Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6309

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
AWB 11/13071
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is afkomstig uit Mogadishu. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiser vanwege zijn persoonlijke, individuele problemen niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG. Niet in geschil is dat in Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in die bepaling. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser desondanks ook op deze grond niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat hij een vestigingsalternatief heeft in Centraal- en Zuid-Somalië.

De rechtbank acht dit standpunt onvoldoende gemotiveerd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedoelde gebieden kunnen worden bereikt en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser daar een leven kan leiden onder omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/13071

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

geboren op [1986],

van Somalische nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. P.J.J.A. Hendriks, advocaat te Deurne,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Buisman, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2011 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 14 april 2011 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 2 mei 2011, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna:

Vw 2000), voor zover thans van belang, kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij hij aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.1.1 In artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna:

VV 2000) is bepaald dat bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 geldt dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 bestaat en van de vreemdeling redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft.

Ingevolge het tweede lid wordt bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden voldoet, rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen.

Ingevolge het derde lid kan het eerste lid van toepassing zijn ondanks het bestaan van technische belemmeringen om terug te keren naar het land van herkomst.

2.1.2 In paragraaf C4/2.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) is het volgende bepaald:

“Aangenomen wordt, dat wanneer de vervolging of de dreiging van een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 uitgaat van de centrale overheid of van aan de overheid gelieerde organisaties, van een binnenlands vlucht- dan wel vestigingsalternatief in beginsel geen sprake kan zijn. Een uitzondering is mogelijk in de situatie waarin de overheid nog maar in een beperkt gebied feitelijk de macht uitoefent. Voorts kan sprake zijn van een vlucht- of vestigingsalternatief, indien de vervolging uitgaat van de lokale overheden en de centrale autoriteiten elders wel bescherming bieden, of in de situatie dat bescherming niet wordt geboden door de overheid maar door derden.

Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief, wordt op grond van artikel 3.37d, tweede lid, van het VV 2000 rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen. In de volgende gevallen kan in redelijkheid van de vreemdeling worden verwacht dat hij zich naar elders in het land van herkomst begeeft:

a. het gaat om een gebied waar voor de vreemdeling geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat;

b. de vreemdeling kan op veilige wijze toegang tot dat gebied verkrijgen; en

c. de vreemdeling kan zich in het gebied vestigen en van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft.”

2.1.3 Ingevolge het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Somalië, zoals gewijzigd bij besluit van verweerder van 9 december 2010, nr. 2010/19, inhoudende wijziging van de

Vc 2000 (Stcrt. 15 december 2010, nr. 20322), gaat verweerder er vanuit dat in Mogadishu sprake is van een uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn van de Raad van 29 april 2004, nr. 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (Pb EU nr. L304, hierna: Richtlijn). Voorts is in dit beleid – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“7.2 Vlucht- en/of vestigingsalternatief

[…]

Gelet op de bijzondere positie waarin niet-Somali minderheden […], alleenstaande vrouwen en alleenstaande minderjarigen in Centraal- en Zuid-Somalië verkeren, wordt ten aanzien van een vreemdeling behorende tot één van deze groepen in de regel aangenomen dat er geen sprake kan zijn van een vestigingsalternatief in Centraal- en Zuid-Somalië.

[…]

Ten aanzien van asielzoekers afkomstig uit Mogadishu, niet behorend tot bovengenoemde groepen, wordt er in beginsel van uitgegaan dat een vestigingsalternatief in Centraal- Zuid-Somalië aanwezig is als de gevreesde dreiging voor een onmenselijke behandeling enkel een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn in Mogadishu.

De toets of er in dat geval sprake is van een vestigingsalternatief zal, met inachtneming van het beleid inzake het vestigingalternatief (C4/2.3), op individuele basis plaatsvinden. Dit betekent dat indien de asielzoeker aannemelijk maakt dat het reizen naar en/of het toegang verkrijgen tot een gebied buiten Mogadishu niet tot de mogelijkheden behoort, of van hem/haar redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij/zij verblijft in een gebied buiten Mogadishu, de asielzoeker in aanmerking kan komen voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.”

2.2 Eiser heeft aan zijn asielrelaas, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is afkomstig uit Mogadishu, Somalië en behoort tot de Hawiye bevolkingsgroep. Al-Shabab heeft hem gedwongen zijn studio te sluiten. Daarna is hij in de winkel van zijn vader gaan werken. Op een avond kwamen mannen van Al-Shabab in deze winkel om eiser te vragen of hij zich bij hen wilde aansluiten. Eiser vroeg één à twee dagen bedenktijd. Zijn vader gaf hem het advies zich niet bij hen aan te sluiten en heeft hem naar het huis van een oom gebracht. Na een verblijf van een maand bij zijn oom is eiser op 6 maart 2011 uit Somalië vertrokken.

2.3 Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat hij geen documenten heeft overgelegd om zijn reisroute te kunnen vaststellen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser op het moment dat hij het door hem gebruikte paspoort afstond aan zijn reisagent reeds in Nederland was, alwaar de bescherming van de Nederlandse autoriteiten kon worden ingeroepen. Daarnaast heeft hij volgens verweerder geen objectief verifieerbare verklaringen over zijn vliegreis van Djibouti naar Nederland gegeven.

Verweerder is bij de beoordeling uitgegaan van de geloofwaardigheid van de door eiser afgelegde verklaringen.

Volgens verweerder komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, nu de problemen in verband met zijn studio en de benadering door Al-Shabab om zich bij hen aan te sluiten niet te herleiden zijn tot de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Naar de rechtbank aanneemt heeft verweerder in dit verband verder overwogen dat de omstandigheid dat Al-Shabab na hun bezoek op geen enkele wijze meer naar eiser hebben geïnformeerd, dat ze niet bij zijn huisadres zijn langs geweest, dat zij bij de winkel niet naar hem hebben geïnformeerd en geen vragen hebben gesteld aan zijn vader of anderen omtrent zijn verblijfplaats, er niet op duidt dat sprake is van een situatie van gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag.

Volgens verweerder heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat hij in Mogadishu een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in verband met zijn individuele, persoonlijke omstandigheden. De gedwongen sluiting van de studio heeft lang geleden plaatsgevonden en is voor eiser geen aanleiding geweest voor vertrek uit het land van herkomst. Van belang hierbij is voorts dat eiser heeft verklaard dat hij na de sluiting van de studio tot een maand voor vertrek in maart 2011 in verband hiermee geen problemen heeft ondervonden van de zijde van Al-Shabab. Voorts zijn de vermoedens van eiser over wat hem bij terugkeer te wachten staat vanwege het feit dat hij zomaar vertrokken is nadat Al-Shabab hem heeft gevraagd zich bij hen aan te sluiten, namelijk dat hij vermoord zal worden door Al-Shabab, volgens verweerder niet aannemelijk. Dat Al-Shabab na hun bezoek op geen enkele wijze meer naar eiser geïnformeerd hebben, dat ze niet bij zijn huisadres langs zijn geweest, niet bij de winkel naar hem hebben geïnformeerd en geen vragen hebben gesteld aan zijn vader of anderen omtrent zijn verblijfplaats, duidt er niet op dat hij daadwerkelijk te vrezen heeft van de zijde van Al-Shabab. Het enkele feit dat mensen van Al-Shabab voor de winkel van zijn vader rondhangen, heeft verweerder niet tot de conclusie geleid dat

Al-Shabab ook daadwerkelijk naar eiser op zoek zijn dan wel dat eiser bij terugkeer in de negatieve aandacht van Al-Shabab zou staan.

Voorts heeft verweerder overwogen dat de situatie in Mogadishu, waar eiser vandaan komt, wordt gekwalificeerd als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn. Verweerder heeft eiser echter niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de

Vw 2000, omdat er volgens verweerder voor eiser een vestigingsalternatief is in Centraal- en Zuid-Somalië. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser niet behoort tot een niet-Somali minderheid en niet wordt aangemerkt als alleenstaande vrouw of alleenstaande minderjarige en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Mogadishu een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM in verband met zijn individuele, persoonlijke omstandigheden.

Volgens verweerder is er voor eiser geen beletsel gebleken om te reizen naar - en toegang te verkrijgen tot het gebied in Centraal- en Zuid-Somalië. Daartoe heeft verweerder overwogen dat uit het ambtsbericht van september 2010 van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië (hierna: het ambtsbericht) blijkt dat Somaliërs die terugkeren naar Zuid- en Centraal-Somalië voor zover bekend geen hinder van lokale autoriteiten ondervinden bij de inreis. Toegang tot Somalië is mogelijk via het internationale vliegveld van Mogadishu. Het vliegveld staat onder controle van de Transitional Federal Government (hierna: TFG), gesteund door troepen van de African Union Mission of Somalia (hierna: AMISOM). Vanaf het vliegveld van Mogadishu of een andere plaats van inreis kan de beoogde plaats van alternatief verblijf verder over land worden bereikt. De verbindingsweg van het vliegveld wordt door AMISOM beschermd en kan als relatief veilig worden beschouwd. Verder blijkt uit het rapport van de UK Home office ‘Somalia: report of fact finding mission to Nairobi’ van 8 oktober 2010 (hierna: rapport) dat ook het reizen binnen de door de Al-Shabab gecontroleerde gebieden van Centraal- en Zuid-Somalië mogelijk en relatief veilig is. Uit voornoemd ambtsbericht blijkt – onder meer – dat de veiligheidssituatie beperkingen kan opleggen om binnen Centraal- en Zuid- Somalië te reizen, maar uit het rapport van UK Home Office blijkt dat het (willekeurig) geweld in de buiten gelegen gebieden minder intensief is dan in de stad Mogadishu en dat in de praktijk veel mensen binnen Centraal- en Zuid-Somalië reizen, ook binnen de door Al-Shabab gecontroleerde gebieden.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat – gelet op de omstandigheid dat eiser niet behoort tot een minderheidsclan – kan worden verondersteld dat er een gebied is binnen Zuid- en Centraal Somalië waar eiser zich redelijkerwijs kan vestigen. Uit genoemd ambtsbericht blijkt dat de clan(familie) van oudsher een centrale rol speelt in de Somalische samenleving en dat clanbanden bijdragen aan de veiligheid van het individu. Hierbij wordt aangetekend dat in Centraal- en Zuid-Somalië bescherming door clans in verminderde mate mogelijk is en dat met name leden van minderheidsgroepen hieronder te lijden hebben. Ook uit andere rapporten van gerespecteerde bronnen als de UNHCR blijkt dat banden, ook van meerderheidsclans, niet langer effectieve bescherming tegen vervolging kunnen bieden. Echter, uit de informatie in genoemd ambtsbericht dat clanbescherming beter mogelijk zou zijn in rurale gebieden dan in urbane gebieden leidt verweerder af dat de betekenis van clansystemen en de hierdoor geboden veiligheid niet geheel is verdwenen. Ook wordt in tijden van nood een beroep gedaan op banden met de clan van de moeder, de echtgeno(o)t(e) en eventueel de huwelijkspartners van de kinderen. Uit genoemd ambtsbericht blijkt dat de humanitaire omstandigheden in geheel Somalië slecht zijn. In delen van Centraal- en

Zuid- Somalië bestaat een tekort aan voedsel en er is sprake van een slechte gezondheidszorg en onhygiënische omstandigheden. Deze omstandigheden vormen reden tot zorg. Volgens verweerder is echter niet gebleken van zodanig slechte omstandigheden in de gebieden buiten Mogadishu die op zich al leiden tot de conclusie dat verblijf aldaar in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop is volgens verweerder voldaan aan de beleidsvoorwaarde dat eiser in het vestigingsalternatief kan verblijven onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken.

2.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen grond heeft hoeven vinden om eiser de gevolgen van het ontbreken van reisdocumenten niet toe te rekenen. Verweerder heeft in dit verband aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij onvoldoende verifieerbare verklaringen omtrent de gestelde reis heeft afgelegd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), de rechtbank verwijst naar onder meer een uitspraak van 23 januari 2004 (zaak nr. 200306979/1, JV 2004/104), kan de stelling dat eiser afhankelijk was van zijn reisagent niet afdoen aan zijn eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing – waar mogelijk – van zijn reisroute. Reeds hierom heeft verweerder aan eiser artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in redelijkheid kunnen tegenwerpen.

2.5 Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke, individuele problemen nog te vrezen heeft voor Al-Shabab, nu deze organisatie na hun bezoek waarbij zij hem hebben gevraagd zich bij hen aan te sluiten op geen enkele wijze meer naar eiser geïnformeerd heeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het feit dat leden van de Al-Shabab bij de winkel van zijn vader rondhingen nadat duidelijk was geworden dat hij niet op hun eis was ingegaan, erop duidt dat zij eiser nog steeds zochten. De enkele stelling dat dit in redelijkheid niet anders kan worden uitgelegd dan een dreiging door hen vervolgd te worden, is daartoe onvoldoende.

Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd dat eiser vanwege zijn persoonlijke, individuele problemen niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot verweerders standpunt dat de problemen niet zijn te herleiden zijn tot de gronden van het Vluchtelingenverdrag, behoeft derhalve geen bespreking meer.

2.6 Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn overweegt de rechtbank als volgt.

2.6.1 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van

25 september 2009 (zaak nr. 200702174/2, JV 2009/291), kan uit rechtsoverweging 43 van het arrest van het HvJEG van 17 februari 2009 (zaak nr. C-465/07, JV 2009/111; Elgafaji tegen Nederland) gelezen in samenhang met de rechtsoverwegingen 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn bedoelde ernstige schade. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling – gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in voormeld arrest van 17 juli 2008 – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn.

2.6.2 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Mogadishu, Zuid-Somalië en dat daar sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in voornoemde bepaling. Evenmin is in geschil dat eiser niet behoort tot een niet-Somali minderheid en geen alleenstaande vrouw of alleenstaande minderjarige is.

2.6.3 Eiser heeft zich – voor zover hier van belang – op het standpunt gesteld dat elders in Somalië geen bescherming tegen de chaos die door de aanhoudende strijd werd gecreëerd gevonden kan worden. Dit is volgens eiser primair het geval omdat opvang elders in het land niet meer beschikbaar is. Er kan niet meer op hulp van andere Somaliërs gerekend worden, omdat de aanhoudende strijd in Somalië tot gevolg heeft dat de capaciteit om anderen opvang dan wel hulp te bieden verdampt is. Ook buiten Mogadishu is men veelal zelf afhankelijk van hulp, vaak van buitenlandse organisaties of bronnen. Oude structuren zoals de stamverbanden bieden geen soelaas meer. Doordat Al-Shabab buitenlandse organisaties de toegang tot het gebied ontzegt raakt de bevolking aangewezen op steun van deze extremisten die daartegenover onvoorwaardelijke steun aan hun strijd vorderen. De wijze waarop Al-Shabab de orde handhaaft is in strijd met de fundamentele rechten van de mens, aldus eiser. Onder verwijzing naar het artikel ‘The Afgooye corridor: World capital of internally displaces people’ op www.guardian.co.uk heeft eiser aangevoerd dat in de nabijheid van Mogadishu 400.000 ontheemden in mensonwaardige omstandigheden in de zogenaamde Afgooye corridor leven. Dit aantal logenstraft de opvatting dat opvang via clanverbanden in de districten rond de hoofdstad mogelijk zou zijn. De omstandigheden in de vluchtelingenkampen van de ontheemden kunnen ook naar Somalische maatstaven niet als normaal aangemerkt worden. Daarnaast blijft het ook zo dat om een ander deel van Somalië te kunnen bereiken eiser zich weer zou moeten blootstellen aan de gevaren in Mogadishu. Een veilige toegang tot andere delen van het land bestaat niet. Dat er desalniettemin in Somalië gereisd wordt is een gevolg van het feit dat het vervoer een noodzaak is om te overleven en betekent niet dat hieraan geen risico’s verbonden zijn. Eiser heeft in dit verband verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats

’s-Hertogenbosch (18 februari 2011, AWB 10/9922), nevenzittingsplaats Zutphen (4 april 2011, AWB 11/6432) en nevenzittingsplaats Arnhem (14 april 2011, AWB 10/26220 en 10/26222).

2.6.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich zonder nadere motivering niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uitzetting via de internationale luchthaven van Mogadishu mogelijk is, nu onvoldoende is gebleken dat vreemdelingen het vliegveld op een veilige manier kunnen verlaten en verder over land naar andere gebieden kunnen reizen. Nu verweerder het vestigingsalternatief aan eiser tegenwerpt, ligt het in beginsel op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat dit vestigingsalternatief kan worden bereikt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de weg naar het vliegveld onder controle van TFG en de AMISOM-troepen staat, maar waar deze weg ligt, welke plaatsen de weg verbindt of waar ze naartoe leidt, is niet toegelicht. Ook is niet duidelijk gemaakt of er vanaf deze luchthaven binnenlandse vluchten plaatsvinden naar plaatsen elders in Centraal- en Zuid-Somalië. De door verweerder ter zitting overgelegde kaarten van Mogadishu van “Criticalthreats.com” betreffen onder meer de situatie zoals die volgens deze organisatie in maart 2011 aan de orde zou zijn, en dateren derhalve van vóór het bestreden besluit, zodat ze niet kunnen worden beschouwd als feiten en omstandigheden in de zin van artikel 83 van de Vw 2000. Voor zover ze moeten dienen als nadere onderbouwing van het standpunt van verweerder in deze overweegt de rechtbank dat verweerder niet duidelijk heeft kunnen maken op welke bronnen de kaart van maart 2011 is gebaseerd, noch welke waarde daaraan moet worden toegekend. De informatie is bijvoorbeeld niet bevestigd door de Minister van Buitenlandse Zaken, noch betreft dit een bron waarvan het ambtsbericht zich heeft bediend. Tenslotte heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat dit de situatie in Mogadishu betreft ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank kent aan deze kaarten daarom niet de waarde toe die verweerder daaraan gehecht wil zien.

Het is de rechtbank voorts niet duidelijk geworden wat volgens verweerder de relatie is tussen de bevindingen uit het ambtsbericht, dat verslag doet van een onderzoeksperiode van 23 maart 2010 tot en met 31 augustus 2010 en het rapport - waarnaar verweerder in het bestreden besluit verwijst - dat verslag doet van een aantal interviews gehouden in een onderzoeksperiode van 8 tot 15 september 2010. Voorts is verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ingegaan op het door eiser ingeroepen standpunt van de UNHCR, mede gelet op hetgeen daaromtrent is vermeld in punt 4.3 van het ambtsbericht.

Gelet op de door eiser ingebrachte stukken met betrekking tot de situatie in de ‘Afgooye corridor’ en de gevolgen van de aanhoudende droogte die volgens eiser juist weer een trek naar Mogadishu ten gevolge heeft, waar ook volgens verweerder sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat eiser een leven kan leiden onder omstandigheden die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De enkele stelling van verweerder in het bestreden besluit dat ‘niet is gebleken van zodanig slechte humanitaire omstandigheden dat verblijf aldaar in strijd is met artikel 3 EVRM’ is naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende gemotiveerde weerlegging van de door eiser uitvoerig gedocumenteerde stelling.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus onvoldoende gemotiveerd waarom voormeld beleid in paragraaf C4/2.3.2 van de Vc 2000 en het bepaalde in artikel 3.37d van het VV 2000 op de situatie van eiser van toepassing is.

2.7 Het vorenstaande brengt met zich dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, zijnde onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht geen termen aanwezig de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.8 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op

€ 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.G.J. Welbergen. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2011.