Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5546

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
390830 HA RK 11-190 Wrakingsnummer 2011/14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking van rechter-commissaris in strafzaken. Peocessuele beslissing inzake horen getuige. Levert geen grond voor wraking op. Voor zover is gesteld dat het ondervragingsrecht van de verdediging door de beslissing van de rechter-commissaris is beperkt, stonden de verdediging twee mogelijkheden ten dienste. De raadsman had bij de rechter-commissaris een verzoek kunnen indienen om de getuige een tweede keer te horen of aan de rechtbank kunnen verzoeken de getuige op de zitting te horen of de zaak opnieuw terug te wijzen naar de rechter-commissaris voor een tweede verhoor van de getuige. Daarvoor kan het middel van wraking niet worden benut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2011/14

rekestnummer: 390830 HA RK 11-190

parketnummer: 09/925250-10

datum beslissing: 4 april 2011

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de strafzaak van:

[verzoeker],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Zoetermeer,

verzoeker,

raadsman mr. C.W.J. Faber, advocaat te Maastricht,

strekkende tot wraking van:

mr. [X],

rechter-commissaris in de rechtbank te 's-Gravenhage, belast met de behandeling van strafzaken,

hierna te noemen: de rechter-commissaris.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop.

Op de terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 9 februari 2011 is de strafzaak van verzoeker naar de rechter-commissaris teruggewezen voor het horen van getuigen.

In de ochtend van 28 maart 2011 stonden bij de rechter-commissaris de verhoren van twee getuigen gepland. De griffier van de rechter-commissaris heeft die ochtend de raadsman van verzoeker, die onderweg was naar de rechtbank, telefonisch medegedeeld dat de uitreiking van de dagvaardingen aan de getuigen niet was gelukt. Uit de inhoud van het telefoongesprek heeft de raadsman afgeleid dat de verhoren die ochtend niet meer zouden plaatsvinden, waarop hij naar zijn kantoor is teruggekeerd. Later die ochtend is één van de getuigen (hierna: getuige [A]) op het kabinet van de rechter-commissaris verschenen. De rechter-commissaris heeft vervolgens gebeld met de raadsman van verzoeker en hem medegedeeld dat zij getuige [A] alsnog die dag zou gaan horen en dat de raadsman per telefoon of eventueel per e-mail vragen voor deze getuige kon doorgeven.

De raadsman heeft dezelfde dag via de fax een verzoek tot wraking van de rechter-commissaris ingediend.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Op 4 april 2011 is in raadkamer van deze wrakingskamer het wrakingsverzoek behandeld.

Namens verzoeker is verschenen mr. S.M. Kurvers, kantoorgenote van mr. Faber, die het wrakingsverzoek heeft toegelicht. De rechter-commissaris heeft de wrakingskamer op

1 april 2011 bericht dat zij niet bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig zal zijn.

Officier van justitie mr. M.J. Mos heeft in een e-mailbericht de voorzitter van de wrakingskamer medegedeeld dat zij niet op de zitting zal verschijnen.

3. Het standpunt van verzoeker.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat door de beslissing van de rechter-commissaris het verhoor van de getuige [A] op 28 maart 2011 te laten doorgaan, ondanks het feit dat de raadsman van verzoeker daartegen herhaaldelijk bezwaar had gemaakt en er een mogelijkheid aanwezig was om het verhoor van deze getuige aan te houden, de verdediging voor een voldongen feit is geplaatst en zij in ernstige mate in haar ondervragingsrecht is beperkt. Dat de raadsman in de gelegenheid is gesteld telefonisch of per e-mail vragen voor de getuige op te geven, maakt dat niet anders. Daardoor heeft bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees kunnen ontstaan dat de rechter-commissaris jegens hem een vooringenomenheid koestert.

4. Het standpunt van mr. [X].

De rechter-commissaris heeft bij schrijven van 1 april 2011 aan de wrakingskamer bericht dat zij niet in de wraking berust. Nadat getuige [A] op 28 maart 2011 om 10.45 uur toch voor het verhoor was verschenen, heeft zij de raadsman telefonisch van de komst van de getuige op de hoogte gesteld en hem medegedeeld dat zij voornemens was de getuige te horen. De raadsman liet haar weten dat hij er bezwaar tegen had indien het verhoor buiten zijn aanwezigheid alsnog werd afgenomen. De rechter-commissaris heeft hem vervolgens in de gelegenheid gesteld zijn vragen voor de getuige alsnog aan haar op te geven. Dat heeft de raadsman vervolgens mondeling gedaan.

5. De beoordeling.

5.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2 De beslissing van de rechter-commissaris om getuige [A] op 28 maart 2011 op een later tijdstip alsnog te horen is een processuele beslissing, waarbij de rechter-commissaris zowel het belang van de voortgang van het onderzoek als het verdedigingsbelang heeft meegewogen.

In het algemeen levert een processuele beslissing geen grond voor wraking op, tenzij er omstandigheden zijn die grond geven te vrezen dat het een rechter aan onpartijdigheid ontbreekt of waardoor de schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker is gewekt.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn dergelijke omstandigheden gesteld noch aannemelijk geworden. Ook als zou kunnen worden vastgesteld dat de raadsman aan de telefonische mededelingen van de griffier de verwachting heeft mogen ontlenen dat de getuigenverhoren die dag niet meer zouden plaatsvinden - de stellingen van de raadsman en de rechter-commissaris staan tegenover elkaar op dit punt - levert dat niet zonder meer een omstandigheid als hiervoor genoemd op.

5.3 Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende.

Voor zover is gesteld dat het ondervragingsrecht van de verdediging door de beslissing van de rechter-commissaris is beperkt, stonden de verdediging twee mogelijkheden ten dienste. De raadsman had bij de rechter-commissaris een verzoek kunnen indienen om de getuige een tweede keer te horen of aan de rechtbank kunnen verzoeken de getuige op de zitting te horen of de zaak opnieuw terug te wijzen naar de rechter-commissaris voor een tweede verhoor van de getuige. Daarvoor kan het middel van wraking niet worden benut.

5.4 Nu de door verzoeker aangevoerde grond het wrakingsverzoek niet kan dragen en zich naar het oordeel van de rechtbank overigens geen omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor vooringenomenheid van mr. [X] dan wel voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij verzoeker, dient het verzoek te worden afgewezen.

5.5 Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. De beslissing.

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn raadsman mr. C.W.J. Faber;

• de officier van justitie mr. M.J. Mos;

• mr. [X].

Aldus beslist in raadkamer en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2011 door mrs E. Rabbie, voorzitter, D. Aarts en G.P. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Gest als griffier.