Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5688

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
379594 FA RK 10-8840
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap en alimentatie

De rechtbank stelt vast dat de man verwekker van verzoekster is en bepaald een bijdrage voor de kosten van levensonderhoud en studie van verzoekster.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 208
Burgerlijk Wetboek Boek 1 234
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Burgerlijk Wetboek Boek 1 402
Burgerlijk Wetboek Boek 1 395
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2011/532
JIN 2011/576
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 10-8840

Zaaknummer: 379594

Datum beschikking: 14 maart 2011

Bevoegd is de rechter van de woonplaats in Nederland of, bij gebreke daarvan, van het werkelijk

Verblijf van de minderjarige - 265 Rv.

Gerechtelijke vaststelling vaderschap en alimentatie

Beschikking op het op 10 november 2010 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster]

verzoekster,

wonende te [woonplaats]

advocaat mr. P.W.L. Russell te Amsterdam.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[man]

de man,

volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [woonplaats] wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. M. Groenleer te 's-Gravenhage.

[moeder]

de moeder,

wonende te [woonplaats]

advocaat: --.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift, met bijlagen;

- het verweerschrift van de zijde van de man, met bijlagen;

- een akte overlegging producties van 28 januari 2011, met bijlagen, van de zijde van verzoekster;

- de brief van 3 februari 2011, met bijlagen, van de zijde van verzoekster.

Het faxbericht, met bijlagen, van 4 februari 2011 van de zijde van verzoekster laat de rechtbank buiten beschouwing. Van de zijde van de man is uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het in aanmerking nemen van deze stukken. De rechtbank stelt vast dat het faxbericht op vrijdag 4 februari 2011 om 18.36 uur bij de rechtbank is ingekomen en zij gaat er vanuit dat het ook rond die tijd door de advocaat van verzoekster naar de advocaat van de man is gezonden. Zij acht het derhalve aannemelijk dat de man en zijn advocaat vóór de mondelinge behandeling van maandag 7 februari 2011 geen, althans onvoldoende, kennis hebben kunnen nemen van deze stukken. Reeds het feit dat twee van de drie overgelegde verklaringen in de Engelse taal zijn gesteld, doch niet zijn voorzien van een vertaling in de Nederlandse taal, verzet zich tegen het in aanmerking nemen van deze stukken, waarbij de rechtbank verwijst naar artikel 1.8 van het procesreglement alimentatie. Afgezien daarvan vormt de aard van de stukken een beletsel om ter zitting van de inhoud daarvan kennis te nemen en de man daarop te laten reageren.

Op 7 februari 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster met haar advocaat en met mr. A.A.C. Spoormans, een kantoorgenoot van haar advocaat, de man met zijn advocaat en de moeder.

Van zowel de zijde van verzoekster als de man zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt - kort gezegd - tot:

- gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man over verzoekster;

- vaststelling van een bijdrage van € 6.000,- per maand (te indexeren vanaf de ingangsdatum) in de kosten van levensonderhoud van verzoekster met ingang van

1 november 2005 tot aan de voltooiing van de, in de toekomst aan te vangen, master studie van verzoekster;

- het geven van een bevel aan de man om diverse door verzoekster genoemde financiële bescheiden over te leggen;

- veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De man voert verweer tegen de overige verzoeken, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. De man verzoekt zelfstandig om verzoekster in de kosten van deze procedure te veroordelen.

Hiertegen voert verzoekster verweer.

De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken.

Feiten

- Verzoekster is op [geboortedatum] 1991 uit de moeder geboren.

- Verzoekster is niet erkend.

- De moeder was tot de meerderjarigheid van verzoekster belast met het gezag over verzoekster.

- In een overgelegd rapport (Humaan Identiteitstest Rapport) van 25 juni 2010 van BaseClear Group/Verilabs Nederland B.V. staat vermeld dat, met de wetenschap dat [dochter] geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] (hierna: [dochter]), en verzoekster niet dezelfde moeder hebben en dat daarvan het x-profiel dus afwijkend moet zijn, kan worden gesteld dat [dochter] en verzoekster afstammen van dezelfde mannelijke lijn.

Beoordeling

284 lid 4 jo 195 Rv: Er wordt geen voorschot opgelegd aan de partij aan wie een toevoeging is verleend

of aan wie het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld. OVERWEGING: "Nu aan de .... een

toevoeging is verleend (of m.m.: het vast recht gedeeltelijk in debet is gesteld), zal ... terzake van

het deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd." En hieronder ex art. 199 lid 3 Rv

in DICTUM bepalen i.p.v. de bepaling tot betaling van het voorschot: In debetstelling van dat

voorschot.

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

De rechtbank dient te beoordelen of aan de grond voor toewijzing van het verzoek, te weten dat de man de verwekker van verzoekster is, is voldaan. Uit voormeld rapport blijkt weliswaar niet dat de man degene is van wie [dochter] en verzoekster beiden afstammen, maar hieruit blijkt wel dat zij beiden afstammen van dezelfde mannelijke lijn. Nu verzoekster onweersproken heeft gesteld dat [dochter] de dochter van de man is uit zijn eerste huwelijk, zij haar stelling dat de man haar verwekker is nader heeft toegelicht en deze stelling door de moeder is bevestigd en door de man niet is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de man de verwekker van verzoekster is. Het verzoek zal derhalve worden toegewezen.

Bijdrage in het levensonderhoud van verzoekster

Uit artikel 1:208 BW volgt dat bij de uitspraak waarbij het vaderschap wordt vastgesteld de rechter op een daartoe strekkend verzoek ten behoeve van het kind een bijdrage kan toekennen in de kosten van verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 1:404 BW of in de kosten van levensonderhoud en studie als bedoeld in artikel 1:395a BW.

Uit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank eerst de ingangsdatum van de vast te stellen bijdrage bepalen en daarna de hoogte hiervan.

De periode van 1 november 2005 (de verzochte ingangsdatum) tot 15 augustus 2009 (de datum waarop verzoekster meerderjarig is geworden)

Op grond van artikel 1:408 BW wordt de bijdrage ten behoeve van een minderjarig kind betaald aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt. De moeder is derhalve de rechthebbende voor de bijdrage over de onderhavige periode.

Verzoekster stelt in het verzoekschrift dat 'voor zover de door de man te betalen bijdrage door de moeder gedane betalingen zou betreffen [...], verzoekster in deze procedure mede namens haar moeder optreedt'. Verzoekster verzoekt echter voornamelijk een bijdrage van de man in kosten die niet door haar moeder zijn betaald. Voormelde zin ziet dan ook niet op een machtiging voor het onderhavige verzoek. Voorts heeft verzoekster weliswaar ter zitting gesteld dat de moeder haar heeft gemachtigd over de periode van haar minderjarigheid een bijdrage van de man te verzoeken, maar zij heeft niet een zodanige machtiging overgelegd. De rechtbank kan op grond van het vorenstaande dan ook niet aannemen dat verzoekster door haar moeder is gemachtigd namens haar het onderhavige verzoek te doen.

Ook het vorenstaande daargelaten is het verzoek voor wat betreft deze periode naar het oordeel van de rechtbank niet toewijsbaar. Een minderjarig kind is in beginsel procesonbekwaam. Een minderjarig kind wordt in rechte vertegenwoordigd door degene onder wiens gezag hij staat (artikel 1:234 juncto 1:245 lid 4 BW). De rechtbank acht het in strijd met voormelde artikelen en in strijd met het systeem van de wet dat een meerderjarig geworden kind alsnog (zelfstandig) procedeert over een bijdrage betreffende een periode waarin zij minderjarig en procesonbekwaam was én die niet aan haar verschuldigd was of is maar aan haar moeder als rechthebbende op deze bijdrage.

De rechtbank wijst het verzoek over deze periode gezien het vorenstaande af.

Overigens blijkt uit het hierna vermelde dat de rechtbank geen aanleiding ziet om de bijdrage met verdere terugwerkende kracht dan 10 november 2010 vast te stellen, zodat ook op grond daarvan over de onderhavige periode geen bijdrage kan worden vastgesteld.

De periode ná 15 augustus 2009

Het verzoekschrift is zoals voormeld op 10 november 2010 ingediend. Ook indien alleen de periode van de meerderjarigheid van verzoekster wordt bekeken, wordt verzocht om vaststelling van een bijdrage met aanzienlijke terugwerkende kracht van meer dan een jaar.

De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum; een datum die ook vóór de datum van deze beschikking kan zijn gelegen. In het algemeen heeft echter als uitgangspunt te gelden dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden - waar ook onder moet worden verstaan: vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden in het geval er thans geen bijdrage wordt betaald - een behoedzaam gebruik dient te maken. De verplichting van de man is er immers niet een tot het voldoen van een geldsom zonder meer, maar tot het verstrekken van levensonderhoud. Dit recht mag niet gebruikt worden om door met het doen van een verzoek te wachten een som geld ineens te ontvangen. De rechtbank acht het, gelet op de omstandigheden van dit geval, redelijk om de bijdrage met terugwerkende kracht vast te stellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op 10 november 2010. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verzoekster weliswaar diverse momenten vóór november 2010 heeft genoemd waarop volgens haar de man in kennis is gesteld van het feit dat hij een dochter heeft en daarbij op zijn onderhoudsplicht is gewezen, maar dit betreft in alle gevallen een mededeling van een derde aan de man of van verzoekster of haar moeder aan een derde, niet zijnde de man, of van een derde aan een derde (bijvoorbeeld de oma van verzoekster die de vader van de man heeft gebeld). Gesteld noch gebleken is dat verzoekster en/of haar moeder de man rechtstreeks heeft aangesproken, hem daarbij heeft meegedeeld dat verzoekster de dochter van de man is én dat er aanspraak wordt gemaakt op een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor verzoekster. Het feit dat de man volgens verzoekster gezien zijn ruime draagkracht de impact van een vaststelling per een eerdere datum niet zal merken als ook de overige stellingen van verzoekster in dit kader, acht de rechtbank onvoldoende om te rechtvaardigen dat de bijdrage met een eerdere ingangsdatum dan 10 november 2010 wordt vastgesteld.

De bijdrage per 10 november 2010

Verzoekster heeft bij de akte overlegging producties een overzicht overgelegd van haar maandelijkse vaste lasten. Zij heeft hieraan toegevoegd dat dit slechts haar vaste basislasten zijn en dat haar daadwerkelijke uitgaven hoger zijn. Verzoekster heeft aangeboden haar behoefte op basis van haar huidige levensstandaard (hetgeen overigens volgens haar niet maatgevend is voor haar behoefte) desgewenst nader te onderbouwen.

De rechtbank overweegt dat het, ondanks dat verzoekster primair van mening is dat gekeken moet worden naar de welstand die zij had gehad indien zij was opgegroeid binnen het gezin van de man, op de weg van verzoekster had gelegen om vóór de mondelinge behandeling

(subsidiair) inzicht te geven in haar behoefte op basis van haar huidige levensstandaard. Het standpunt van de man dat naar haar daadwerkelijke uitgaven moet worden gekeken was immers reeds bij de indiening van het verweerschrift bekend. Voor zover verzoekster dit niet heeft gedaan, komt dit voor haar eigen rekening en risico.

Afgezien van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank echter voldoende aannemelijk geworden, gezien het overgelegde lijstje en de overige stellingen van verzoekster, dat de behoefte van verzoekster op basis van haar huidige levensstandaard niet aanzienlijk afwijkt van die van andere thuiswonende studenten. Weliswaar bedragen de vaste kosten zoals vermeld op het lijstje reeds een kleine € 900,- per maand, doch hierin zitten de woonlasten (hypotheekrente, verzekeringen, belastingen) van de woning van haar moeder begrepen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om deze behoefte op een hoger bedrag te stellen, omdat de man een ruime draagkracht heeft en verzoekster, als zij in het gezin van de man zou zijn opgegroeid, op een hoger welstandsniveau geleefd zou hebben. De door verzoekster aangehaalde jurisprudentie die ertoe leidt dat voor de bepaling van de behoefte van een kind dat nimmer in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd, uitgegaan moet worden van een bijdrage met een bedrag dat de onderhoudsplichtige ouder aan het kind zou besteden als dit in zijn gezin zou opgroeien, betreft zaken waarin alimentatie wordt vastgesteld voor een minderjarig kind dat opgroeit bij één ouder, die het kind verzorgt en opvoedt. Deze jurisprudentie is naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing op de onderhavige situatie waarin een 'kind' dat meerderjarig is, dat reeds enige tijd heeft gestudeerd en dat nimmer contact heeft gehad met haar verwekker/vader, ondanks het feit dat zij wel op de hoogte was van zijn bestaan, pas na 19 jaar aanspraak maakt op een bijdrage van hem. In een dergelijke situatie acht de rechtbank het redelijk dat de man een bijdrage levert in de daadwerkelijke kosten van verzoekster.

Nu verzoekster reeds een van de vier jaren van een studie aan de PABO heeft afgerond en de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat verzoekster hier dit jaar weer mee verder gaat, ziet de rechtbank aanleiding om voor de bepaling van de behoefte van verzoekster aansluiting te zoeken bij de behoefte van een student. De normbedragen uit de Wet studiefinanciering voor een thuiswonende student bedroegen in 2010 in totaal € 743,- per maand, zodat de rechtbank de behoefte van verzoekster op dat bedrag vaststelt.

De rechtbank passeert de stellingen van de man dat verzoekster, in ieder geval in de periode waarin zij niet studeert, geacht moet worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien, zodat hij niet in haar behoefte behoeft bij te dragen. De rechtbank verwijst naar artikel 1:395a BW juncto 1:392 lid 2 BW, waaruit volgt dat de man onderhoudsplichtig is ongeacht de behoeftigheid van verzoekster. Wel bepalen eventuele inkomsten van verzoekster de omvang van haar behoefte. Gelet op de overgelegde stukken (een zogenaamde nuluren-contract) en de stellingen van verzoekster gaat de rechtbank er vanuit dat verzoekster thans enige eigen inkomsten heeft, maar dat deze te verwaarlozen zijn in het kader van haar behoefte. Bovendien zullen haar huidige inkomsten naar alle waarschijnlijkheid vervallen als zij haar studie weer vervolgt.

De rechtbank zal de door verzoekster te ontvangen basisbeurs ad € 95,61 in mindering brengen op haar behoefte, doch niet een aanvullende beurs, omdat verzoekster daar waarschijnlijk gelet op het inkomen van de man geen recht meer op heeft. Verzoekster heeft derhalve behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie van (afgerond) € 650,- per maand. Nu onbetwist is dat de moeder geen draagkracht heeft voor het leveren van een bijdrage, heeft verzoekster behoefte aan voormelde bijdrage van de man.

De man heeft zijn draagkracht voor het betalen van een dergelijke bijdrage niet betwist, zodat de rechtbank deze bijdrage zal vaststellen.

Verzoekster heeft verzocht reeds thans vast te stellen dat de man de bijdrage is verschuldigd tot aan de voltooiing van de, in de toekomst aan te vangen, master studie van verzoekster. De rechtbank gaat ervan uit dat verzoekster hiermee beoogt dat de man ook na haar 21e jaar een bijdrage blijft leveren in haar levensonderhoud.

De onderhoudsplicht van de man jegens verzoekster, gebaseerd op artikel 1:395a BW, betreft echter de periode tot de leeftijd van 21 jaar. Op grond van artikel 1:392 BW geldt ook een onderhoudsplicht van ouders jegens hun kinderen die ouder zijn dan 21 jaar, doch slechts in geval van behoeftigheid van de tot onderhoud gerechtigde. De rechtbank kan thans niet vaststellen of daarvan over twee jaar sprake is. Dit betreft een onzekere situatie in de toekomst. De rechtbank zal dit verzoek derhalve afwijzen.

Bevel tot overlegging financiële bescheiden

Gezien het vorenstaande zijn de door verzoekster verzochte door de man over te leggen stukken voor de uitkomst van deze procedure niet van belang, zodat de rechtbank dit verzoek zal afwijzen.

Kostenveroordeling

Beide partijen hebben verzocht de andere partij in de kosten van deze procedure te veroordelen. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding. Beide partijen zijn op enkele punten in het ongelijk gesteld in die zin dat niet de door verzoekster verzochte bijdrage is vastgesteld, maar wel een bijdrage, terwijl de man zich in deze procedure op het standpunt heeft gesteld dat hij niet gehouden is enige bijdrage aan verzoekster te voldoen. (alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Bovendien betreft het hier een procedure van familierechtelijke aard. De rechtbank ziet daarom aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank beslissen als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

stelt vast het vaderschap van:

[man] geboren op [geboortedatum] 1942,

over:

[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1991 te [[geboorteplaats]]

uit:

[moeder], geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats];

bepaalt dat de [man] met ingang van 10 november 2010 voor de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige [verzoekster], zal betalen een bedrag van € 650,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan haar te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. Verbeek, bijgestaan door mr. T.A.E. Scheers als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2011.