Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5648

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-05-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
11/13532
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de fax van verweerder van 18 mei 2011 blijkt dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 mei 2011 ongeveer 275 laissez-passeraanvragen zijn ingediend bij de Guinese autoriteiten, waarvan er vijftien waren onderbouwd met documenten. Daarnaast blijkt uit dit faxbericht dat in voornoemde periode enkele laissez passers zijn verstrekt en dat één vreemdeling aan wie een dergelijke laissez passer is verstrekt, gedocumenteerd was. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat thans niet valt te verwachten dat binnen een redelijke termijn een laissez passer zal worden afgegeven ten behoeve van eiser. Immers ook indien eiser zijn medewerking zou verlenen door zijn gestelde identiteit en nationaliteit met documenten te onderbouwen, is het, gelet op de door verweerder verstrekte gegevens en gelet op de duur van het laissez-passertraject, weinig waarschijnlijk dat ten behoeve van eiser een laissez passer wordt verstrekt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder niet twijfelt aan de nationaliteit van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 11/13532

V-nummer: […]

Inzake: [voorletters en familienaam eiser], eiser,

gemachtigde mr. L. de Roode, advocaat te Gouda,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. M.S. Mol.

I Procesverloop

1 Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum en -jaar] en de Guinese nationaliteit te bezitten. Op 10 november 2010 heeft verweerder eiser in bewaring gesteld.

2 Bij uitspraak van 1 december 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep tegen de oplegging van de maatregel van bewaring ongegrond verklaard.

3 Laatstelijk bij uitspraak van 18 maart 2011 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep, ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, ongegrond verklaard.

4 Op 19 april 2011 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

5 Verweerder heeft op 27 april 2011 voortgangsgegevens verstrekt over zijn handelen strekkend tot uitzetting van eiser aan de rechtbank en eiser. Bij faxbericht van

28 april 2011 heeft eiser hierop gereageerd. Verweerder heeft op 10 mei 2011 nadere inlichtingen verstrekt.

6 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 11 mei 2011. Eiser is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

7 Bij faxbericht van 13 mei 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht nadere gegevens te verstrekken omtrent het zicht op uitzetting naar Guinee. Op 18 mei 2011 heeft verweerder aanvullende informatie overgelegd. Op 20 mei 2011 heeft eiser daarop gereageerd. Met toestemming van beide partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 mei 2011 gesloten.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), staat ter beoordeling of voortzetting van de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1.1 Eiser heeft zich, onder verwijzing van onder andere de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond van 15 maart 2011 (LJN BP7945), nevenzittingsplaats Assen van 21 maart 2011 (LJN BP9600), nevenzittingsplaats Groningen van 14 april 2011 (LJN BQ2309) en nevenzittingsplaats Zwolle van 22 april 2011 (LJN BQ2582), op het standpunt gesteld dat geen werkelijk vooruitzicht op verwijdering naar Guinee bestaat.

2.1.2 Verweerder heeft onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht van 22 maart 2011 (JV 2011/205) betoogd dat de Guinese autoriteiten nog immer laissez passers verstrekken en dat gelet hierop en op de omstandigheid dat eiser onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek ter fine van uitzetting, niet kan worden geconcludeerd dat zicht op uitzetting naar Guinee ontbreekt.

2.1.3 Uit de fax van verweerder van 18 mei 2011 blijkt dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 mei 2011 ongeveer 275 laissez-passeraanvragen zijn ingediend bij de Guinese autoriteiten, waarvan er vijftien waren onderbouwd met documenten. Daarnaast blijkt uit dit faxbericht dat in voornoemde periode enkele laissez passers zijn verstrekt en dat één vreemdeling aan wie een dergelijke laissez passer is verstrekt, gedocumenteerd was. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat thans niet valt te verwachten dat binnen een redelijke termijn een laissez passer zal worden afgegeven ten behoeve van eiser. Immers ook indien eiser zijn medewerking zou verlenen door zijn gestelde identiteit en nationaliteit met documenten te onderbouwen, is het, gelet op de door verweerder verstrekte gegevens en gelet op de duur van het laissez-passertraject, weinig waarschijnlijk dat ten behoeve van eiser een laissez passer wordt verstrekt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder niet twijfelt aan de nationaliteit van eiser.

2.2 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat voortzetting van de maatregel van bewaring met ingang van 20 mei 2011 in strijd is met de Vw 2000.

2.3 Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 20 mei 2011.

2.4 De rechtbank acht geen gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen.

2.5 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1092,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 20 mei 2011;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding af;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.L. Heins, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 mei 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: