Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6757

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
10-17614
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW4347, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In aanvulling op de eerder bekend gemaakte bronnen van de UNHCR-Note heeft de UNHCR in de hiervoor weergegeven reactie van 4 oktober 2010 de bronnen genoemd die ten grondslag liggen aan de UNHCR-Note, alsmede het aanbod gedaan om samenvattingen van de gehouden interviews beschikbaar te stellen en de namen van de geraadpleegde bronnen in Afghanistan aan de rechtbank mee te delen indien de rechtbank vertrouwelijkheid garandeert. Gelet hierop en gelet op het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 24 september 2009, waarbij aan het niet kunnen inzien van de onderliggende bronnen doorslaggevende betekenis is toegekend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, zonder nadere motivering niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de UNHCR-Note nog immer niet kan worden aangemerkt als concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht.

Anders dan nevenzittingsplaats Amsterdam in de uitspraak van 22 februari 2011 heeft overwogen, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de reactie van de UNHCR van 4 oktober 2010 onder 2, 4 en 5 dat niet enkel voormalige medewerkers van de KhAD/WAD zijn geraadpleegd bij de totstandkoming van de UNHCR-Note, maar tevens diverse wetenschappers en medewerkers van de Verenigde Naties. Voorts valt zonder nadere motivering niet in te zien dat dit geen objectieve en betrouwbare bronnen betreffen. Ten aanzien van de (voormalig) medewerkers van de KhAD/WAD overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat het (voormalig) medewerkers van de KhAD/WAD betreft niet maakt dat de bronnen reeds daarom als niet objectief en betrouwbaar zouden kunnen worden aangemerkt en/of aan hun verklaringen geen waarde kan worden gehecht. Een dergelijk standpunt zou, naar het oordeel van de rechtbank, eerst ingenomen kunnen worden na kennisname van de door de UNHCR aangeboden samenvattingen van de gehouden interviews, beoordeeld in samenhang met de overige beschikbare informatie. Ten aanzien van de door de UNHCR geraadpleegde wetenschappers en medewerkers van de Verenigde Naties valt, zonder nadere motivering, evenmin in te zien dat deze personen niet als objectief en betrouwbare bronnen kunnen worden aangemerkt. Dat het onderzoek door de UNHCR heeft plaatsgevonden in de periode 2001-2008, zoals door nevenzittingsplaats Amsterdam van belang is geacht, doet daar evenmin aan af. Blijkens de reactie van de UNHCR van 4 oktober 2010 zijn ook documenten vanaf 1984 onderzocht. Bovendien zou het standpunt dat enkel onderzoek verricht tijdens de periode waarop het ambtsbericht ziet een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht zou kunnen bieden, eiser in een onmogelijke bewijspositie brengen.

De omstandigheid dat de UNHCR bij de reactie nog geen nadere achterliggende informatie heeft overgelegd, laat onverlet dat de UNHCR het aanbod heeft gedaan om samenvattingen van de gehouden interviews beschikbaar te stellen en de namen van de geraadpleegde bronnen in Afghanistan aan de rechtbank mee te delen indien de rechtbank vertrouwelijkheid garandeert. Verweerder heeft, gelet daarop, zijn standpunt dat geen sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht, niet zonder nadere motivering kunnen handhaven.

Nu de tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en de ongewenstverklaring van eiser worden gedragen door het ambtsbericht, en hiervoor is geoordeeld dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kan stellen dat met de UNHCR-Note geen sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dit ambtsbericht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hierin geen aanleiding wordt gezien de ongewenstverklaring van eiser op te heffen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 17614 (beroep)

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 mei 2011

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. L. Sinoo, advocaat te Utrecht,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. Ch. R. Vink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 30 oktober 2008 een verzoek ingediend tot opheffing van de ongewenstverklaring. Verweerder heeft het verzoek bij besluit van 30 september 2009 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de rechtbank gevraagd om het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 14 september 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, het verzoek toegewezen in die zin dat verweerder wordt gelast de uitzetting achterwege te laten tot vier weken nadat is beslist op het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring, alsmede tot op het beroep van 27 augustus 2009 is beslist (AWB 09/30223). Bij besluit van 20 april 2010 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 31 maart 2011. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 Op grond van de stukken van de zaak en de zitting staat, voor zover thans van belang, het volgende vast. Eiser is naar eigen zeggen op 22 mei 1998 Nederland binnengekomen. Op 23 mei 1998 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 1 februari 1999 afgewezen en aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend.

Verweerder heeft bij besluit van 19 maart 2004 eisers verblijfsvergunning ingetrokken omdat, gelet op eisers verklaring dat hij in de periode van 1983 tot en met zijn arrestatie in 1996 werkzaam is geweest voor de KhAD/WAD in de rang van officier en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 (het ambtsbericht), het bepaalde in artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) op eiser van toepassing wordt geacht. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 26 januari 2005 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, gegrond verklaard (AWB 04/16929).

Verweerder heeft bij besluit van 15 september 2006 de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken en eiser tevens ongewenst verklaard, omdat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing wordt geacht. Bij terugkeer loopt eiser geen reëel risico in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het besluit is voorts niet in strijd met artikel 8 EVRM. Het tegen de intrekking van de verblijfsvergunning ingestelde beroep is bij uitspraak van 7 mei 2007 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard (AWB 06/45753). Verweerder heeft het bezwaar tegen de ongewenstverklaring bij besluit van 1 juni 2007 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 5 september 2008 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, gegrond verklaard vanwege schending van de hoorplicht met instandhouding van de rechtsgevolgen (AWB 07/25947).

Eiser heeft op 27 april 2009 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke handeling tot uitzetting en gelijktijdig verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 3 juni 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam het verzoek toegewezen (AWB 09/15403). Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 27 augustus 2009 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 12 april 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, het beroep gegrond verklaard (AWB 09/31171).

2.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt gesteld. Eiser komt niet in aanmerking voor opheffing van de ongewenstverklaring. Eiser heeft niet tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland verbleven. Er is voorts niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot opheffing van de ongewenstverklaring nopen.

2.3 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet op grond van artikel 6.6 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) in aanmerking komt voor opheffing van de ongewenstverklaring.

2.4 Eiser heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van een uitzonderlijke situatie die moet leiden tot opheffing van de ongewenstverklaring.

2.5 Zoals ter zitting door eisers gemachtigde is toegelicht, heeft eiser in dit kader in de eerste plaats aangevoerd dat verweerder ten onrechte het bepaalde in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing heeft geacht, hetgeen tot opheffing van de ongewenstverklaring dient te leiden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar uitspraken van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 17 december 2010 (AWB 09/2422) en nevenzittingsplaats Amsterdam van 22 februari 2010 (AWB 06/24277) en de daarin genoemde stukken. Zo is in laatstgenoemde uitspraak onder meer verwezen naar de “Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978-1992” van de UNHCR van 13 mei 2008 (UNHCR-Note) en een reactie van de UNHCR van 4 oktober 2010.

2.6 In A5/4.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is neergelegd dat zich uitzonderlijke gevallen kunnen voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling dient te prevaleren voordat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. Het algemeen belang van de Staat kan alleen wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden van het individuele geval die bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens) niet zijn betrokken.

Als uitgangspunt geldt dat slechts in de volgende drie situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen: a. familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM; b. verbod tot uitzetting in verband met artikel 3 EVRM; c. toepasselijkheid van artikel 3.105b of artikel 3.105e Vb.

2.7 Gelet op de inhoud van het besluit in primo, het bestreden besluit, alsmede de door de gemachtigde van verweerder gegeven toelichting ter zitting, stelt verweerder zich op het standpunt dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die nopen tot opheffing van de ongewenstverklaring mede dient te worden betrokken de vraag of sprake is van feiten en/of omstandigheden, in casu met betrekking tot de toepassing van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag, waaruit blijkt dat het besluit tot ongewenstverklaring ten onrechte genomen is. De rechtbank zal die vraag derhalve bij de beoordeling betrekken.

2.8 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het aangevoerde met betrekking tot de toepassing van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag geen aanleiding wordt gezien voor het opheffen van de ongewenstverklaring omdat verweerder nog immer van mening is dat het bepaalde in artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op goede gronden op eiser van toepassing is geacht.

2.9 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft onder meer in haar uitspraak van 24 september 2009 (LJN BJ8654) geoordeeld dat verscheidene passages in de UNHCR-Note op relevante onderdelen andere informatie bevatten dan hetgeen in het ambtsbericht is vermeld. De Afdeling is daarbij van oordeel dat informatie afkomstig van een gezaghebbende organisatie als de UNHCR in de regel met bijzondere aandacht in de beschouwingen dient te worden betrokken, maar dat aan de UNHCR-Note geen doorslaggevende betekenis toekomt nu geen inzicht is geboden in de bronnen die aan de in de notitie vervatte informatie ten grondslag zijn gelegd. Hierdoor was volgens de Afdeling niet inzichtelijk in hoeverre de bronnen van de UNHCR-Note kunnen worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar.

2.10 In de procedure die tot voormelde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam heeft geleid, heeft de UNHCR bij brief van 4 oktober 2010 antwoord gegeven op de door de rechtbank aan de UNHCR gestelde vragen over de bronnen die ten grondslag hebben gelegen aan de UNHCR-Note. In de reactie van de UNHCR is het volgende opgenomen ten aanzien van de bronnen die door de UNHCR zijn geraadpleegd en waarop de UNHCR-Note is gebaseerd.

1. Which sources were consulted?

Below is an overview of sources that were consulted.

A. KhAD/WAD Professional and Permanent Staff:

KhAD/WAD Directorate/Section Military Rank

Political Directorate Lieutenant-Colonel (officer)

Anti-Rebellion Directorate Colonel (officer)

Anti-Rebellion Directorate Lieutenant-Colonel (officer)

Economy and Anti-Corruption Directorate Colonel (officer)

Directorate for Foreign Diplomatic Missions in AFG and AFG Missions abroad Lieutenant-Colonel (officer)

Directorate for Foreign Diplomatic Missions in AFH and AFG Missions abroad Brigadier-General (officer)

Finance Directorate (Head of Finance Directorate) General (officer)

B. Military Service within the Security Structures of the Government including KhAD/WAD (Presidential Directive 041/Najibullah Regime). These officers conducted their military services with the KhAD/WAD. According to the respective assignments. These officers were also known as the “041 Afzar” or the “Officers 041”, as their services were regulated by the Presidential Directive 041, under the rule of President Najibullah.

Directorate of Press and Education 3e Lieutenant (reserve officer)

Political Directorate 3e Lieutenant (reserve officer)

Prosecutor’s office (Seconded to KhAD/WAD from the General Office if the Prosecutor during military service) 3e Lieutenant (reserve officer)

2. In which period did UNHCR conduct its research? Did UNHCR conduct research before 29 February 2000?

(…). As stated in the “Note on the Structure and Operation of the KhAD/WAD in Afghanistan 1978-1992” the Note was prepared by UNHCR using information gathered from its research into the KhAD/WAD over the previous seven years (2001-2008). Including recent interviews with knowledgeable sources. These include persons who had been associated with KhAD/WAD at the time. The Note clarifies that discussions had taken place with one leading academic expert on Afghanistan and sources within the KhAD/WAD.

UNHCR searched the documents issued by Mr. F. Ermecora, the UN Special Rapporteur for Afghanistan from 1984 onwards, in order to find out if these contained any allusions to a rotation policy within the Khad/WAD. Documents issued by Human Rights Watch and Amnesty International before February 2000 were also studied.

3. Were interviews documented? Under which conditions would you consent to allow the Court access to the referred documents?

Notes were made by UNHCR during the interviews. These notes are internal and subject to confidentiality assurances made at the time of the interviews. Sharing the results of these interviews would call into question such assurances. Summaries of the interviews can made available. The interviews were not recorded on tape.

4. What kind of more general information has been collected over the years? Under which conditions would you consent to allow the Court access to these documents?

As referred to in the response to question 2 above, UNHCR gathered all kinds of available human rights information on Afghanistan. These documents are all in the public domain.

5. What kind of additional efforts have been undertaken?

In the summer of 2008 (and there after) UNHCR, contacted the following experts of Afghanistan: Prof. Amin Saikel, Australia; Antonio Donino, Tufts University (former UNDP Afghanistan); Farid Zarif (UN Sudan); Darka Topali, UN centre for Human Rights (previously assistant of Professor Felix Ermacora); Patricia Gossman (previously Human Rights Watch). None of them was able to confirm that KhAD/WAD used a rotation policy.

Subsequent to the May 2008 report, UNHCR established contact in the summer of 2010 with a former KhAD/WAD officer now working as a senior official in the Government of Afghanistan’s National Security Council (NSC). The officer had joined the International Relation’s Department of KhAD/WAD immediately after his graduation in 1985. He categorically refused – as have all our other KhAD/WAD sources – the Dutch Government’s allegations of a rotation policy. He gave many concrete examples, his own career within the service being one. He also drew attention to the large number of former KhAD/WAD personnel working in the KhAD/WAD’s successor organization, the National Directorate for Security (NDS), including a number of senior officials who held the same positions as they did during the KhAD/WAD period.

Two further high-level sources within the Presidential Security Service and the NSC were also consulted. These sources had introduced UNHCR to the former KhAD/WAD officer referred above. During these meetings, an offer was made to negotiate UNHCR access to current NDS personnel who also served during the KhAD/WAD period to demonstrate the absence of any rotation policy. UNHCR is following up on the issue with NDS in order to generate additional documented evidence and to establish new ex-KhAD/WAD sources within the NDS. UNHCR would be willing to share the results of this research and additional interviews once they have been completed.

6. Would it be possible, after receiving the answers to the above questions, to call upon someone from your organization to testify about the conception of the aforementioned Note?

(…).

As UNHCR understands that this letter will be shared with the parties involved in this case, we have refrained from mentioning the names of our sources in Afghanistan or from including any other information that may identify them. UNHCR may be able to share such information with the court provided assurances of confidentiality are provided to the UNHCR by the Court. (…).

2.11 In aanvulling op de eerder bekend gemaakte bronnen van de UNHCR-Note, waarover de Afdeling zich reeds heeft uitgelaten in voormelde uitspraak, en op de - in eerdergenoemd uitspraak van de rechtbank van 17 december 2010 genoemde - brief van 9 juli 2010 van G. Westerveen, deputy regional representative van UNHCR, waarin te raadplegen bronnen genoemd worden, heeft de UNHCR in de hiervoor weergegeven reactie van 4 oktober 2010 de bronnen genoemd die ten grondslag liggen aan de UNHCR-Note, alsmede het aanbod gedaan om samenvattingen van de gehouden interviews beschikbaar te stellen en de namen van de geraadpleegde bronnen in Afghanistan aan de rechtbank mee te delen indien de rechtbank vertrouwelijkheid garandeert. Gelet hierop en gelet op het oordeel van de Afdeling in de uitspraak van 24 september 2009, waarbij aan het niet kunnen inzien van de onderliggende bronnen doorslaggevende betekenis is toegekend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, zonder nadere motivering niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de UNHCR-Note nog immer niet kan worden aangemerkt als concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. Verweerders standpunt, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam van 22 februari 2011, dat de UNHCR-Note niet als concreet aanknopingspunt voor twijfel kan worden aangemerkt nu de bronnen zonder uitzondering (voormalig) medewerkers van de KhAD/WAD betreffen, het door de UNHCR verrichte onderzoek - met uitzondering van de informatie van Mr. F. Ermecora - heeft plaatsgevonden ruim na de relevante periode waarop het ambtsbericht ziet en de UNHCR geen nadere achterliggende informatie heeft kunnen verschaffen, volgt de rechtbank zonder nadere motivering niet. Voor dit oordeel is het volgende van belang. Anders dan nevenzittingsplaats Amsterdam in de uitspraak van 22 februari 2011 heeft overwogen, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de hiervoor opgenomen reactie van de UNHCR van 4 oktober 2010 onder 2, 4 en 5 dat niet enkel voormalige medewerkers van de KhAD/WAD zijn geraadpleegd bij de totstandkoming van de UNHCR-Note, maar tevens diverse wetenschappers en medewerkers van de Verenigde Naties. Voorts valt zonder nadere motivering niet in te zien dat dit geen objectieve en betrouwbare bronnen betreffen. Ten aanzien van de (voormalig) medewerkers van de KhAD/WAD overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat het (voormalig) medewerkers van de KhAD/WAD betreft niet maakt dat de bronnen reeds daarom als niet objectief en betrouwbaar zouden kunnen worden aangemerkt en/of aan hun verklaringen geen waarde kan worden gehecht. Een dergelijk standpunt zou, naar het oordeel van de rechtbank, eerst ingenomen kunnen worden na kennisname van de door de UNHCR aangeboden samenvattingen van de gehouden interviews, beoordeeld in samenhang met de overige beschikbare informatie. Ten aanzien van de door de UNHCR geraadpleegde wetenschappers en medewerkers van de Verenigde Naties valt, zonder nadere motivering, evenmin in te zien dat deze personen niet als objectief en betrouwbare bronnen kunnen worden aangemerkt. Dat het onderzoek door de UNHCR heeft plaatsgevonden in de periode 2001-2008, zoals door nevenzittingsplaats Amsterdam van belang is geacht, doet daar evenmin aan af. Blijkens de reactie van de UNHCR van 4 oktober 2010 zijn ook documenten vanaf 1984 onderzocht. Bovendien zou het standpunt dat enkel onderzoek verricht tijdens de periode waarop het ambtsbericht ziet een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht zou kunnen bieden, eiser in een onmogelijke bewijspositie brengen.

De omstandigheid dat de UNHCR bij de reactie nog geen nadere achterliggende informatie heeft overgelegd, laat onverlet dat de UNHCR het aanbod heeft gedaan om samenvattingen van de gehouden interviews beschikbaar te stellen en de namen van de geraadpleegde bronnen in Afghanistan aan de rechtbank mee te delen indien de rechtbank vertrouwelijkheid garandeert. Verweerder heeft, gelet daarop, zijn standpunt dat geen sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht, niet zonder nadere motivering kunnen handhaven.

2.12 Nu de tegenwerping van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en de ongewenstverklaring van eiser worden gedragen door het ambtsbericht, en hiervoor is geoordeeld dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kan stellen dat met de UNHCR-Note geen sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dit ambtsbericht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hierin geen aanleiding wordt gezien de ongewenstverklaring van eiser op te heffen.

2.13 De rechtbank zal het beroep reeds hierom gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12 Awb. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

2.14 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.15 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.16 Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiser;

3.5 draagt verweerder op € 150,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, voorzitter en mrs. H.C. Greeuw en S.W.S. Kiliç, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.