Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6067

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
375634 / HA ZA 10-3305
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Advocaat, overeenkomst tot opdracht, vergoeding declaraties, opdracht verleend, opdracht betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 375634 / HA ZA 10-3305

Vonnis van 11 mei 2011

in de zaak van

rechtspersoon

BARENTSKRANS N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.F. Garvelink te 's-Gravenhage,

tegen

rechtspersoon

CUVO B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.J. Smit te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Barentskrans en Cuvo genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 30 augustus 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- het tussenvonnis van 10 november 2010;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van comparitie van 1 april 2011.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald. Daarbij is het verzoek van mr. Smit om rolverwijzing voor re- en dupliek afgewezen. Hiertoe is het volgende overwogen. De conclusie van antwoord in reconventie is ter griffie ontvangen op 18 maart 2011. Gesteld noch gebleken is dat mr. Smit die conclusie van antwoord in reconventie niet op dezelfde datum heeft ontvangen. Dat betekent dat mr. Smit twee weken gelegenheid heeft gehad zich te beraden op een reactie. Bij de behandeling van de comparitie van partijen heeft de rechtbank partijen, dus ook mr. Smit, in de gelegenheid gesteld hun standpunten over en weer naar voren te brengen en toe te lichten en zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechtbank zijn gebracht. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat partijen, ook mr. Smit, van die gelegenheid gebruik hebben gemaakt. Gelet op deze omstandigheden is het in het licht van het bepaalde bij art. 19 Rv niet noodzakelijk de zaak naar de rol te verwijzing voor re- en dupliek. De rechtbank ziet evenmin een noodzaak daartoe met het oog op een goede instructie van de zaak Voor zover de conclusie van antwoord in reconventie een verkapte conclusie van repliek in conventie mocht zijn, zal met de inhoud daarvan geen rekening worden gehouden.

2.De feiten

2.1.Cuvo is een 100% dochtervennootschap van Uitvaart Beheermaatschappij Nederland B.V. (hierna ook: UBN). UBN is enig statutair bestuurder van Cuvo. Statutair bestuurder van UBN (en daarmee feitelijk bestuurder van Cuvo) was tot 28 juli 2010 [A] (hierna ook: [A]). Enig aandeelhouder van UBN is de stichting "De Volharding" (hierna ook: de stichting). De stichting is op 11 juni 1999 opgericht door Cuvo Coöperatieve uitvaartvereniging "de Volharding" UA (hierna ook: de coöperatie). Tussen en binnen deze rechtspersonen heeft zich een machtsstrijd afgespeeld. In deze machtsstrijd lieten UBN en Cuvo (en [A]) zich bijstaan door Barentskrans in de persoon van mr. N.J. Surber (hierna ook: mr. Surber).

2.2.Tot 23 juni 2010 stonden als bestuurders van de stichting ingeschreven [B] en [C], die tevens de hoedanigheid van bestuurder van de coöperatie hadden en [D[E] en [F], die allen tevens de hoedanigheid hadden van commissaris van UBN.

2.3.Op 23 juni 2010 zijn laatstgenoemde drie personen door [B] uitgeschreven als bestuurders van de stichting uit het handelsregister. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zij niet zouden zijn herbenoemd tot commissaris van UBN, zodat zij na afloop van hun benoemingstermijn niet langer bestuurders zijn van de stichting. [D], [E] en [F] (hierna: [D1 cs]) hebben samen met [A] en UBN in kort geding herstel van hun inschrijving in het handelsregister gevorderd. Deze vorderingen zijn door de voorzieningenrechter te 's-Gravenhage op 14 juli 2010 afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet kan worden aangenomen dat [D1 cs] na het verstrijken van hun eerste termijn zijn herbenoemd tot commissaris van UBN, hetgeen meebrengt dat zij sindsdien ook niet meer kunnen worden aangemerkt als bestuurders van de stichting.

2.4.Op 16 juli 2010 heeft de stichting mr. [G] (hierna ook: [G]) benoemd tot commissaris van UBN.

2.5.Op 7 juli 2010 heeft de stichting zowel tegen Cuvo als tegen UBN een enquêteverzoek ingediend. [A] heeft Barentskrans, in de persoon van mr. Surber, opdracht gegeven een verweerschrift in te dienen. De uiterste datum voor het indienen van dit verweerschrift was 20 juli 2010. De behandeling ter zitting zou plaatsvinden op 29 juli 2010.

2.6.Op 17 juli 2010 heeft [G] [A] onder meer met een beroep op de statuten van UBN aangegeven dat zij zonder zijn goedkeuring geen verweer namens UBN mocht voeren in de procedure voor de Ondernemingskamer. Mr. H.J. Smit (hierna: mr. Smit) heeft een kopie van deze brief verzonden aan mr. Surber. In de begeleidende brief heeft hij opgenomen: "Hierbij verzoek ik u goede nota te nemen van de brief van heden van mr. [G] aan mevrouw [A], met name de instructie aan haar als directrice van UBN om u omgaand te informeren dat u niet langer als advocaat van UBN optreedt."

2.7.[A] heeft op 19 juli 2010 haar besluit om verweer te voeren ter goedkeuring aan de raad van commissarissen in de persoon van [G] voorgelegd. Deze goedkeuring is niet verleend.

2.8.Barentskrans is werkzaamheden blijven verrichten voor UBN en Cuvo. Uiteindelijk is nog voor de zitting bij de Ondernemingskamer een schikking getroffen tussen [A] en de andere bij de machtsstrijd betrokken partijen. De zitting is niet doorgegaan.

2.9.Barentskrans heeft Cuvo drie declaraties gezonden:

a. een declaratie van 28 juli 2010 voor een bedrag van Euro 24.723,85 (incl. BTW, verschotten en kantoorkosten)

b. een declaratie van 29 juli 2010 voor een bedrag van Euro 1.892,10 (incl. BTW en kantoorkosten) en

c. een declaratie van 30 juli 2010 voor een bedrag van Euro 8.214,87 (incl. BTW en kantoorkosten) (producties 6a, b en c bij de dagvaarding).

2.10.Barentskrans heeft op 29 juli 2010 ten laste van Cuvo conservatoir beslag gelegd onder ING Bank N.V. ter zake van een vordering van Euro 34.600,74, om de voldoening van voormelde declaraties veilig te stellen. De declaraties zijn onbetaald gebleven.

2.11.Op 18 augustus 2010 heeft Barentskrans het gelegde beslag opheven, nadat Cuvo een bankgarantie had gesteld.

3.Het geschil

in conventie

3.1.Barentskrans vordert - samengevat - veroordeling van Cuvo tot betaling van EUR 34.830,82, (de onder 2.9 genoemde declaraties) vermeerderd met rente en kosten (waaronder de kosten van het beslag).

3.2.Cuvo voert verweer en heeft harerzijds vorderingen in conventie geformuleerd, waarvan de rechtbank aanneemt dat zij zijn beoogd als reactie op de vorderingen in conventie van Barentskrans. Deze zullen hierna bij de reconventie worden vermeld aangezien de wet geen grondslag biedt aan een gedaagde om vorderingen in conventie in te dienen.

3.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.Cuvo vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat Barentskrans 1. geen opdracht heeft ontvangen van Cuvo voor het verrichten van werkzaamheden na 17 juli 2010; 2. onrechtmatig jegens Cuvo heeft gehandeld door onbevoegdelijk namens Cuvo werkzaamheden te verrichten en processtukken in te dienen in strijd met uitdrukkelijke instructie (1. en 2. zoals als vordering in conventie verwoord) 3. jegens Cuvo toerekenbaar tekort is geschoten en onrechtmatig heeft gehandeld bij het verrichten van werkzaamheden van november 2009 tot 17 juli 2010, met veroordeling van Barentskrans tot betaling van EUR 313.214,76, en 4. het beslag onrechtmatig is, met veroordeling van Barentskrans tot vergoeding van de door Cuvo door het beslag geleden schade, op te maken bij staat, alles vermeerderd met rente en kosten.

3.5.Barentskrans voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie

4.1.Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtsverhouding tussen Barentskrans, in de persoon van mr. Surber enerzijds en Cuvo en UBN anderzijds, moet worden gezien als een overeenkomst van opdracht, zoals bedoeld in art. 7:400 BW ev. Barentskrans heeft gesteld dat de gefactureerde werkzaamheden alle zijn verricht in het kader van het voeren van het verweer in de procedure van de stichting tegen Cuvo en UBN voor de Ondernemingskamer. Cuvo betwist thans dat sprake is geweest van het verlenen van een opdracht daartoe.

4.2.Kern van het geschil is of mr. Surber mocht menen dat Cuvo en UBN wensten dat hij hen zou vertegenwoordigen in voornoemd geschil.

4.3.Dienaangaande geldt dat op het moment dat de stichting haar verzoekschrift bij de Ondernemingskamer indiende, zijnde 7 juli 2010, [A] statutair bestuurder van UBN en feitelijk bestuurder van Cuvo was. Gesteld noch gebleken is dat er op dat moment beperkingen waren aan de bevoegdheid van [A] om namens de vennootschappen opdracht te geven in rechte verweer te voeren. Met name is niet gesteld of gebleken dat de toenmalige raad van commissarissen van UBN de toestemming tot het voeren van dat verweer had onthouden. Dit laat geen andere slotsom toe dan dat mr. Surber (en daarmee Barentskrans) toen [A] hem de opdracht gaf verweer te voeren in die procedure, redelijkerwijs mocht veronderstellen dat hij, door de opdracht te accepteren, de vennootschap ging vertegenwoordigen en dat de vennootschap zich verbond zijn declaraties te vergoeden.

.

4.4.Vanaf de ontvangst van de hiervoor onder 2.6 genoemde brief mocht hij daar echter niet meer zonder meer vanuit gaan. Het was hem bekend dat Cuvo, UBN en [A] betrokken waren in een machtsstrijd en hij moet zich redelijkerwijs hebben gerealiseerd dat in die machtsstrijd, met het vonnis van de voorzieningenrechter van 14 juli 2010, op die datum een machtswisseling binnen de stichting heeft plaatsgevonden ten faveure van de coöperatie (zoals ook wordt aangegeven in de dagvaarding onder 6). Gelet op de bewoordingen van de brieven van mr. Smit en [G] van 17 juli 2010, over welke laatste brief mr. Surber ter comparitie heeft verklaard dat hij [G] niet om opheldering hoefde te vragen omdat de brief duidelijk was, had het op de weg van mr. Surber gelegen om alvorens hij na ontvangst van deze brief nadere werkzaamheden voor UBN of Cuvo zou verrichten, bij [G] na te vragen of hij nog steeds bevoegd was om in opdracht van de vennootschappen te handelen. Aangezien de overeenkomst tot opdracht ingevolge art. 7:408 BW te allen tijde kan worden opgezegd, kon hij er niet mee volstaan te vertrouwen op de oorspronkelijke opdracht.

4.5.Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe opdracht door de instructies van de zijde van [A] op en na 17 juli 2010 geldt het volgende.

Weliswaar mag een partij die handelt met een vennootschap erop vertrouwen dat de vennootschap is gebonden indien deze wordt vertegenwoordigd door haar statutair bestuurder, maar in de onderhavige situatie gaat dat niet op.

Niet in geschil is dat [A] om namens UBN in rechte te mogen procederen de toestemming nodig had van de raad van commissarissen. De bewoordingen van de brief van [G] van 17 juli 2010 laten geen andere lezing toe dan dat die toestemming - zo deze ooit was verleend, partijen hebben zich hier niet over uitgelaten - in ieder geval met ingang van die datum niet meer van kracht was. Vast staat dat deze ook daarna niet alsnog is verleend.

4.6.Voor zover de opmerkingen van mr. Smit en [B] ter gelegenheid van de comparitie aldus moeten worden begrepen dat mr. Surber na het vonnis van 14 juli 2010 al geen werkzaamheden meer had mogen verrichten, wordt deze stelling verworpen. Immers op dat moment was er namens UBN en Cuvo geen andere wilsuiting dan de opdracht van [A], die op 14 juli 2010 noch was geschorst noch was ontslagen. Het enkele feit dat het kort geding van 1 juli 2010 had geresulteerd in een afwijzend vonnis is onvoldoende om op grond daarvan aan te nemen dat de opdracht aan Barentskrans, in de persoon van mr. Surber, was ingetrokken.

4.7.Dit laat geen andere slotsom toe dan dat Cuvo tekortschiet in haar verbintenissen waar zij het honorarium tot 17 juli 2010 onbetaald laat, maar dat zij zich vanaf die datum terecht op het standpunt stelt dat Barentskrans, in de persoon van mr. Surber, niet langer in opdracht van Cuvo en UBN heeft gehandeld. Dientengevolge is Cuvo voor verrichtingen van Barentskrans na deze datum ook geen loon verschuldigd. Aan een bewijsaanbod van Barentskrans komt de rechtbank verder niet toe.

4.8 Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft mr. Smit aangevoerd dat Barentskrans de declaraties had moeten laten begroten, alvorens deze procedure te beginnen. Dat verweer moet worden verworpen. Voor zover het de met ingang van 17 juli 2010 verrichte werkzaamheden betreft, blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat Barentskrans, in de persoon van mr. Surber, vanaf die datum niet langer mocht aannemen dat zij in opdracht van Cuvo of UBN handelde en derhalve geen bedragen voor verdere bemoeienissen meer in rekening mocht brengen. Bij een begroting van dit deel van de declaraties heeft Cuvo dan ook geen belang meer.

Voor zover het de declaraties betreft van voor 17 juli 2010 verrichte werkzaamheden is het uitgangspunt dat ingevolge artikel 32 Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) een geschil ter begroting kan worden voorgelegd aan de Raad van Toezicht indien het geschil de hoogte van het bedrag van de declaratie betreft. De Raad van Toezicht – en eventueel de in artikel 35, lid 1 WTBZ bedoelde rechter – moet beoordelen of de advocaat zijn declaratie overeenkomstig het voorschrift van artikel 30 WTBZ heeft berekend naar de mate van het belang en de moeilijkheid van de zaak, alsmede van de daaraan bestede tijd. In de onderhavige zaak betreft het geschil tussen partijen echter niet de hoogte van het bedrag van de declaratie, maar de vraag of de advocaat al dan niet in opdracht van de cliënt heeft gehandeld. Een dergelijk geschil leent zich niet voor begroting op grond van de WTBZ.

4.9.Cuvo heeft de werkzaamheden vermeld op de factuur van 30 juli 2010 (prod. 6c bij dagvaarding) betwist. Barentskrans heeft die werkzaamheden nader gespecificeerd op de bijlage bij de declaratie. Ter comparitie heeft mr. Surber onder ede verklaard dat de werkzaamheden zijn verricht en als getuige een nadere toelichting verstrekt. De rechtbank heeft geconstateerd dat het verweerschrift in de procedure bij de Ondernemingskamer (prod. 5 bij dagvaarding) 37 pagina's telt en een gedetailleerd en gemotiveerd verweer bevat. Hetgeen mr. Smit daartegenover heeft opgemerkt komt neer op gissingen en aannames en is onvoldoende geconcretiseerd. Aan dat verweer zal de rechtbank verder voorbij gaan. Begroting kan hieraan niet afdoen. Aan het bewijsaanbod van Cuvo komt de rechtbank niet toe.

4.10.Dit betekent dat Cuvo de declaraties als volgt had dienen te voldoen:

- de declaratie sub a voor het bedrag van Euro 6.307,50 + Euro 65,-- belaste verschotten + Euro 263,-- onbelaste verschotten;

- de declaratie sub b: niet;

- de declaratie sub c voor het bedrag van Euro 5.440,--.

Daarmee is de vordering toewijsbaar tot het bedrag van Euro 11.812,50 te vermeerderen met kantoorkosten en BTW + Euro 263,-- (ex BTW). Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen. Nu geen afzonderlijk verweer is gevoerd met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente, is deze toewijsbaar vanaf de datum zoals gevorderd, zijnde 5 augustus 2010.

4.11.Barentskrans vordert Cuvo te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. In reconventie heeft Cuvo een verklaring voor recht gevorderd dat het gelegde beslag onrechtmatig is. Indien deze vordering slaagt bestaat, gelet op het bepaalde bij art. 706 Rv, voor een veroordeling van Cuvo in de kosten van het beslag geen grondslag. In het geding in conventie behoeft deze vordering echter geen bespreking nu, gelet op hetgeen in reconventie onder 4.12 is overwogen daar partijen zowel in conventie als in reconventie over en weer gedeeltelijk in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld. Derhalve bestaat aanleiding de kosten in conventie te compenseren met dien verstande dat ieder der partijen de eigen kosten draagt, waaronder de kosten voor het beslag.

in reconventie

4.12.Gelet op hetgeen hiervoor in conventie is overwogen, waarbij het verweer van Cuvo in conventie gedeeltelijk slaagt, zijn de reconventionele vorderingen tot de verklaringen voor recht weergegeven onder 3.4 onder 1. en 2. toewijsbaar vanaf 17 juli 2010. Aan het bewijsaanbod van Barentskrans in reconventie komt de rechtbank niet toe.

4.13.Kern van het geschil in reconventie is overigens het volgende.

a. Cuvo verwijt Barentskrans toerekenbaar tekortgeschoten te zijn met betrekking tot in de periode november 2009 tot 17 juli 2010 door Barentskrans voor Cuvo en UBN (als raadsman) uitgevoerde juridische (advies)werkzaamheden. Derhalve vordert Cuvo het bedrag van de door haar aan Barentskrans voldane declaraties terug. Onderdeel van dit verwijt is dat Barentskrans oorzaak is van de verbeurte door Cuvo van Euro 100.000,-- aan dwangsommen. Hierop ziet het gevorderde vermeld onder 3.4 onder 3.

b. Cuvo verwijt Barentskrans dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door het leggen van het conservatoir beslag. Hierop ziet het gevorderde vermeld onder 3.4 onder 4.

4.14.Maatstaf bij de beoordeling of Barentskrans als juridisch adviseur van Cuvo en UBN toerekenbaar jegens deze is tekortgeschoten, is of Barentskrans tegenover Cuvo en UBN de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Daarbij liggen de stelplicht en de bewijslast dat Barentskrans niet aldus heeft gehandeld bij Cuvo (en UBN).

4.12 Barentskrans heeft de stellingen van Cuvo ter zake gemotiveerd weersproken. Tegenover deze gemotiveerde weerspreking had van Cuvo verwacht mogen worden dat zij haar stellingen nader zou hebben onderbouwd en gepreciseerd, bijvoorbeeld door aan te geven welke standpunten in welke procedures, of welke adviezen zodanig waren dat zij niet verwoord hadden mogen worden, hetgeen zij heeft nagelaten. Cuvo heeft voorts on (voldoende) weersproken gelaten dat Barentskrans destijds - voor zover het procedures betreft - slechts het standpunt van Cuvo verwoord heeft, en dat Barentskrans alvorens stukken in te dienen altijd de goedkeuring van Cuvo heeft gevraagd en gekregen. In dit licht valt zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet in te zien hoe Barentskrans tekortgeschoten kan zijn of onrechtmatig kan hebben gehandeld door de standpunten van Cuvo te verwoorden zoals zij heeft gedaan. Het enkele feit dat Cuvo thans de standpunten die zij destijds innam apert onjuist acht, is daartoe onvoldoende. Ook indien juist is dat Cuvo telkens in het ongelijk zou zijn gesteld - Cuvo stelt dit, maar het wordt door Barentskrans betwist - leidt dat nog niet zonder meer tot de conclusie dat Barentskrans door het standpunt van Cuvo te verwoorden zoals zij heeft gedaan tekortgeschoten is in haar verbintenissen jegens Cuvo. Ditzelfde geldt voor de stelling dat Barentskrans op 1 juli 2010 in een kort geding tegen de stichting zowel namens de statutaire bestuurder als de vennootschap heeft opgetreden. Dat sprake was van een belangenverstrengeling die dit optreden op enige wijze tot een toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad maakte, is onvoldoende geconcretiseerd.

4.15.Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft mr. Smit nog aangevoerd dat een tuchtklacht tegen mr. N.J. Surber heeft geresulteerd in een waarschuwing. Tussen partijen is niet in geschil dat een en ander samenhing met het entameren van een tweede kort geding, dat is behandeld ter zitting van 30 december 2009. Het klachtwaardige gedrag zou hebben bestaan uit het niet waarschuwen van mr. Smit dat het kort geding aanhangig was gemaakt en het uitbrengen van de dagvaarding voor dat geding aan een adres waar slechts bij toeval die dagvaarding is ontdekt.

4.16.Als de rechtbank al uitgaat van de juistheid van het voorgaande, dan valt daarmee nog niet in te zien hoe Barentskrans daardoor toerekenbaar tekortgeschoten is of onrechtmatig heeft gehandeld jegens Cuvo of UBN. De benadeelde partij in die procedure was immers de coöperatie en met haar Stichting Depositofonds van CUVO Coöperatieve Uitvaartvereniging De Volharding U.A.. Onder 30 conclusie van eis in reconventie heeft Cuvo nog aangevoerd dat Barentskrans de voorzieningenrechter op 30 december 2009 heeft misleid en daarmee de goede naam en reputatie van Cuvo heeft geschaad, maar dit heeft zij tegenover de gemotiveerde betwisting door Barentskrans onvoldoende geconcretiseerd. Hieraan zal worden voorbij gegaan. De reconventionele vordering onder 3 dient daarom te worden verworpen. Aan het bewijsaanbod van Cuvo komt de rechtbank niet toe.

4.17.Uitgangspunt bij de beoordeling van geschilpunt b. is, dat nu in conventie is vastgesteld dat het door Barentskrans gevorderde deels toewijsbaar is, tot het beloop van het toegewezen deel van de vordering geen sprake is van ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht. Vervolgens dient te worden beoordeeld of het beslag onnodig is gelegd. Barentskrans heeft ter zake aangevoerd dat zij na de schikking die [A] had getroffen met de stichting en de coöperatie had vernomen dat Cuvo niet van zins was de nog openstaande declaraties van Barentskrans voor werkzaamheden in de periode 1 juli tot en met 28 juli 2010 te voldoen. Cuvo heeft dit niet (voldoende) weersproken. Bevestiging van dit standpunt kan ook worden gevonden in de brief van 4 augustus 2010 van mr. Smit (prod. 8 bij dagvaarding) waarin is vermeld dat de declaratie van 28 juli 2010 van Barentskrans ongegrond en onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig is, waaruit redelijkerwijs niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de declaraties onbetaald zullen blijven. Voorts kan bevestiging van deze houding worden gevonden in de proceshouding van Cuvo in deze procedure. Gelet op een en ander kan niet worden geoordeeld dat het beslag onnodig is gelegd. Of het beslag onnodig vroeg is gelegd kan buiten beschouwing blijven omdat Cuvo niet van zins was en nog steeds niet van zins is (een deel van) de declaraties te voldoen. Dat zij zou hebben betaald als het beslag niet was gelegd of later was gelegd is daarmee onaannemelijk. Niet is gesteld of gebleken dat op het moment van beslaglegging zekerheid was aangeboden voor de voldoening van (een deel van) de vordering. Dat het beslag geen ander doel had dan Cuvo te hinderen is niet (voldoende) gesteld of gebleken. Dit alles laat geen andere slotsom toe dan dat het beslag niet onrechtmatig is. De als gevolg van het beslag geleden schade komt dus niet voor vergoeding in aanmerking. Het gevorderde onder 4. is niet toewijsbaar. Aan het bewijsaanbod van Cuvo komt de rechtbank niet toe.

4.18.Gelet op hetgeen onder 4.12 is overwogen, waaruit volgt dat het verweer van Cuvo in conventie, geformuleerd als vorderingen in reconventie, gedeeltelijk slaagt, zijn partijen in conventie en in reconventie over en weer gedeeltelijk in het gelijk en het ongelijk gesteld. Derhalve bestaat aanleiding de kosten in reconventie te compenseren met dien verstande dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.veroordeelt Cuvo om aan Barentskrans te betalen een bedrag van EUR 11.812,50 (te vermeerderen met kantoorkosten en BTW) + Euro 263,-- (ex BTW), het totaal te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.compenseert de proceskosten, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.3.verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.5.I. verklaart voor recht dat Barentskrans geen opdracht heeft ontvangen van Cuvo voor het verrichten van werkzaamheden na 17 juli 2010;

II. verklaart voor recht dat Barentskrans ter zake onrechtmatig jegens Cuvo heeft gehandeld door (na deze datum) onbevoegdelijk namens Cuvo werkzaamheden te verrichten en processtukken in te dienen in strijd met de uitdrukkelijke instructie van Cuvo;

5.6.compenseert de proceskosten, met dien verstande dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.7.wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.M. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2011.