Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5596

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/38877 COA, 10/41241
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden, zoals in geval van een acute medische noodsituatie, vindt het COA aanleiding om de verstrekkingen, hoewel daarop geen aanspraak meer bestaat, niettemin voort te zetten. Het is evenwel aan de vreemdeling om, indien daartoe aanleiding bestaat, aannemelijk te maken dat van zodanige zeer bijzondere omstandigheden sprake is.

Het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Uit de jurisprudentie van het EHRM kan niet worden afgeleid dat voor een lidstaat een algemene verplichting bestaat om aan al dan niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen opvang te verlenen. Hierop bestaat een uitzondering indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium (EHRM 2 mei 1997, LJN AB8007). Zoals hierboven aangegeven heeft eiseres niet onderbouwd dat zij zich in een zodanige situatie bevindt. De stelling van eiseres dat een lidstaat op grond van artikel 8 van het EVRM minimale sociale voorzieningen en een “certain standard of living” aan uitgeprocedeerde asielzoekers moet bieden slaagt niet. Niet alle normen uit internationale rechtsbronnen hebben rechtstreekse werking. Daar komt bij dat in de door eiseres aangehaalde arresten Rantsev en Opuz sprake was van geheel andere omstandigheden. Artikel 3 van het EVRM noch artikel 8 van het EVRM kent vreemdelingen het recht toe om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven. En evenmin kunnen uitgeprocedeerde asielzoekers met een beroep op artikel 8 van het EVRM een beroep doen op minimale sociale voorzieningen.

Eiseres heeft ter zitting een beroep gedaan op de uitspraak van het EHRM van 21 januari 2011 (LJN BP4356). Uit paragraaf 233 van deze uitspraak volgt dat het zijn van een asielzoeker inherent is aan kwetsbaar zijn. Derhalve kan verweerder niet stellen dat uitgeprocedeerde asielzoekers geen aanspraak op bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen maken. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat deze uitspraak uitsluitend ziet op asielzoekers die in het geheel geen asielprocedure hebben gekregen, zoals dat in Griekenland is voorgekomen. Nu eiseres wel een asielprocedure doorlopen heeft gaat de vergelijking met deze uitspraak niet op.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de positieve verplichting om kwetsbare vrouwen te beschermen slechts opgaat in zeer schrijnende gevallen. Verwezen wordt onder meer naar een uitspraak van het EHRM van 7 januari 2010 (LJN BL6652). Deze situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Regnrs.: AWB 10/38877 COA

AWB 10/41241 COA

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[A], eiseres, V-nummer [nummer], woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. E.C. Cerezo - Weijsenfeld, advocaat te Haarlem,

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder.

I PROCESVERLOOP

Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1982 en de Burundese nationaliteit te hebben.

Bij brief van 21 oktober 2010 heeft eiseres verweerder verzocht om toepassing van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) en toepassing van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb).

Bij besluit van 2 november 2010 heeft verweerder geweigerd eiseres op grond van de Rva 2005 opvang te bieden. Daarnaast heeft verweerder eiseres bij afzonderlijk schrijven van

2 november 2010 laten weten de aanvraag met betrekking tot de Rvb pas in behandeling te kunnen nemen als verweerder het daarvoor bestemde aanvraagformulier, volledig ingevuld en met alle benodigde bijlagen, heeft ontvangen.

Bij brief van 9 november 2010 heeft eiseres tegen laatstgenoemde brief, beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep staat alhier bekend onder procedurenummer AWB 10/38877 COA.

Bij brief van 30 november 2010 heeft eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek op grond van de Rva, beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep staat alhier bekend onder procedurenummer AWB 10/41241 COA.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van de beroepen heeft gevoegd plaatsgevonden op 8 maart 2011. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Kruseman, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.E. van der Kamp. Tevens was ter zitting aanwezig E. Nsobimbona, tolk Swahili.

II OVERWEGINGEN

1 De rechtbank gaat voor haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft op 3 april 2007 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 gedaan. Bij beschikking van 6 maart 2008 is de asielaanvraag afgewezen. Daarbij is aan eiseres medegedeeld dat zij met ingang van de dag waarop de beroepstermijn is verstreken niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Het beroep van eiseres tegen de afwijzing is door de rechtbank op 9 juni 2009 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2 Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte haar aanvraag niet in behandeling heeft genomen. Nu er een schriftelijk verzoek ligt is verweerder gehouden om daar een oordeel over te geven. Door dit niet te doen handelt verweerder in strijd met artikel 8 van het Europese Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Ook de weigering van verweerder om eiseres toe te laten tot de opvang is naar het oordeel van eiseres in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiseres kan immers niet uitgezet worden. De poging om een laissez-passer te verkrijgen is mislukt. Eiseres is nu dakloos en kon tot nu toe slapen bij de Sisters of Charity. Ten gevolge van capaciteitsproblemen kan eiseres hier niet langer blijven. Daarnaast heeft eiseres last van hoofdpijn rondom de plek waar zij in het land van herkomst trauma opgelopen heeft. Eiseres krijgt medicijnen voor haar depressie en heeft slaapproblemen.

De stelling van verweerder dat hij niet gehouden is om eiseres op te vangen omdat zij geen asielzoeker is kan eiseres niet volgen. Ook personen die geen asielzoeker zijn zouden gebruik moeten kunnen maken van opvang en voorzieningen die in het levensonderhoud voorzien. Dit volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 april 2010 (LJN BM0956).

Verweerder heeft de positieve verplichting om kwetsbare vrouwen te beschermen. Eiseres zal zonder opvang op straat moeten leven en zal daardoor in een inhumane situatie terecht komen. Dit is in strijd met artikel 8 van het EVRM. Het Europese Comité voor Sociale Rechten (ESC) heeft in complaint No. 47/2008 bepaald dat Nederland het Europees Sociaal Handvest (ESH) niet nakomt door personen die geen geldige verblijfstitel hebben op straat te zetten. Verweerder kan zich gezien deze ontwikkeling niet op het standpunt blijven stellen dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden bij eiseres.

3 Verweerder stelt met betrekking tot de verstrekking op grond van de Rvb dat, ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Rvb voor de aanvraag van de toelage op grond van de Rvb gebruik dient te worden gemaakt van een door het COA verstrekte formulier. Daarbij dient eiseres op grond van het zesde lid van voornoemd artikel aan te geven op welke categorie van de Rvb zij zich beroept. Eiseres heeft hier ook na attendering van verweerder, niet aan voldaan. Verweerder handelt met deze werkwijze niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Verweerder is voorts van oordeel dat de aanvraag van eiseres op grond van de Rva op goede gronden is afgewezen. De door eiseres aangehaalde uitspraak van de CRvB van

19 april 2010 kan naar het oordeel van verweerder niet slagen nu die zaak ging om een vreemdeling met rechtmatig verblijf die een beroep deed op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. De CRvB heeft zich in die zaak niet uitgelaten over de door het COA toe te passen maatstaf. Verweerder is derhalve niet gebonden aan deze uitspraak. Dit wordt door de AbRS onderschreven. Zie onder meer uitspraak van 26 november 2010 (LJN BO6348).

Het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM kan naar het oordeel van verweerder evenmin slagen. In de vreemdelingrechtelijke procedure is reeds uitgemaakt dat de Nederlandse Staat niet gehouden is om aan eiseres bescherming te bieden. De omstandigheid dat eiseres tot op heden niet uitgezet kon worden komt omdat niet duidelijk is naar welk land de uitzetting zou moeten plaatsvinden. Niet gebleken is dat eiseres niet in staat is terug te keren. Met betrekking tot de gestelde medische klachten is verweerder van oordeel dat deze niet met concrete en recente medische documentatie onderbouwd zijn. Het staat eiseres overigens vrij een beroep te doen op artikel 64 van de Vw 2000 als zij niet in staat is te reizen op grond van medische klachten.

Uit artikel 8 van het EVRM vloeit geen verplichting voort om hier te lande verblijvende vreemdelingen van opvang te voorzien. Ook hiervoor kan verwezen worden naar voornoemde uitspraak van de AbRS van 26 november 2010. Een uitzondering op de regel wordt slechts gemaakt onder zeer uitzonderlijke omstandigheden. De enige gelegenheid waarin deze uitzonderlijke situatie zich voordeed was in de zaak St. Kitts van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) (LJN AB8007). Eiseres voldoet niet aan die strenge eisen. Tot slot heeft verweerder aangevoerd dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan het rapport van het ESC. In die zaak ging het om het onthouden van opvang aan minderjarige kinderen. Het ESC heeft dit standpunt niet ingenomen met betrekking tot meerderjarige, niet legaal in lidstaten verblijvende vreemdelingen.

4 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA), is het COA onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers. Ingevolge artikel 12 van de Wet COA kan de Minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen, als bedoeld in artikel 3 van die wet. De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 12 van de Wet COA.

Ten aanzien van asielzoekers die zijn uitgeprocedeerd, op wie een vertrekplicht rust en die aan de toepasselijke wettelijke voorschriften geen aanspraak op opvang kunnen ontlenen, wordt als beleid gevoerd dat die opvang niettemin niet wordt beëindigd, doch slechts indien en zolang de betrokken vreemdeling meewerkt aan het verkrijgen van een vervangend reisdocument. Met dit beleid wordt beoogd de betrokken vreemdeling ertoe te brengen alle mogelijke medewerking te verlenen aan zijn terugkeer, niet om een sanctie te stellen op onvoldoende medewerking. Kernpunt van dit beleid is dat van medewerking die tot voortzetting van de opvang aanleiding kan geven eerst sprake is, indien en zolang de vreemdeling alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om zijn terugkeer naar zijn land van herkomst te bewerkstelligen. Dit beleid is neergelegd in de Herziene werkwijze Stappenplan III (Stcrt. 8 juli 2002, nr. 127, p. 7).

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Rvb wordt de toelage binnen twee weken nadat aanspraak van de vreemdeling op de toelage is ontstaan, door de vreemdeling, diens wettelijke vertegenwoordiger of bloedverwant in de eerste of tweede graad, dan wel door de persoon die door één van hen daartoe is gemachtigd, aangevraagd.

Ingevolge het vierde lid wordt voor de aanvraag van de toelage en de verstrekking van gegevens gebruik gemaakt van een door het COA verstrekt formulier.

Ingevolge het zesde lid bepaalt het COA welke gegevens ten behoeve van de verlening van de toelage, dan wel de voortzetting daarvan, door de vreemdeling, diens wettelijk vertegenwoordiger of bloedverwant in de eerste of tweede graad, in ieder geval dienen te worden verstrekt, welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd en de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van de gegevens dient plaats te vinden.

Ten aanzien van het beroep met procedurenummer AWB 10/38877 COA

5 De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gebruik gemaakt heeft van het formulier zoals bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de Rvb en ook niet heeft gespecificeerd van welke verstrekking zij gebruikt wenste te maken. Zulks heeft eiseres ook nagelaten na attendering op deze omissie door verweerder. Daarmee heeft eiseres een onvolledige aanvraag gedaan waardoor verweerder niet heeft kunnen beslissen op de aanvraag. Het door eiseres ingestelde beroep tegen de gestelde buiten behandeling stelling van de aanvraag is derhalve als prematuur aan te merken. De brief van 2 november 2010 van verweerder kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, en is derhalve niet voor beroep vatbaar. Gelet op het vorenstaande is het beroep niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het beroep met procedurenummer AWB 10/41241 COA

6 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van de Vw 2000. Daarmee staat ingevolge artikel 10, eerste lid van de Vw 2000 vast dat eiseres geen aanspraak kan maken op verstrekkingen en voorzieningen van een bestuursorgaan. Eiseres kan deswege geen aanspraak maken op artikel 3 van de Wet COA.

Het tweede lid van artikel 10 van de Vw 2000 geeft een uitzondering op deze regel als er sprake is van onder meer de verlening van medisch noodzakelijke zorg. Nu eiseres geen (recente) medische gegevens overgelegd heeft, heeft verweerder op goede gronden kunnen oordelen dat van een medische noodsituatie of van een situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 geen sprake is.

Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden, zoals in geval van een acute medische noodsituatie, vindt het COA aanleiding om de verstrekkingen, hoewel daarop geen aanspraak meer bestaat, niettemin voort te zetten. Het is evenwel aan de vreemdeling om, indien daartoe aanleiding bestaat, aannemelijk te maken dat van zodanige zeer bijzondere omstandigheden sprake is.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder het criterium, "zeer bijzondere omstandigheden" die maken dat aan uitgeprocedeerde asielzoekers voorzieningen geboden moeten worden, te nauw heeft ingevuld. Naast de acute medische noodsituatie moet verweerder zich ook rekenschap geven van artikel 8 van het EVRM. Daarbij doelt eiseres vooral op het recht op minimale sociale voorzieningen, het recht op "shelter" en een "certain standard of living". Verweerder heeft in het kader van artikel 8 van het EVRM ook de positieve verplichting om kwetsbare vrouwen te beschermen. Alle internationale rechtsbronnen, ongeacht welke werking hun toegedaan wordt, zijn rechtsnormen die meegewogen behoren te worden.

Het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Uit de jurisprudentie van het EHRM kan niet worden afgeleid dat voor een lidstaat een algemene verplichting bestaat om aan al dan niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen opvang te verlenen. Hierop bestaat een uitzondering indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium (EHRM 2 mei 1997, LJN AB8007). Zoals hierboven aangegeven heeft eiseres niet onderbouwd dat zij zich in een zodanige situatie bevindt. De stelling van eiseres dat een lidstaat op grond van artikel 8 van het EVRM minimale sociale voorzieningen en een "certain standard of living" aan uitgeprocedeerde asielzoekers moet bieden slaagt niet. Niet alle normen uit internationale rechtsbronnen hebben rechtstreekse werking. Daar komt bij dat in de door eiseres aangehaalde arresten Rantsev en Opuz sprake was van geheel andere omstandigheden. Artikel 3 van het EVRM noch artikel 8 van het EVRM kent vreemdelingen het recht toe om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven. En evenmin kunnen uitgeprocedeerde asielzoekers met een beroep op artikel

8 van het EVRM een beroep doen op minimale sociale voorzieningen.

Eiseres heeft ter zitting een beroep gedaan op de uitspraak van het EHRM van 21 januari 2011 (LJN BP4356). Uit paragraaf 233 van deze uitspraak volgt dat het zijn van een asielzoeker inherent is aan kwetsbaar zijn. Derhalve kan verweerder niet stellen dat uitgeprocedeerde asielzoekers geen aanspraak op bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen maken. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat deze uitspraak uitsluitend ziet op asielzoekers die in het geheel geen asielprocedure hebben gekregen, zoals dat in Griekenland is voorgekomen. Nu eiseres wel een asielprocedure doorlopen heeft gaat de vergelijking met deze uitspraak niet op.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de positieve verplichting om kwetsbare vrouwen te beschermen slechts opgaat in zeer schrijnende gevallen. Verwezen wordt onder meer naar een uitspraak van het EHRM van 7 januari 2010 (LJN BL6652). Deze situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het beroep op de uitspraak van de CRvB van 19 april 2010 niet kan slagen. In de uitspraak is geoordeeld over aanspraken van een rechtmatig hier te lande verblijvende vreemdeling in andere medische omstandigheden op voorzieningen op grond van een andere wettelijke regeling. Reeds daarom bestaat er geen grond om die uitspraak na te volgen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de AbRS van 26 november 2010 (LJN BO6348).

De door eiseres aangevoerde zaak van het Europese Comité voor Sociale Rechten (ESC) (complaint No. 47/2008) kan eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet baten omdat het daar de opvang van minderjarige kinderen betrof.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden de gevraagde opvang aan eiseres heeft geweigerd.

Het beroep is derhalve ongegrond.

7 De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep met procedurenummer AWB 10/38877 COA niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep met procedurenummer AWB 10/41241 COA ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.M.F. Holtrop, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Badermann.

Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie: www.raadvanstate.nl).