onderhavige geval – zag op een alleenstaande minderjarige vreemdeling en dat eiseressen zoveel mogelijk met hun ouders op een aparte kamer slapen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank vindt overigens steun voor dit oordeel in het arrest van 19 januari 2010 (Muskhadzhiyeva e.a., LJN: BL9430) waarin, het EHRM in rechtsoverweging 74 – zakelijk weergegeven – overwoog dat de omstandigheid dat de minderjarige kinderen tezamen met hun moeder werden gedetineerd niet afdoet aan de conclusies met betrekking tot ongeschiktheid van de verblijfsomstandigheden voor minderjarigen.

8. Nu de detentie naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw is toegepast, onvoldoende nauw in verband staat met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen en de plaats en verblijfsomstandigheden niet voldoen aan het verblijf van minderjarige vreemdelingen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de detentie van eiseressen willekeurig was te noemen als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM.

9. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel ten aanzien van eiseressen van meet af aan in strijd is geweest met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM. De rechtbank verklaart de beroepen, geregistreerd onder nummers AWB 11/11518, 11/11530 en 11/11522 dan ook gegrond.

10. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiseressen ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 80,-- per dag dat eiseressen op het AC-Schiphol ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen zijn geweest, in totaal € 1.440,--.

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseressen in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--, wegingsfactor 1). De beroepen van eiseressen zijn samenhangende zaken en worden beschouwd als één zaak als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

Ten aanzien van de beroepen, genummerd AWB 11/11538, 11/11520, 11/11511, 11/11516, 11/11525 en 11/11535

12. De rechtbank stelt voorop dat eisers niet hebben onderbouwd waarom de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel ten aanzien van de ouders van de minderjarige kinderen dan wel de overige familieleden in strijd is geweest met verweerders beleid dan wel artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM. Anders dan deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, in rechtsoverweging 2.19 van de door eisers aangehaalde uitspraak van 28 maart 2011, ziet de rechtbank niet zonder meer aanleiding voor een dergelijk oordeel.

13. De rechtbank volgt eisers voorts niet in hun betoog dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig was omdat de betrokken belangen ertoe noopten dat de familie-eenheid werd bewaard dan wel dat de ouders niet zouden mogen worden gescheiden van hun minderjarige kinderen. Nu de ouders nimmer van hun kinderen gescheiden zijn geweest is deze belangenafweging immers niet aan de orde is geweest. Ten aanzien van de overige familieleden geldt, daargelaten de vraag in hoeverre zij als een familie eenheid moeten worden aangemerkt, het voorgaande evenzeer.

14. De rechtbank verklaart derhalve de beroepen van de ouders en de overige familieleden ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

in de zaken, geregistreerd onder de nummers AWB 11/11518, 11/11530 en 11/11522,

- verklaart de beroepen gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 1.440,-- (zegge: veertienhonderdveertig euro), te betalen aan eiseressen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag groot € 874,-- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

In de zaken, geregistreerd onder de nummers AWB 11/11538, 11/11520, 11/11511, 11/11516, 11/11525 en 11/11535,

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.B.C. van der Veer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2011.

Afschrift verzonden op:

Conc.: JV

Coll: AS

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.