Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6176

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
29-08-2011
Zaaknummer
369652 - HA ZA 10-2258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling na beëindiging samenlevingscontract.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 369652 / HA ZA 10-2258

Vonnis van 4 mei 2011

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. T.G. Brown-Knip te Zoetermeer,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M. de Bluts te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.De rechtbank heeft kennis genomen van de dagvaarding van 11 juni 2010 (met producties), de conclusie van antwoord (met productie), het tussenvonnis van 25 augustus 2010 waarin de rechtbank een comparitie van partijen heeft gelast, het proces-verbaal - met de daarin genoemde stukken - van de op 26 oktober 2010 gehouden comparitie, de conclusie van repliek (met productie) en de conclusie van dupliek (met productie).

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Partijen zijn op 14 februari 2008 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

2.2.[eiseres] heeft de echtelijke woning verlaten op 22 juli 2008.

2.3.Bij beschikking van 1 juli 2009 heeft deze rechtbank, sector familie- en jeugdrecht, de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 16 juli 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Zoetermeer.

3. Het geschil

3.1.[eiseres] vordert dat de rechtbank, zoveel mogelijk bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen zal scheiden en delen op de wijze zoals is aangegeven in de dagvaarding dan wel zoals de rechtbank goed dunkt.

3.2.[gedaagde] voert tegen de door [eiseres] beoogde scheiding en deling van de gemeenschap gemotiveerd verweer en stelt zich op het standpunt dat de verdeling dient plaats te vinden op de wijze zoals is aangegeven in de als productie bij de conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek overgelegde overzichten.

3.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.Nu zowel de vorderingen van [eiseres] en de stellingen die zij daaraan ten grondslag legt als hetgeen [gedaagde] tot zijn verweer aanvoert ertoe strekken dat de tussen hen bestaande gemeenschap wordt verdeeld, beschouwt de rechtbank het als haar taak om de verdeling vast te stellen.

Peildatum omvang / waardering van de gemeenschap

4.2.Partijen hebben voor wat betreft de peildatum voor het vaststellen van de omvang van de gemeenschap overeenstemming bereikt over 22 juli 2008, de datum waarop [eiseres] de echtelijke woning heeft verlaten.

4.3.Partijen zijn inzake de te hanteren peildatum voor de bepaling van de waarde van de diverse vermogensbestanddelen van de gemeenschap daarentegen geen specifieke datum overeengekomen. Nu voorts niet is gebleken van gronden van redelijkheid en billijkheid die op dit punt tot een ander oordeel aanleiding geven, zal de rechtbank voor de waardering daarom uitgaan van de datum van verdeling van de gemeenschap, zijnde de datum van het eindvonnis in de onderhavige zaak.

Het huurrecht van de woning en de waarborgsom

4.4.Niet in geschil is dat het huurrecht toekomt aan [gedaagde], die in de echtelijke woning aan de [a-straat te plaats A] (hierna: de [a-straat]) is blijven wonen nadat [eiseres] op 22 juli 2008 haar feitelijk verblijf aldaar heeft beëindigd. Aldus zal het huurrecht van de woning worden toegescheiden aan [gedaagde].

4.5.Door partijen is bij het aangaan van de huurovereenkomst een waarborgsom ad

€ 2.250,00 gestort bij de ABN AMRO-bank te Zoetermeer. [eiseres] maakt aanspraak op de helft daarvan. [gedaagde] is echter pas bereid om de helft van de waarborgsom te betalen als uit inspectie van de woning door de verhuurder is gebleken dat de woning in goede staat verkeert en de waarborgsom zou worden terugbetaald in het geval dat de huurovereenkomst zou worden beëindigd.

4.6.De rechtbank stelt vast dat [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat de woning in goede staat verkeerde ten tijde van het verlaten van de woning op 22 juli 2008. Daaruit kan worden opgemaakt dat er geen aanleiding bestaat voor een inspectie van de verhuurder alvorens [eiseres] aanspraak kan maken op de helft van de waarborgsom en dat de mogelijkheid dat de verhuurder bij beëindiging van de huurovereenkomst de waarborgsom niet (geheel) zal willen terugbetalen vanwege de eventueel na 22 juli 2008 gewijzigde staat van de woning voor rekening komt van [gedaagde]. [eiseres] heeft derhalve recht op de helft van de waarborgsom.

De inboedel

4.7.Ten aanzien van de verdeling van de inboedel overweegt de rechtbank als volgt.

4.7.1.Partijen hebben over en weer lijsten overgelegd. Om tot verdeling van de inboedel te komen heeft [eiseres] bij repliek voorgesteld om de inboedel te verdelen door - kort gezegd - om en om te kiezen tot het laatste is toebedeeld. Bij dupliek heeft [gedaagde] met dit voorstel ingestemd. Deze wijze van verdeling van de inboedel is evenwel een gepasseerd station. Vanwege hoog oplopende emoties is het partijen tijdens de comparitie van partijen ook onder aansturing van de comparitierechter immers niet mogelijk gebleken om te komen tot een voor ieder aanvaardbare verdeling van de inboedel. Te meer daar het door [eiseres] gevorderde strekt tot verdeling (en niet tot vaststellen van de wijze van verdeling), zal de rechtbank partijen daarom niet volgen in de voorgestelde wijze van verdeling.

4.7.2.Bij dagvaarding heeft [eiseres] overgelegd productie 6, inhoudende een lijst met de bestanddelen van de gemeenschap die zij aan zichzelf toegescheiden wenst te zien.

4.7.3.Bij dupliek heeft [gedaagde] overgelegd een lijst met alle te verdelen bestanddelen van de gemeenschap, met daarbij aangegeven welke bestanddelen hij aan zichzelf toegescheiden wenst te zien.

4.7.4.Bij repliek heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat zij nog niets uit de inboedel van de voormalige echtelijke woning heeft ontvangen, ook haar persoonlijke spullen niet. Die stelling is door [gedaagde] in wezen niet weersproken. Het op zijn lijst bij sommige punten enkel vermelden van de woorden "is van de schapenweide" is daartoe zonder nadere toelichting althans onvoldoende. De op de lijst van [gedaagde] in gele gedeelten opgesomde bestanddelen van de inboedel in de woning waar [eiseres] thans verblijft, gelegen aan de [b-straat te plaats A] (hierna: de [b-straat]), blijven bij de alhier aan de orde zijnde verdeling daarom buiten beschouwing, met uitzondering van de hogedrukreiniger ten aanzien waarvan de rechtbank gelet op de stukken aanneemt dat die, behorende tot de inboedel van de [a-straat], op een zeker moment is uitgeleend aan degene die het apparaat thans onder zich heeft.

4.7.5.De rechtbank stelt voorop dat de persoonlijke bezittingen van [eiseres], gelijk ook [gedaagde] in zijn lijst opmerkt, aan [eiseres] worden toegewezen. Die persoonlijke bezittingen omvatten haar sieraden ([eiseres] horloge en twee diamanten ringen daaronder begrepen), haar kleding (in de ruime zin des woords) en haar persoonlijke administratie (voor zover nog op de [a-straat] aanwezig).

4.7.6.Na vergelijking van de over en weer gewisselde lijsten stelt de rechtbank vast dat partijen elkaar grotendeels kunnen vinden in die zin dat hetgeen [eiseres] van de gemeenschap wil hebben grotendeels overeenstemt met de bestanddelen waar [gedaagde] geen prijs op stelt.

4.7.7.Met betrekking tot de in de lijsten wel door [eiseres], maar door [gedaagde] niet genoemde bestanddelen concludeert de rechtbank dat [gedaagde] - kennelijk - geen prijs stelt op deze bestanddelen, die (met inbegrip van de laptop) om die reden zullen worden toegescheiden aan [eiseres], met uitzondering van de wijnkast, die volgens [gedaagde] is vernietigd.

4.7.8.Met betrekking tot de in de lijsten wel door [gedaagde], maar niet door [eiseres] genoemde bestanddelen concludeert de rechtbank dat [eiseres] - kennelijk - geen prijs stelt op deze bestanddelen, die om die reden zullen worden toegescheiden aan [gedaagde], met uitzondering van die bestanddelen die [gedaagde] blijkens zijn lijst kennelijk aan [eiseres] toegescheiden wenst te zien.

4.7.9.Ten aanzien van de bestanddelen van de inboedel waaromtrent partijen geen overeenstemming hebben overweegt de rechtbank om praktische redenen als volgt:

- de koelvriescombinatie, de vaatwasmachine en de hogedrukreiniger worden toegescheiden aan [gedaagde];

- de vier rode eetkamerstoelen worden toegescheiden aan [eiseres];

- aan iedere partij wordt één witte ladenkast toegescheiden.

De onderneming van [gedaagde]

4.8.Niet in geschil is dat [gedaagde] een muziekonderneming drijft met de naam [A] Muziek en dat die onderneming in het kader van de voorliggende verdeling dient te worden toegescheiden aan [gedaagde].

4.8.1.Onder verwijzing naar de door hem overgelegde jaarbalans van deze onderneming d.d. 30 juni 2009 stelt [gedaagde] dat, alle kosten en baten van de onderneming in acht nemende, de waarde van de onderneming € 376,00 bedraagt en dat [eiseres] daarvan in het kader van de verdeling de helft toekomt.

4.8.2.Onder verwijzing naar de eerder genoemde balans stelt [gedaagde] zich voorts op standpunt dat de auto van merk en type Audi A4 Avant 2.0 met kenteken

[nummer] (hierna: de Audi) en de in de [a-straat] aanwezige vleugel van merk en type Yamaha C3 (hierna: de vleugel) onderdeel zijn van de onderneming. Dat wordt als zodanig niet door [eiseres] weersproken.

- De Audi

4.8.3.Voor wat betreft de waarde van de Audi verwijst [gedaagde] naar de eerder genoemde balans, waarin deze auto bij de vaste activa staat vermeld met als waarde € 14.473,00. Onder verwijzing naar overgelegde bescheiden van de ANWB stelt [eiseres] evenwel dat de Audi gelet op de aankoopdatum en de kilometerstand medio juli 2008 een waarde vertegenwoordigde van € 22.000,00. Onder overlegging van de betreffende factuur stelt [gedaagde] dat hij de Audi ter gelegenheid van de aankoop van een andere auto op 19 oktober 2009 bij een garage heeft ingeruild, waarbij voor de Audi met een waarde van € 14.134,00 in aanmerking is genomen. [gedaagde] wijst voorts op een ook overgelegd rapport d.d. 16 juli 2009 van taxatie door een andere garage, waarbij de Audi is getaxeerd op € 15.500,00. Naar de rechtbank aanneemt, is in beide gevallen de in acht te nemen waarde van de Audi vastgesteld naar aanleiding van een inspectie van de auto, hetgeen niet het geval is bij de via een bezoek aan de website van de ANWB vast te stellen dagwaarde. Voorts neemt de rechtbank aan dat, zoals ook naar voren komt uit de overgelegde bescheiden van de ANWB, de waarde van een bij een garage in te ruilen auto doorgaans neerwaarts wordt bijgesteld al naar gelang de waarde van de auto die bij die gelegenheid wordt ingekocht. De rechtbank zal voor de waarde van de Audi daarom uitgaan van de taxatie d.d. 16 juli 2009, waarin wordt uitgegaan van een bedrag van € 15.500,00. Dat brengt mee dat de waarde van de onderneming van [gedaagde] in verband met de waarde van de Audi moet worden verhoogd met (€ 15.500,00 minus € 14.473,00 = ) € 1.027,00.

- De Vleugel

4.8.4.Partijen verschillen van mening over de aan de vleugel toe te kennen waarde. In de eerder genoemde jaarbalans is de vleugel bij de vaste activa opgenomen voor een waarde van € 5.500,00. [gedaagde] wijst in dit verband naar de door hem overgelegde productie waarin de vleugel op 21 juli 2009 op die waarde wordt getaxeerd. [eiseres] stelt zich evenwel op het standpunt dat de vleugel na de aankoop in maart 2007 bij firma Clavis Piano's, Liesbosch 4B te Nieuwegein voor

€ 13.000,00 niet zoveel in waarde kan zijn gedaald. Zij verwijst daarbij naar een mededeling van de firma Clavis dat de vleugel een waarde heeft van € 12.000,00 als het instrument ongeveer in dezelfde staat verkeert als in 2007, dit evenwel zonder enig schriftelijk stuk ter onderbouwing van dit betoog over te leggen. [eiseres] heeft voorgesteld de vleugel te laten taxeren door een onafhankelijke taxateur. [gedaagde] heeft daarmee ingestemd. Ter beëindiging van het geschil op dit punt zal de rechtbank partijen volgen in dit voorstel en beslissen als volgt.

A. De vleugel zal worden getaxateerd door:

dhr. V. de Leur van Vincent de Leur Pianotaxaties & Advies, die daartoe de bereidheid heeft uitgesproken,

bereikbaar onder telefoonnummer [nummer] en [e-mailadres]

B. Partijen gezamenlijk dragen de kosten van de taxatie (€ 350,00).

C. Partijen dienen ieder binnen twee weken na de datum van dit vonnis een bedrag van € 175,00 te hebben overgemaakt op bankrekening [nummer] bij ABN AMRO t.a.v. V. de Leur, dit onder vermelding van 'taxatie vleugel C3 Yamaha'.

D. Alleen nadat hij de gehele taxatieprijs op zijn bankrekening heeft ontvangen zal de taxateur een aanvang nemen met zijn taxatiewerkzaamheden.

E. De taxatie zal in beginsel plaatsvinden tussen 18 mei 2011 en 1 juni 2011.

F. [gedaagde] zal met het oog op het bepalen van de datum voor de taxatie vóór 18 mei 2011 contact opnemen van de taxateur.

G. [gedaagde] zal met het oog op de taxatie van de vleugel de taxateur op diens eerste verzoek toegang tot zijn woning verlenen.

H. [gedaagde] zal de taxateur inzage verschaffen in bescheiden betreffende de aankoop en het onderhoud van de vleugel.

I. De door de taxateur vast te stellen waarde der vleugel is voor partijen bindend.

J. Nu de vleugel onderdeel is van de onderneming die in het navolgende vanuit de huwelijksgoederengemeenschap aan [gedaagde] zal worden toegescheiden en de waarde van de vleugel is verdisconteerd in de waarde van de onderneming, is [gedaagde] uit hoofde van overbedeling gehouden om de helft van de door de taxateur vast te stellen waarde aan [eiseres] te voldoen.

4.8.5.Bij dagvaarding heeft [eiseres] gerefereerd aan stellingen van [gedaagde], inhoudende dat er twee schulden zijn bij ING die als boedelschuld van de gemeenschap in aanmerking genomen moeten worden. Het zou, aldus [gedaagde], daarbij gaan om de rekening met nummer [nummer] met een debetstand van

€ 9.991,00 en de rekening met nummer [nummer] met een debetstand van € 993,00. Met het oog op de comparitie van partijen heeft hij vervolgens bij brief aan de rechtbank onder meer overgelegd de eerder genoemde jaarbalans, waarin voormelde bedragen als kort lopende schulden zijn opgenomen. [eiseres] heeft daarop het bestaan van deze leningen gemotiveerd betwist vanwege het ontbreken van informatie over de noodzaak en de herkomt daarvan. Bij dupliek heeft [gedaagde] vervolgens nagelaten om zich op dat punt nog uit te laten of in dat verband bescheiden (zoals rekeningafschriften) over te leggen. Aldus is niet komen vast te staan dat sprake is van voor de waardering van de gemeenschap relevante schulden ten laste van zijn onderneming. Dat betekent dat ook op dit punt niet kan worden uitgegaan van de jaarbalans en dat de waarde van de onderneming van [gedaagde] in verband met de wel opgevoerde, maar niet onderbouwde schulden met een bedrag van (€ 9.991,00 + € 993,00 = ) € 10.984,00 dient te worden verhoogd.

De bankrekeningen / krediet

4.9.De bankrekening met nummer [nummer] bij ING staat op naam van [eiseres]. Gelet op het daarop gerichte en door [gedaagde] onweersproken verzoek van [eiseres] zal de rekening worden toegescheiden aan [eiseres]. Wegens overbedeling dient zij de helft van het saldo van deze rekening te verrekenen met [gedaagde]. Aanvankelijk heeft [eiseres] betreffende deze rekening het rekeningafschrift d.d. 21 augustus 2008 in het geding gebracht. Na opmerkingen van [gedaagde] over de actualiteit van het saldo heeft [eiseres] met het oog op de comparitie van partijen overgelegd het bankafschrift d.d. 19 augustus 2010 met het saldo ad € 69,25. [gedaagde] heeft zich daar verder niet over uitgelaten. De rechtbank zal daarom voor het saldo van deze rekening bij de verdeling van de gemeenschap van dit bedrag uitgaan.

4.10.[eiseres] stelt zich op het standpunt dat het bij ING op haar naam staand krediet met contractnummer [nummer] met een restschuld van € 3.501,70 als boedelschuld bij de verdeling van de gemeenschap moet worden betrokken. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij bij dagvaarding bescheiden van ING overgelegd. [gedaagde] heeft de daarin opgenomen gegevens betwist omdat daarin niet het banksaldo per peildatum (datum verdeling) wordt weergegeven. Daarop heeft [eiseres] met het oog op de comparitie van partijen op 26 oktober 2010 overgelegd bescheiden van ING met daarin de stand van de restschuld (€ 3.501,70) op 24 september 2010. Deze informatie heeft [gedaagde] niet betwist. De rechtbank zal het hier bedoelde krediet daarom toescheiden aan [eiseres] en bovenvernoemd bedrag als boedelschuld bij de verdeling van de gemeenschap betrekken.

De belastingschulden van [gedaagde]

4.11.Ten aanzien van de door [gedaagde] opgevoerde belastingschulden overweegt de rechtbank als volgt.

4.11.1.[gedaagde] wijst op een belastingschuld ad € 3.570,00 (bestaande uit een per 30 september 2009 bestaande schuld van € 2.913,00 vermeerderd met € 657,00 aan invorderingskosten) en op een op 10 september 2009 gedateerde belastingschuld ad

€ 2.108,00. Ter onderbouwing van deze schulden heeft [gedaagde] bescheiden van de belastingdienst overgelegd. [eiseres] stelt zich bij repliek evenwel op het standpunt dat deze schulden zijn ontstaan na 22 juli 2008 en daarom niet als boedelschuld in de verdeling van de gemeenschap kunnen worden betrokken. Zij stelt daarbij dat [gedaagde] daarom zal moeten aantonen wanneer de schulden zijn ontstaan. [gedaagde] heeft zich daarop bij dupliek omtrent dit punt niet uitgelaten. Mede nu uit de door [gedaagde] overgelegde stukken van de belastingdienst blijkt dat alle opgevoerde belastingschulden een dagtekening hebben van na 22 juli 2008, is de rechtbank daarom van oordeel dat niet is komen vast te staan dat deze belastingschulden dateren van vóór 22 juli 2008 dan wel betrekking hebben op een voor die datum gelegen periode. De rechtbank houdt het er daarom voor dat deze schulden alsmede de incassokosten na die datum zijn ontstaan en daarom niet bij de verdeling kunnen worden betrokken.

4.11.2. De belastingschuld van € 3.855,22 wordt in door [gedaagde] overgelegde bescheiden opgevoerd als openstaande crediteurenpost van zijn onderneming en wordt als kortlopende schuld van de onderneming vermeld in de door hem overgelegde jaarbalans. Die belastingschuld is daarom verdisconteerd in de waarde van de onderneming en speelt op zichzelf daarom geen rol bij de verdeling.

De Fiat Punto

4.12.Niet in geschil is dat de tot de gemeenschap behorende auto van het merk en type Fiat Punto 60 SP Cabrio met kenteken [nummer] (hierna: de Fiat) dient te worden toegescheiden aan [eiseres]. De rechtbank zal partijen daarin volgen. Onder verwijzing naar ANWB-gegevens stelt [eiseres] dat de Fiat gelet op de aankoopdatum en de kilometerstand medio juli 2008 een waarde vertegenwoordigde van € 5.500,00. Uit de aldus overgelegde koerslijst van de ANWB is evenwel op te maken dat deze auto, in het geval van inruil bij een autobedrijf, medio september 2009 een waarde had van € 4.700,00. Voorafgaand aan de comparitie der partijen heeft [gedaagde] als bijlage bij zijn brief aan de rechtbank overgelegd bescheiden van de ANWB waaruit naar voren komt dat de Fiat, in het geval van inruil bij een autobedrijf, medio oktober 2010 een waarde had van € 4.850,00.

4.13.De rechtbank stelt vast dat beide partijen voor het bepalen van de - in de verdeling van de gemeenschap te betrekken - waarde van de Fiat uitgaan van de daartoe door de ANWB gehanteerde methodiek. Daarbij aansluitend en ter beëindiging van het geschil op dit punt stelt de rechtbank, gebruikmakend van de ANWB als algemeen kenbare bron, de in acht te nemen waarde van de Fiat, in het geval van inruil bij een autobedrijf, vast op € 3.800,00 per 14 april 2011.

Schuld bij de zus van [eiseres]

4.14.[eiseres] stelt dat zij curator is geweest in het vermogen van haar zus, dat zij tijdens het huwelijk met [gedaagde] van haar zus in totaal € 4.000,00 heeft geleend en dat deze schuld dient te worden betrokken in de verdeling. [gedaagde] meent daarentegen dat deze schuld van [eiseres] niet bestond op de peildatum betreffende de samenstelling van de gemeenschap, zijnde 22 juli 2008. Uit de door [eiseres] overgelegde rekeningafschriften blijkt naar het oordeel van de rechtbank evenwel afdoende dat de lening is aangegaan vóór die datum. Deze schuld zal derhalve als bestanddeel van de gemeenschap in de verdeling worden betrokken. De schuld zal worden toegescheiden aan [eiseres], met als gevolg dat [gedaagde] wegens onderbedeling van [eiseres] de helft van deze schuld aan [eiseres] zal dienen te voldoen.

Schulden Pretium

4.15.Onder verwijzing naar het door hem overgelegde "Rekening Overzicht Pretium Visa Card" d.d. 25 augustus 2010 stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat een schuld van € 1.037,71 aan Pretium in de verdeling dient te worden betrokken. [eiseres] stelt evenwel dat 22 juli 2008 heeft te gelden als peildatum voor het vaststellen van de omvang van de gemeenschap en dat, nu zij daar niet bekend mee is, deze schuld door [gedaagde] is aangegaan na 22 juli 2008 en dat die schuld daarom geen bestanddeel is van de gemeenschap. Nu [gedaagde] dit betoog onweersproken heeft gelaten, houdt de rechtbank dit betoog voor juist en zal bedoelde schuld niet worden betrokken bij de verdeling.

Spaarloonregeling

4.16.Uit het door [eiseres] overgelegde rekeningafschrift komt naar voren dat van haar salaris per maand een bedrag van € 22,66 wordt afgeschreven naar een spaarloonrekening en dat het saldo van die rekening per 25 juni 2009 een totaal van € 1.225,26 beliep. Bedoelde spaarloonrekening zal aan [eiseres] worden toegescheiden. Wegens de daaruit volgende overbedeling zal zij de hierna te bepalen helft van het saldo aan [gedaagde] dienen te voldoen.

4.17.Onder verwijzing naar overgelegde bescheiden stelt [eiseres] zich in de met het oog op de comparitie van partijen aan de rechtbank gestuurde brief d.d. 12 oktober 2010 op het standpunt dat zij een vrijgevallen deel van het opgebouwde spaarloon heeft aangewend voor de betaling van nota's van Eneco, betrekking hebbende op de levering van energie aan de [a-straat] en daterende - zoals [eiseres] stelt - van vóór de echtscheiding. De overgelegde bescheiden zien evenwel op door Eneco geleverde energie in de periode van december 2007 tot en met juli 2008 en hebben dus deels betrekking op de periode voor het ontstaan van de gemeenschap van goederen op 14 februari 2008. Zonder nadere toelichting kan [eiseres] daarom niet worden gevolgd in de kennelijk door haar ingenomen stelling dat het opgebouwde spaarloon is aangewend om een schuld van de gemeenschap te delgen en daarom niet (meer) als bestanddeel van de gemeenschap voor verdeling in aanmerking komt. Bovendien laat die stelling onverlet dat het door [eiseres] na de betaling (zoals zij stelt: medio augustus 2008) van de schuld aan Eneco tot aan de datum van de verdeling opgebouwde spaarloon in de verdeling dient te worden betrokken.

4.18.Uitgaande van de datum verdeling als peildatum voor het bepalen van de waarde van dit bestanddeel van de gemeenschap dient het door [eiseres] opgegeven saldo van haar spaarloonrekening naar het oordeel van de rechtbank te worden vermeerderd met het maandelijks in dat verband op het loon in te houden bedrag (zijnde € 22,69) over de periode vanaf 25 juni 2009 tot de datum van de verdeling van de gemeenschap, zijnde de datum van dit vonnis. Het opgebouwde saldo per 25 juni 2009 wordt daarom vermeerderd met 23 maandtermijnen en komt aldus op een bedrag van (€ 1.225,26 + € 521,87 = ) € 1.747,13.

4.19.Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] aangegeven niet te weten of [gedaagde] eveneens deelneemt aan een spaarloonregeling. [gedaagde] heeft daarop bij dupliek niet gereageerd. Nu er geen aanleiding is om anders te veronderstellen, concludeert de rechtbank daaruit dat er in dit verband geen sprake is van bestanddeel van de gemeenschap dat in de verdeling dient te worden betrokken.

Overbedeling / onder bedeling

4.20.Voormelde verdeling van de gemeenschap leidt, voor wat betreft de aan haar toe te scheiden bestanddelen, aan de zijde van [eiseres] tot een totaalwaarde van:

€1.747,13 - spaarloon

€ -4.000,00 - schuld zus

€ 3.800,00 - Fiat

€ -3.501,70 - krediet

€ 69,25 - ING [nummer]

--------------------- +

€ -1.885,32.

Voormelde verdeling van de gemeenschap leidt, voor wat betreft de aan hem toe te scheiden bestanddelen, aan de zijde van [gedaagde] tot een totaalwaarde van:

€ 2.250,00 - waarborgsom

€ 276,00 - waarde in jaarbalans van [A] Muziek

€ 10.984,00 - schulden in jaarbalans opgegeven, niet komen vast te staan

€1.027,00 - Audi: te lage waarde in de jaarbalans

--------------------- +

€14.537,00.

Op grond van het voorgaande is [gedaagde] gehouden uit hoofde van overbedeling het bedrag van ((€ - 1.885,32 plus € 14.537,00 is) € 16.422,32 gedeeld door twee is) € 8.211,16 aan [eiseres] te voldoen.

Proceskosten

4.21.Partijen zijn gewezen echtelieden. De proceskosten worden daarom als na te melden gecompenseerd.

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.scheidt toe aan [eiseres] de volgende bestanddelen van de gemeenschap:

- de spaarloonbankrekening met nummer [nummer] bij ABN AMRO;

- de auto van merk en type Fiat Punto 60 SP Cabrio met kenteken [nummer];

- de schuld ad € 4.000,00 van [eiseres] uit hoofde van de lening bij haar zus;

- het bij ING op haar naam staand krediet met contractnummer [nummer];

5.2.scheidt toe aan [gedaagde] de volgende bestanddelen van de gemeenschap:

- het huurrecht betreffende de voormalige echtelijke woning aan de [a-straat te plaats A];

- de onderneming met de naam [A] Muziek;

5.3.verdeelt de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende inboedel aldus

dat de bestanddelen daarvan aan [eiseres] en [gedaagde] worden toegescheiden als hiervoor is bepaald in rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.7.9;

5.4.bepaalt dat de waarde van de vleugel wordt vastgesteld als in het voorgaande in rechtsoverweging 4.8.4 bepaald;

5.5.veroordeelt [gedaagde] als gevolg van de hiervoor bepaalde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wegens overbedeling aan [eiseres] te betalen het bedrag van bedrag van € 8.211,16, te vermeerderen met de helft van de door de taxateur vast te stellen waarde van de vleugel;

5.6.verklaart het vonnis voor wat betreft de veroordeling tot betaling van € 8.211,16 uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Allewijn en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.