Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7083

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
06-06-2011
Zaaknummer
Awb 11 / 16020
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring; China; geen redelijk vooruitzicht op verwijdering.

De rechtbank beoordeelt of het redelijk vooruitzicht op verwijdering van Chinese vreemdelingen naar de huidige stand van zaken, dus met inachtneming van de drie overleggen die sinds 11 november 2010 hebben plaatsgevonden, nog steeds aanwezig is. De rechtbank acht daarbij niet alleen van belang dát deze overleggen hebben plaatsgevonden, maar ook of verweerder op basis van deze overleggen een concreet aanknopingspunt kan presenteren aan de hand waarvan het redelijk vooruitzicht op verwijdering van Chinese vreemdelingen naar China kan worden gestaafd. De rechtbank overweegt dat het oordeel om het redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China tot op heden aanwezig te achten, stoelde op de overwegingen dat de voortgaande overleggen dit vooruitzicht in stand zouden houden en concreter zouden kunnen maken. Op basis van de informatie die de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gegeven, is de rechtbank thans van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen aantonen dat dit het geval is geweest. Dit ondanks de inspanningen die verweerder heeft verricht in de richting van de Chinese autoriteiten. Het tijdsverloop sinds 11 november 2010, de resultaten van de drie overleggen die nadien hebben plaatsgevonden en het voornemen tot een nader overleg hebben er niet aan bijgedragen dat het redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China onverkort aanwezig kan worden geacht, laat staan dat één en ander ertoe heeft geleid dat dit vooruitzicht concreter is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/16020

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 mei 2011

inzake

[de vreemdeling], geboren op [geboortedatum],

van Chinese nationaliteit,

verblijvende te Zaandam in de penitentiaire inrichting (detentieplatform),

eiser,

gemachtigde mr. L. de Roode,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde S. Faddach.

Procesverloop

Op 17 maart 2011 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 4 april 2011 en 3 mei 2011 zijn eerdere beroepen strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard.

De gemachtigde van eiser heeft op 10 mei 2011 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming en heeft verder om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 12 mei 2011 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd bij faxbericht van 12 mei 2011.

De meervoudige kamer heeft de zaak behandeld ter zitting van 24 mei 2011, waar eiser

is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Namens eiser is - kort weergegeven - aangevoerd dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China bestaat.

2. In haar uitspraak van 18 april 2011, LJN: BQ2719, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) overwogen dat het laatste contact namens verweerder met de Chinese autoriteiten heeft plaatsgevonden op

11 november 2010. Bij dat overleg zijn het algemene verloop van het laissez-passerproces en lopende aanvragen om een laissez passer aan de orde geweest. De inspanningen van verweerder hebben vervolgens geresulteerd in een afspraak tot een persoonlijk onderhoud tussen verweerder en de Chinese ambassadeur. Dit onderhoud was aanvankelijk gepland in februari 2011, maar zou worden verplaatst naar maart 2011. In het licht van deze voortgang en in afwachting van de uitkomst van dit onderhoud heeft de Afdeling geoordeeld dat er geen grond is voor het oordeel dat het redelijk vooruitzicht op verwijdering van Chinese vreemdelingen naar China ontbreekt. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat twee laissez-passeraanvragen van gedocumenteerde Chinese vreemdelingen nog in behandeling zijn bij de Chinese autoriteiten.

3. Op basis van informatie van de gemachtigde van verweerder ter zitting stelt de rechtbank vast dat er sinds 11 november 2011 drie overleggen zijn geweest met de Chinese autoriteiten. Het persoonlijk onderhoud tussen verweerder en de Chinese ambassadeur dat eind februari 2011 zou plaatsvinden, heeft uiteindelijk op 22 maart 2011 plaatsgevonden. Vervolgens is in april 2011 (in week 16) op ambtelijk niveau gesproken met de Chinese ambassade. Het derde overleg was op 4 mei 2011, toen op hoog ambtelijk niveau wederom is overlegd met de Chinese ambassade. Tijdens deze drie overleggen is gesproken over de voortgang van het laissez-passerproces en zijn de lopende laissez-passeraanvragen onder de aandacht gebracht van de Chinese autoriteiten.

4. In het licht van het voortgaande proces van overleg tussen verweerder en de Chinese autoriteiten is de rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, met de Afdeling tot op heden van oordeel geweest dat het redelijk vooruitzicht op verwijdering van Chinese vreemdelingen naar China aanwezig was. De rechtbank merkt daarbij op dat zij bij dat oordeel de meest recente ontwikkelingen niet heeft betrokken. Ook de Afdeling heeft dat nog niet gedaan. Zo heeft de Afdeling in haar hiervoor genoemde uitspraak van 18 april 2011 slechts aangehaald dat er in maart 2011 een overleg zou plaatsvinden, maar heeft zij zich over de resultaten van dat overleg niet uitgelaten. Verder heeft de Afdeling bij uitspraak van 17 mei 2011 (zaaknummer 201101051/1/V3, ter zitting overgelegd en nog niet gepubliceerd) weliswaar ook geoordeeld dat het redelijk vooruitzicht op verwijdering van Chinese vreemdelingen naar China niet ontbreekt, maar in dat verband heeft zij enkel verwezen naar haar uitspraak van 18 april 2011. De Afdeling heeft er dus geen blijk van gegeven dat zij in haar uitspraak van 17 mei 2011 de overleggen van april 2011 en 4 mei 2011 heeft betrokken.

5. De rechtbank zal thans beoordelen of dit redelijk vooruitzicht naar de huidige stand van zaken, dus met inachtneming van de drie overleggen die sinds 11 november 2010 hebben plaatsgevonden, nog steeds aanwezig is. De rechtbank acht daarbij niet alleen van belang dát deze overleggen hebben plaatsgevonden, maar ook of verweerder op basis van deze overleggen een concreet aanknopingspunt kan presenteren aan de hand waarvan het redelijk vooruitzicht op verwijdering van Chinese vreemdelingen naar China kan worden gestaafd.

6. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting meegedeeld dat het overleg van 4 mei 2011 heeft geresulteerd in het voornemen om tot een nieuw overleg te komen. Volgens de gemachtigde van verweerder geven de Chinese autoriteiten er aldus blijk van dat zij welwillend staan tegenover het op geregelde basis voortzetten van het overleg met verweerder over het laissez-passervraagstuk. Blijkens de verklaringen ter zitting van de gemachtigde van verweerder is er echter nog geen datum vastgesteld waarop het overleg wordt voortgezet. Evenmin is er, aldus de gemachtigde van verweerder, op dit moment sprake van enige concrete toezegging door de Chinese autoriteiten met betrekking tot het verstrekken van laissez passer.

7. De rechtbank overweegt dat het oordeel om het redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China tot op heden aanwezig te achten, stoelde op de overwegingen dat de voortgaande overleggen dit vooruitzicht in stand zouden houden en concreter zouden kunnen maken. Op basis van de informatie die de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft gegeven, is de rechtbank thans van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen aantonen dat dit het geval is geweest. Dit ondanks de inspanningen die verweerder heeft verricht in de richting van de Chinese autoriteiten. Het tijdsverloop sinds 11 november 2010, de resultaten van de drie overleggen die nadien hebben plaatsgevonden en het voornemen tot een nader overleg hebben er niet aan bijgedragen dat het redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China onverkort aanwezig kan worden geacht, laat staan dat één en ander ertoe heeft geleid dat dit vooruitzicht concreter is geworden.

8. Tegen deze achtergrond is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang de vraag of eiser in voldoende mate meewerkt aan het onderzoek.

9. Gelet hierop is de rechtbank thans van oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China meer bestaat. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Ten aanzien van de vraag vanaf welk moment sprake de bewaring onrechtmatig is geworden, oordeelt de rechtbank dat verweerder in aansluiting op het laatste (vooralsnog vruchteloze) overleg van 4 mei 2011 een korte periode kon worden gegund om zich te beraden over te nemen vervolgstappen. Gelet hierop zal de bewaring met ingang van 10 mei 2011 onrechtmatig worden geacht. De rechtbank zal met ingang van heden de opheffing van de bewaring bevelen.

10. De rechtbank ziet aanleiding voor het verzoek om schadevergoeding voor ten onrechte in bewaring doorgebrachte tijd toe te kennen. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 80,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

11. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te 25 mei 2011, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding. Eiser komt mitsdien een schadevergoeding toe van

15 x € 80,00 = € 1.200,00.

12. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

13. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

14. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de

Vw 2000 van eiser met ingang van heden, 25 mei 2011;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van verweerder, ten bedrage van € 1.200,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. C.F.E. van Olden-Smit, voorzitter, mr. R.J.A. Schaaf en

mr. J.M.H. Rijken-Lie, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van

W.G.M. de Boer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.

De voorzitter van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.200,00 (ZEGGE: TWAALFHONDERD EURO)

Aldus gedaan op 25 mei 2011 door mr. C.F.E. van Olden-Smit.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: