Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5826

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
351378 - HA ZA 09-3708
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Schadevergoedingsvordering na strafvorderlijk optreden. Inbeslagname cd's / videobanden door opsporingsambtenaren Buma/Stemra. Grondslag ontbreken redelijke verdenking / verontachtzaming fundamentele vereisten: bewijsopdracht met betrekking tot verjaring. Grondslag onzorgvuldig onderzoek: bewijsopdracht met betrekking tot verjaring. Grondslag onrechtmatig voortduren beslag: afgewezen."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 351378 / HA ZA 09-3708

Vonnis van 9 maart 2011 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser], h.o.d.n. KMI - MUSIC BANK,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.K. Ramdas te Rotterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN meer specifiek HET MINISTERIE VAN JUSTITIE,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het betekenings- en herstelexploot van 18 november 2008, waarbij de dagvaarding van 31 augustus 2007 met producties is betekend;

- de conclusie van antwoord van 13 januari 2010, met producties;

- het tussenvonnis van 27 januari 2010, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- de (ambtshalve) beschikkingen van 2 juli 2010 en 24 augustus 2010 ter bepaling van een comparitiedatum;

- het proces-verbaal van comparitie van 18 november 2010, en het daarin genoemde gedingstuk;

- de brief van 23 december 2010 aan de zijde van [eiser], met producties;

- de brief van 10 februari 2011 aan de zijde van de Staat, met productie;

- de brief van 11 februari 2011 aan de zijde van [eiser];

- de brief van 15 februari 2011 van de rechtbank aan [eiser] waarbij de eerste 2 pagina's van de brief van 11 februari 2011 aan de zijde van [eiser] en alle bijgevoegde producties zijn geretourneerd;

- de brief van 18 februari 2011 van de rechtbank aan [eiser] met een correctie op de brief van 15 februari 2011.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Op 6 augustus 1997 hebben buitengewone opsporingsambtenaren van Buma/Stemra een controle uitgevoerd op een postpakket dat bij de Belastingdienst/Douane te Hoofddorp, doorlaatpost Schiphol, was binnengekomen. Het postpakket was geadresseerd aan "M/S. Avtar Stores", [a-straat te plaats A]. Het pakket bevatte 5000 compact discs (hierna: cd's) die op dezelfde dag door de voornoemde opsporingsambtenaren in beslag zijn genomen.

2.2.Tevens heeft op 6 augustus 1997 door de buitengewone opsporingsambtenaren van Buma/Stemra een onderzoek plaatsgevonden in het winkelpand van Avtar Stores aan de [a-straat te plaats A]. [eiser] is eigenaar van deze winkel. Daarbij zijn 33.647 cd's, 1.400 muziekcassettes, 853 videofilms, één grijze plastic zak met muziekcassettes en vier opbergkoffers met daarin enkele honderden cd's per koffer in beslag genomen.

2.3.Op 5 september 1997 zijn 4.646 cd's, 700 muziekcassettes en de grijze plastic zak met muziekcassettes aan [eiser] teruggegeven. Op 21 oktober 1997 zijn 1.900 cd's en de vier opbergkoffers met cd's teruggegeven aan [eiser].

2.4.Polygram India Limited (hierna: PIL) en The Gramophone Company of India Limited (hierna: GCIL) hebben op 4 en 9 september 1997 aangifte gedaan van strafbare feiten. Op 23 juli 2008 is (via hun advocaat) door een aantal Amerikaanse filmmaatschappijen c.q. filmproducenten en namens Nederlandse videofilmproducenten eveneens aangifte gedaan van strafbare feiten.

2.5.De Officier van Justitie heeft op 3 mei 2000 de aan [eiser] uitgebrachte dagvaarding ingetrokken.

2.6.Op 19 mei 2000 heeft de Officier van Justitie een brief aan de opsporingsdienst van Buma/Stemra gestuurd, met een kopie aan de advocaat van [eiser], waarin - onder meer - het volgende is opgenomen:

"(...)

Het is algemeen bekend dat Auteurswet-zaken niet de favoriete zaken van de gemiddelde officier van justitie zijn. Het betreft vaak een complexe materie, waarbij de civielrechtelijke aspecten een belangrijke rol spelen.

In de strafzaak tegen verdachte [eiser], bij u bekend onder PVB-nummer [nummer], liggen de kaarten nog ingewikkelder, nu het hierin Hindi muziek betreft en de Indiase Copyright Act 1957 een rol speelt. Dit vormt een uitdaging een gedegen onderzoek te verrichten. Temeer daar, naar ik begreep, de markt voor deze muziek zeer groot is en vele illegale producten in het verkeer gebracht zijn.

Dit gedegen onderzoek heeft mijns inziens blijkens het dossier in deze zaak helaas niet plaatsgevonden. Noch door uw opsporingsdienst, noch door het Openbaar Ministerie.

Volgende week hebben wij telefonisch contact over deze strafzaak. Op voorhand wil ik u toch reeds mijn standpunt in deze uiteenzetten.

(...)

Al met al ligt er thans (bijna 2,5 jaar na de zoeking bij verdachte!) een dossier op mijn bureau waarmee ik op zijn zachtst gezegd niet gelukkig ben. Op basis hiervan zal de rechtbank nimmer tot een veroordeling komen.

De mogelijkheid van aanvulling van de stukken middels een aanvullend proces-verbaal en een rapportage van een onafhankelijke deskundige biedt geen uitkomst.

(...)

Ik zal de strafzaak daarom te zijner tijd seponeren.

Daarmee zijn nog niet alle problemen opgelost. Wat namelijk te doen met de inbeslaggenomen CD's en videobanden?

Teruggeven aan verdachte is geen optie. Immers, er liggen (hoe summier ook) wel aangiftes dat ze illegaal zijn. Bovendien kan het zomaar teruggeven van de goederen een schadedaim van verdachte tot gevolg hebben. Hij is zijn handelswaar immers reeds ruim twee jaar kwijt, hetgeen van invloed kan zijn op de courantheid/marktwaarde van de goederen.

Ik zal derhalve een aparte vordering ex artikel 552f SV indienen. Ik zal de rechtbank verzoeken de CD's en videobanden te onttrekken aan het verkeer.

Dit betekent echter dat helder en inzichtelijk gemaakt dient te worden hoe in casu de auteursrechtelijke situatie rondom de CD's en de videobanden in elkaar steekt, zodat de rechtbank hierover kan beslissen.

Normaliter heb ik (weinig tot) geen reden te twijfelen aan een standpunt van

verbalisanten en aangevers waar deze concluderen dat goederen illegaal of hun eigendom zijn. Ïn casu echter wordt de illegaliteit betwist.

(...)

De vraag die de rechtbank te zijner tijd zal moeten beantwoorden is de vraag of wettig en overtuigend is bewezen dat het hier illegale CD's betreft. Bewijs dat door mij aangedragen zal moeten worden. Bewijs dat ik op dit moment niet voldoende in het dossier aantref.

Ik wil de stukken derhalve, voorzover ik die heb, in handen stellen van uw dienst. [eiser] en aangevers hebben vele stukken overgelegd die niet bij het proces-verbaal zaten. Het zijn deze stukken op basis waarvan beoordeeld moet worden of er wel af geen inbreuk op de Auteurswet is gemaakt.

De stukken zullen nader onderzocht moeten worden, zullen aangevuld moeten worden. Daar ligt een taak voor uw dienst.

Vervolgens wil ik de stukken en de resultaten van uw naspeuringen voorleggen aan een onafhankelijke deskundige, die ook ter zitting aan de rechtbank uitleg kan geven hoe een en ander in elkaar steekt. Mijn vraag aan u is in dat kader wie kan daarvoor benaderd kan worden?

(...)"

2.7.Op 10 april 2002 heeft de Officier van Justitie de strafzaak jegens [eiser] geseponeerd wegens onvoldoende wettig bewijs en vanwege de mogelijkheid van niet ontvankelijkheid door het tijdsverloop tussen inbeslagname en vervolging.

2.8.In juli 2002 zijn de cd's en videobanden aan [eiser] geretourneerd.

2.9.Bij verzoekschriften ex artikel 591 jo 591a Sv van 8 juli en 3 december 2002 heeft [eiser] aanspraak gemaakt op vergoeding van schade. Bij beslissing van 3 januari 2003 heeft de rechtbank Breda op deze verzoeken een bedrag toegekend van € 6.303,78.

2.10.Bij brief van 3 maart 2003 heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld op basis van - verkort weergegeven - onrechtmatig handelen.

3.Het geschil

3.1.[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor recht zal verklaren:

primair:

1. dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt de litigieuze partij cd's in beslag te nemen en te houden;

2. dat de Staat aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

subsidiair:

3. dat de Staat voor een nader vast te stellen percentage aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

primair en subsidiair met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [eiser] dat de inbeslagneming en inbeslaghouding onrechtmatig zijn geweest op basis van de volgende omstandigheden. Ten eerste is [eiser] nooit als verdachte gehoord. Ten tweede heeft de rechtbank Breda in haar beschikking van 11 augustus 2002 opgenomen dat in de strafzaak alleen deskundigen knopen zouden kunnen doorhakken, maar initiatieven ter zake zijn door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet of onvoldoende ontplooid. Ten derde heeft de rechtbank Breda in haar beschikking van 3 januari 2003 opgenomen dat [eiser] de tegen hem gerezen verdenking niet aan zichzelf te wijten had. In het proces-verbaal is niet vermeld op welke gronden Buma/Stemra tot de conclusie is gekomen dat de cd's illegaal zouden zijn. Volgens [eiser] kon Buma/Stemra ook niet oordelen over eventuele illegaliteit van de cd's daar er bij Buma/Stemra niets bekend kon zijn over de cd's. Ten vierde heeft het OM nooit een vordering ex artikel 552f Sv ingesteld.

3.3.De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Grondslagen van de vordering van [eiser]

4.1.De rechtbank begrijpt - met de Staat - dat [eiser] stelt dat de Staat op drie verschillende grondslagen onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld:

a. onrechtmatige inbeslagname wegens het ontbreken van een redelijke verdenking en/of de veronachtzaming van fundamentele vereisten;

b. onzorgvuldig onderzoek door het OM door het inschakelen van partijdige deskundigen c.q. het niet horen van [eiser] als verdachte;

c. onrechtmatig voortduren van het beslag na de brief van de Officier van Justitie van 19 mei 2000 (zie onder 2.6).

4.2.Voorts leest de Staat een vierde grondslag in de stellingen van [eiser], te weten het "gebleken onschuld criterium". In dat kader is voor toewijzing van een schadevergoedingsvordering op de voet van onrechtmatige overheidsdaad aanleiding, indien uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak van de onschuld van de verdachte blijkt en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. [eiser] heeft echter naar het oordeel van de rechtbank expliciet noch impliciet iets gesteld waaruit kan volgen dat hij een beroep doet op dit gebleken onschuld criterium, zodat de rechtbank niet toekomt aan de behandeling van de vordering op deze grondslag. [eiser] stelt wel dat een redelijke verdenking jegens hem heeft ontbroken. Deze stelling betreft echter de grondslag zoals opgenomen onder r.o. 4.1 a en zal in dat kader worden behandeld.

4.3.De rechtbank zal de onder r.o. 4.1 genoemde grondslagen (voor zover nog relevant) behandelen, nadat het verjaringsverweer van de Staat aan de orde is gekomen.

Verjaring

4.4. Op de rechtsvorderingen van [eiser] op de onder r.o. 4.1 genoemde grondslagen is voor de verjaring artikel 3:310 lid 1 BW van toepassing. De verjaringstermijn vangt aan op de dag volgende op die waarop [eiser] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

De rechtsvordering gebaseerd op de grondslag genoemd onder r.o. 4.1 a

4.5.De Staat betoogt terecht - en onweersproken - dat met betrekking tot deze grondslag de verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen op de dag na inbeslagname, derhalve 7 augustus 1997. Dat betekent dat [eiser] vóór 7 augustus 2002 zijn rechtvordering diende in te stellen of de verjaring diende te stuiten (conform artikel 3:317 lid 1 BW). De rechtbank constateert - met partijen - dat de aansprakelijkstelling van 3 maart 2003 (vergelijk r.o. 2.10) de verjaring niet tijdig heeft gestuit.

4.6.Tussen partijen is niet in geschil dat ook een eventuele stuitingshandeling van [eiser] jegens Buma/Stemra tot stuiting van de verjaring van de rechtsvordering jegens de Staat leidt. [eiser] heeft als productie 1a bij dagvaarding kopieën overgelegd van een handgeschreven brief in het Nederlands van 13 augustus 1997 en een getypt bericht in het Engels van 9 december 1998, beide door hem ondertekend. Daargelaten of deze brieven Buma/Stemra hebben bereikt, volgt de rechtbank de Staat in zijn - onweersproken gebleven - standpunt dat deze brieven niet als stuitingshandeling zijn te kwalificeren. In deze brieven wordt immers niet gerept over een onrechtmatige daad gepleegd door Buma/Stemra c.q. de Staat jegens [eiser] en eventuele schade die [eiser] dientengevolge lijdt, zodat in deze brieven ook niet kan worden gelezen dat [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming van zijn vordering op schadevergoeding voorbehoudt.

4.7.[eiser] heeft vervolgens bij zijn brief van 23 december 2010 drie brieven aan Buma/Stemra overgelegd respectievelijk gedateerd op 7 augustus 1997, 15 september 1997 en 17 december 1998 (producties 1, 3 en 4) op basis waarvan hij stelt dat de verjaring van zijn rechtsvordering jegens de Staat is gestuit.

4.8.De Staat betwist niet dat - indien en voor zover Buma/Stemra (één van) de brieven heeft ontvangen - de verjaring is gestuit en dat dan vervolgens met de brief van 3 maart 2003 (zie onder 2.10) de verjaring wederom tijdig is gestuit.

4.9.De Staat betwist echter dat Buma/Stemra deze brieven heeft ontvangen. Daartoe voert de Staat aan dat hij onderzoek heeft verricht, daar geen van de brieven aangetekend is verzonden en enkel op de brief van 15 september 1997 een adres is vermeld. Volgens de Staat herinnert de heer [A] van Buma/Stemra, aan wie de brieven zijn gericht, zich de brieven niet. Voorts betoogt de Staat dat [A] de brieven, indien hij die zou hebben ontvangen, zou hebben doorgestuurd aan de zaakofficier van justitie. Ook in het kopiedossier van de officier van justitie ten behoeve van de afhandeling van de schadeclaim van [eiser] zijn de brieven niet aangetroffen, aldus de Staat. Overigens merkt de Staat op dat hij enige aarzeling heeft over de authenticiteit van de overgelegde brieven, nu de verjaringsdiscussie tussen partijen al een aantal jaren speelt en pas na de comparitie brieven zijn overgelegd die een zodanige ondubbelzinnige mededeling bevatten dat ze stuiting van de verjaring opleveren.

4.10.Zoals de Staat terecht opmerkt, rust de bewijslast met betrekking tot de ontvangst van een brief op de afzender. De rechtbank zal [eiser] dan ook toelaten te bewijzen dat Buma/Stemra (één van) de brieven genoemd onder r.o. 4.7 heeft ontvangen.

De rechtsvordering gebaseerd op de grondslag genoemd onder r.o. 4.1 b

4.11.De onderdelen van het strafrechtelijk onderzoek die volgens [eiser] onzorgvuldig zijn verricht, betreffen het niet horen van hemzelf als verdachte direct na inbeslagname en het feit dat de Staat in september 1997 de heren P. Gohill en K.S. Makkar (werkzaam bij licentiehouders van de auteursrechthebbende partijen) heeft ingeschakeld als deskundigen voor nader onderzoek.

4.12.De Staat betoogt terecht - en onweersproken - dat de verjaringstermijn is aangevangen kort na september 1997 nu [eiser] op dat moment op de hoogte was van het feit dat hij niet als verdachte was gehoord en van het in opdracht van de Staat verrichte onderzoek door Gohill en Makkar. Daar hij zich op het standpunt stelt dat dit handelen van de Staat onzorgvuldig (onrechtmatig) is geweest, is hij vanaf dat moment bekend met de schade die hij dientengevolge zou lijden en met de Staat als daarvoor aansprakelijke partij. Dat betekent dat [eiser] uiterlijk rond oktober 2002 zijn rechtsvordering diende in te stellen of de verjaring diende te stuiten (conform artikel 3:317 lid 1 BW). De aansprakelijkstelling van 3 maart 2003 (vergelijk r.o. 2.10) heeft die stuiting dus niet bewerkstelligd.

4.13.Onder verwijzing naar r.o. 4.6 tot en met 4.10 zal de rechtbank [eiser] ook met betrekking tot deze grondslag toelaten te bewijzen dat Buma/Stemra (één van) de brieven genoemd onder r.o. 4.7 heeft ontvangen.

De rechtsvordering gebaseerd op de grondslag genoemd onder r.o. 4.1 c

4.14.Partijen zijn het erover eens dat de rechtsvordering gebaseerd op het onrechtmatig laten voortduren van het beslag, niet is verjaard.

a. onrechtmatige inbeslagname wegens het ontbreken van een redelijke verdenking en/of de veronachtzaming van fundamentele vereisten

4.15.Voor het geval [eiser] slaagt in het leveren van het in r.o. 4.10 bedoelde bewijs, zal de rechtbank de vordering op basis van deze grondslag inhoudelijk beoordelen.

b. onzorgvuldig onderzoek door het OM door het inschakelen van onpartijdige deskundigen c.q. het niet horen van [eiser] als verdachte

4.16.Voor het geval [eiser] slaagt in het leveren van het in r.o. 4.10 bedoelde bewijs, zal de rechtbank de vordering op basis van deze grondslag eveneens inhoudelijk beoordelen.

c. onrechtmatig voortduren van het beslag na de brief van de Officier van Justitie van 19 mei 2000

4.17.De rechtbank begrijpt dat [eiser] bedoelt te stellen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld omdat de Officier van Justitie al bij brief van 19 mei 2000 (vergelijk onder 2.6) heeft meegedeeld de strafzaak te zullen seponeren maar daarmee heeft gewacht tot 10 april 2002 (zie onder 2.7). De Staat betoogt terecht dat [eiser] de beklagprocedure van artikel 552a Sv ten dienste stond om zich te beklagen over het (volgens hem ten onrechte) uitblijven van de last tot teruggave door de Officier van Justitie. Dat is de geëigende rechtsgang om teruggave van de inbeslaggenomen goederen te bewerkstelligen. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat het voor hem overbodig was een klaagschrift in te dienen omdat de Officier van Justitie al had aangekondigd de zaak te zijner tijd te seponeren. Juist voor het geval dit sepot (volgens [eiser] ten onrechte te lang) op zich laat wachten, kan in de beklagprocedure worden getoetst of beëindiging van het beslag aan de orde is.

4.18.Voorzover [eiser] tevens bedoelt te stellen dat het tijdsverloop van bijna twee jaar zodanig is dat dit op zichzelf onrechtmatig handelen van de Staat impliceert, overweegt de rechtbank als volgt. De Officier van Justitie heeft in de brief van 19 mei 2000 aangekondigd een vordering tot onttrekking aan het verkeer ex artikel 552f Sv bij de rechtbank te willen indienen. Gezien de ingewikkelde problematiek van de auteursrechtelijke situatie rondom de cd's en de videobanden heeft de Officier van Justitie stappen ondernomen om nader geïnformeerd te worden door Buma/Stemra en te komen tot inschakeling van een deskundige (zie onder 2.6). De rechtbank constateert - met de Staat - dat het daarop volgende tijdsverloop niet alleen aan de Staat is te wijten, nu de advocaat van [eiser] pas bij brief van 21 juni 2001 heeft gereageerd op de vraag van de Officier van Justitie bij brief van 16 november 2000 over personen die als deskundigen ingeschakeld zouden kunnen worden, derhalve pas na ruim zeven maanden. Nu het een gecompliceerde materie betreft, in samenhang met het feit dat [eiser] zelf geen pogingen heeft ondernomen de inbeslagname via de geëigende weg op te heffen en [eiser] zelf deels voor het tijdsverloop verantwoordelijk is, komt de rechtbank tot het oordeel dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld.

4.19.Het voorgaande betekent dat de vordering op deze grondslag zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.laat [eiser] toe het in r.o. 4.10 en 4.13 bedoelde bewijs te leveren,

5.2.bepaalt dat indien [eiser] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage door mr. G.H.I.J. Hage,

5.3.bepaalt dat de advocaat van [eiser] in dat geval binnen twee weken na heden bij brief aan de griffie opgave zal doen van de namen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van alle betrokkenen voor een periode van vier maanden na heden, waarna dag en uur van de verhoren zal worden bepaald,

5.4.bepaalt dat [eiser], indien hij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, hij dit binnen twee weken na heden schriftelijk aan de rechtbank en aan de wederpartij moet opgeven; in dat geval zal het getuigenverhoor geen doorgang vinden en zal de zaak naar een nader te bepalen rolzitting worden verwezen voor het nemen van een akte met dit doel door [eiser],

5.5.bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6.bepaalt dat het aan de hand van de opgave(n) vastgestelde tijdstip voor getuigenverhoor, behoudens in de gevallen genoemd in het Landelijk Rolreglement, niet zal worden gewijzigd,

5.7.beveelt partijen, in persoon en deugdelijk vertegenwoordigd, daarbij aanwezig te zijn tot het zonodig verstrekken van inlichtingen,

5.8.houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.